Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:10468

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-08-2013
Datum publicatie
22-08-2013
Zaaknummer
C-09-423588 - HA RK 12-397
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderscha. Art. 15. Geen vrijwillige verkrijging van de Dominicaanse nationaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RV20130095 met annotatie van Groot de G.R. Gerard-René
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/423588 / HA RK 12-397

Beschikking van 15 augustus 2013

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. M. de Miranda te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verder te noemen: ‘de IND’,

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 17 juli 2012 ingekomen verzoekschrift,

  • -

    de brieven van mr. De Miranda van 22 juli 2012, 29 december 2012, 11 februari 2013 en 12 juli 2013,

  • -

    de brieven van de IND van 12 september 2012 en 28 mei 2013,

  • -

    de brief van de officier van justitie van 11 juni 2013.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juli 2013. Verzoeker is verschenen, vergezeld van mr. De Miranda. Namens de IND is mr. Meijer verschenen. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling van de zaak ter zitting.

2 Het verzoek

2.1.

Verzoeker verzoekt de rechtbank vast te stellen dat hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Hij voert daartoe aan dat hij vanaf zijn geboorte van rechtswege de Nederlandse en de Dominicaanse nationaliteit heeft. Aangezien niet gezegd kan worden dat hij één van beide nationaliteiten vrijwillig heeft verkregen, zoals bedoeld in artikel 15, lid 1 aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), kan hij de andere nationaliteit dus ook niet van rechtswege hebben verloren, aldus verzoeker.

2.2.

Subsidiair, voor het geval de rechtbank mocht oordelen dat verzoeker bij zijn geboorte alleen de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, voert verzoeker aan dat de inschrijving van zijn Nederlandse geboorteakte op verzoek van zijn moeder te Santo Domingo (Dominicaanse Republiek), niet gezien kan worden als een wilsdaad van verzoeker, specifiek gericht op de verkrijging van de Dominicaanse nationaliteit. Die inschrijving kan daarom niet het verlies van de Nederlandse nationaliteit tot gevolg hebben gehad.

3 Het standpunt van de IND en van de officier van justitie

3.1.

De IND heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker bij zijn geboorte alleen de Nederlandse nationaliteit verkreeg, en niet tevens de Dominicaanse. Met het laten inschrijven van zijn Nederlandse geboorteakte in de registers van de burgerlijke stand van de Dominicaanse Republiek verkreeg verzoeker op 20 april 2011 de Dominicaanse nationaliteit. Als gevolg van de vrijwillige verkrijging van de Dominicaanse nationaliteit, heeft verzoeker de Nederlandse nationaliteit op die datum verloren, zo heeft de IND betoogd.

3.2.

De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven zich aan te sluiten bij het advies van de IND.

4 De beoordeling

4.1.

Verzoeker is op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] geboren als zoon van [A], van Nederlandse nationaliteit, en [B], van Nederlandse en Dominicaanse nationaliteit. Bij zijn geboorte verkreeg verzoeker, als zoon van een Nederlandse vader, de Nederlandse nationaliteit.

4.2.

Niet is komen vast te staan dat verzoeker bij zijn geboorte eveneens de Dominicaanse nationaliteit verkreeg. Het Internationaal Juridisch Instituut geeft in haar rapport van 17 januari 2013 aan dat de ten tijde van de geboorte van verzoeker geldende Grondwet van de Dominicaanse Republiek (artikel 11 lid 3) bepaalde dat iedereen die buiten de Dominicaanse Republiek uit een Dominicaanse ouder werd geboren de Dominicaanse nationaliteit verkreeg, doch slechts voor zover hij of zij geen vreemde nationaliteit (van een andere ouder) verkreeg. Nu verzoeker in Nederland is geboren uit een Dominicaanse moeder, doch op grond van zijn afstamming van een Nederlandse vader bij geboorte de Nederlandse nationaliteit verkreeg, zou verzoeker op grond van deze bepaling bij zijn geboorte alleen de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen. Volgens het huidige (vanaf 2010 geldende) artikel 18 lid 4 van de Grondwet van de Dominicaanse Republiek maakt het niet langer verschil of de betrokkene bij zijn geboorte, naast de Dominicaanse nationaliteit, ook een andere nationaliteit verkrijgt. Niet duidelijk is geworden of het nieuwe artikel terugwerkende kracht heeft, waardoor alsnog zou gelden dat verzoeker vanaf zijn geboorte eveneens in het bezit is van de Dominicaanse nationaliteit. De vice-consul van de Dominicaanse Republiek heeft in een verklaring van 16 juli 2012 weliswaar aangegeven dat verzoeker vanaf zijn geboorte (eveneens) in het bezit is van de Dominicaanse nationaliteit, maar uit die verklaring blijkt niet uitdrukkelijk op welke versie van de grondwet de vice-consul deze vaststelling heeft gebaseerd.

