Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:10470

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2013
Datum publicatie
15-08-2013
Zaaknummer
12 - 21381
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na heropening van het onderzoek heeft verweerder schriftelijk aangegeven dat in de kamerstukken, de rechtbank begrijpt de brieven van de minister aan de Tweede kamer van 18 januari 2011 en 21 december 2011, wordt aangegeven dat verweerder in opdracht van de minister het onderdak, zoals aangeboden op de gezinslocaties uitvoert. Dit betekent volgens verweerder dat zij slechts de opvang faciliteert. Het voorzieningenniveau wordt echter vastgesteld door de minister. Gelet hierop zou, volgens verweerder, de minister (thans de staatssecretaris) als het bevoegde bestuursorgaan in deze procedure zijn aan te wijzen.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, gelet op voornoemde brieven van 18 januari 2011 en 21 december 2011, het COA niet het bevoegde bestuursorgaan is om op de onderhavige aanvraag te beslissen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 21381

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 19 februari 2013 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum 1], eiser,

namens zijn minderjarige kinderen,

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2]

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3],

allen burgers van voormalig Joegoslavië,

tezamen te noemen eisers,

(gemachtigde: mr. E.C. Cerezo - Weijsenfeld, advocaat te Haarlem),

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),

verweerder.


Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het vergoeden van buitengewone kosten op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva) afgewezen.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 25 september 2012 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2012. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

Op 24 oktober 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen aan te geven of verweerder, dan wel de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (minister) thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) het bevoegde bestuursorgaan is in de onderhavige procedure.

Bij brief van 29 oktober 2012 heeft verweerder een schriftelijke reactie gegeven, waarop eisers op 6 november 2012 hebben gereageerd. Bij brief van 20 december 2012 hebben eisers toestemming gegeven het onderzoek te sluiten zonder het houden van een nadere zitting. Op 15 november 2012, door de rechtbank ontvangen op 5 februari 2013, heeft verweerder eveneens toestemming gegeven. De rechtbank heeft hierna het onderzoek gesloten, zonder het houden van een nadere zitting en heeft de uitspraakdatum bepaald op heden.

Overwegingen

1.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen, dat de gevraagde voorzieningen niet kunnen worden verstrekt omdat eisers in een buitenwettelijke opvanglocatie verblijven. In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat verweerder in opdracht van (destijds) de minister het onderdak, zoals geboden wordt op gezinslocaties, uitvoert. Aangezien de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve dient te beoordelen, is het onderzoek in de zaak heropend, waarbij aan partijen de vraag is gesteld of het COA, dan wel de minister (thans de staatssecretaris) het bevoegde orgaan is ten aanzien van de onderhavige aanvraag.

1.1

Bij brief van 29 oktober 2012 heeft verweerder aangegeven dat in de kamerstukken, de rechtbank begrijpt de brieven van de minister aan de Tweede kamer van 18 januari 2011 en 21 december 2011, wordt aangegeven dat verweerder in opdracht van de minister het onderdak, zoals aangeboden op de gezinslocaties uitvoert. Dit betekent volgens verweerder dat zij slechts de opvang faciliteert. Het voorzieningenniveau wordt echter vastgesteld door de minister. Gelet hierop zou, volgens verweerder, de minister (thans de staatssecretaris) als het bevoegde bestuursorgaan in deze procedure zijn aan te wijzen.

1.2

De rechtbank is, met verweerder van oordeel dat, gelet op voornoemde brieven van 18 januari 2011 en 21 december 2011, het COA niet het bevoegde bestuursorgaan is om op de onderhavige aanvraag te beslissen. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de afwijzing van onderhavige aanvraag is aan te merken als een besluit, als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen een rechtsmiddel openstaat.

1.3

In artikel 1:3, eerste lid, Awb is bepaald dat onder besluit wordt verstaan, een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. In het tweede lid is voorts bepaald dat onder een beschikking wordt verstaan een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

1.4

De vraag die voorligt is, of de schriftelijke mededeling van verweerder, van 7 juni 2012, is aan te merken als een publiekrechtelijke rechtshandeling, gericht op rechtsgevolg. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en verwijst hiertoe naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juli 2010, LJN BN1950 en 12 april 2006, LJN AW1297. Hierin is overwogen dat een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan geacht wordt op publiekrechtelijk rechtsgevolg te zijn gericht indien het bestuursorgaan, hoewel niet bevoegd het rechtsgevolg tot stand te brengen, wel pretendeert een publiekrechtelijke bevoegdheid en daarmee openbaar gezag uit te oefenen. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie zich hier voordoet, gelet op de bewoordingen van de schriftelijke mededeling van 7 juni 2012. Deze mededeling moet dan ook worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. De rechtbank acht het tegen het besluit van 7 juni 2012 ingestelde beroep dan ook ontvankelijk.

2.

Het feit dat verweerder niet bevoegd was om te beslissen op de onderliggende aanvraag, brengt echter met zich mee dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

3.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden.

4.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

5.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, rechter, in aanwezigheid van J. van Roode, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.