Of verzoeker bij zijn geboorte naast de Nederlandse ook de Dominicaanse nationaliteit verkreeg, is een vraag die in principe door de Dominicaanse autoriteiten dient te worden beantwoord. De rechtbank heeft niet de bevoegdheid om een eventuele Dominicaanse nationaliteit van verzoeker vast te stellen. De rechtbank stelt evenwel vast dat het antwoord op deze vraag in het midden kan blijven. Daartoe geldt het navolgende.

4.3.

Artikel 15 lid 1 aanhef en onder a van de Rijkswet op het Nederlanderschap bepaalt dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit. Dat de verkrijging vrijwillig moet zijn, betekent volgens de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (HRWN) dat het moet gaan om een wilsdaad, die specifiek gericht is op de verkrijging van een andere nationaliteit. Zijn de redenen om een andere nationaliteit te verkrijgen zo dwingend, dat niet meer gesproken kan worden van een vrijwillige verkrijging van die nationaliteit, dan brengt genoemd artikellid geen verlies van het Nederlanderschap mee. Dit dwingende karakter wordt niet snel aangenomen, aldus de HRWN.

4.4.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij vanaf zijn geboorte tot 2011 onafgebroken in Nederland heeft gewoond en dat hij in 2011 naar de Dominicaanse Republiek is vertrokken voor het opstarten van een bakkerij. Om zich in de Dominicaanse Republiek te kunnen identificeren heeft zijn moeder gezorgd voor een Dominicaans identiteitsbewijs (cédula) op zijn naam. Voor de afgifte van een dergelijk bewijs was het nodig dat zijn (Nederlandse) geboorteakte werd ingeschreven in de daarvoor bestemde registers in de Dominicaanse Republiek. Verzoeker heeft de cédula persoonlijk afgehaald bij de desbetreffende instantie. Aldaar is van hem de foto gemaakt die op de cédula is aangebracht. Aangezien hij er zelf vanuit ging dat hij vanaf zijn geboorte eveneens de Dominicaanse nationaliteit bezat, vond hij het niet vreemd dat op de cédula stond vermeld dat hij in het bezit is van de Dominicaanse nationaliteit. Verzoeker verblijft inmiddels sinds ongeveer één jaar weer in Nederland.

4.5.

De rechtbank heeft geen redenen te twijfelen aan de uitleg van verzoeker dat hij de cédula nodig had voor het opstarten van een bakkerij en dat hij er - al dan niet terecht - vanuit ging dat hij reeds vanaf zijn geboorte in het bezit was van de Dominicaanse nationaliteit. Dat deze aanname niet onlogisch is, blijkt ook uit de door de vice-consul van de Dominicaanse Republiek afgegeven verklaring van 16 juli 2012, nu ook deze ervan uitgaat dat verzoeker door zijn geboorte uit een Dominicaanse moeder de Dominicaanse nationaliteit bezit.

4.6.

Indien en voorzover naar Dominicaans recht al kan worden aangenomen dat verzoeker de Dominicaanse nationaliteit heeft verkregen als gevolg van de inschrijving van zijn geboorteakte in de daarvoor bestemde gegevens, is naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden geen sprake van een wilsdaad van verzoeker die specifiek was gericht op de verkrijging van een andere nationaliteit. Verzoeker verkreeg in dat geval immers de Dominicaanse nationaliteit van rechtswege als automatisch gevolg van de inschrijving van zijn Nederlandse geboorteakte in de desbetreffende registers in de Dominicaanse Republiek. Hierbij neemt de rechtbank voorts nog in overweging dat de inschrijving van de geboorteakte heeft plaatsgevonden op verzoek van de moeder van de op dat moment reeds meerderjarige verzoeker, terwijl verzoeker daarbij niet zelf betrokken is geweest.

4.7.

De IND heeft ter zitting aangeboden in de Dominicaanse Republiek na te gaan of aldaar in 2011 sprake is geweest van een officiële ‘naturalisatie’ van verzoeker. Er zou dan publicatie moeten hebben plaatsgevonden in het Staatsblad. De rechtbank passeert dit bewijsaanbod als niet ter zake dienend. Ook indien immers zou komen vast te staan dat de inschrijving van de geboorteakte van verzoeker in de Dominicaanse Republiek volgens de aldaar geldende regelgeving ertoe heeft geleid dat verzoeker de Dominicaanse nationaliteit heeft verkregen (en dat aldaar publicatie heeft plaatsgevonden), dan nog kan niet worden aangenomen dat de wil van verzoeker specifiek gericht was op het verkrijgen van de Dominicaanse nationaliteit. Dit leidt tot de conclusie dat verzoeker zijn Nederlandse nationaliteit niet is verloren en het verzoek zal worden toegewezen.

4.8.

De verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden afgewezen aangezien deze uitspraak zich daar niet toe leent. De rechtbank acht voorts geen termen aanwezig een kostenveroordeling uit te spreken.

5 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat [verzoeker], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976, vanaf zijn geboorte in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit,

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.P. van Ham, mr. D.H. von Maltzahn en mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2013.