Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:10337

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
15-08-2013
Zaaknummer
AWB 11/32869
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ongewenstverklaarde vreemdeling; verzoek om opheffing: besluit dateert van na de implementatiedatum van de Terugkeerrichtlijn. Beoordeling verzoek opheffing op richtlijnconformiteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/32869

V-nummer:[nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. L. van Es.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 september 2011 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 februari 2013. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig J.M. Wesenbeek, tolk in de Engelse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De termijn voor het doen van uitspraak is éénmaal verlengd.

Overwegingen

1.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1979 en de Sierraleoonse nationaliteit te bezitten. Bij besluit van 31 augustus 2010 is eiser tot ongewenst vreemdeling verklaard. Op 1 december 2010 heeft eiser een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring ingediend omdat sprake was van een verslechtering van de medische situatie van eiser. Deze aanvraag is bij besluit van 14 februari 2011 afgewezen.

2.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij Nederland heeft verlaten. Evenmin is volgens verweerder gebleken van bijzondere omstandigheden, gelegen in artikel 3 en artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), die maken dat de ongewenstverklaring dient te worden opgeheven.

3.

Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat sprake is van een verslechterde medische situatie welke eiser met medische informatie heeft onderbouwd. Verweerder heeft eisers medische situatie ten onrechte niet door het Bureau Medische Advisering (BMA) laten onderzoeken. Eiser doet een beroep op artikel 8 van het EVRM in samenhang met artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) onder verwijzing naar de arresten in de zaken Ruiz Zambrano en McCarthy en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 4 november 2011 (kenmerk: AWB: 09/48419). Eiser heeft in Nederland een dochtertje met de Nederlandse nationaliteit, dat hier is geboren en getogen. Van haar mag niet worden verlangd dat zij met haar vader meereist naar een onbekende bestemming, daar eiser voor zijn land van herkomst Sierra Leone geen laissez passer krijgt. Bij schrijven van 13 februari 2013 heeft eiser zijn gronden aangevuld en zich op het standpunt gesteld dat de rechtsfiguur van de ongewenstverklaring met de inwerkingtreding van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn), waarvan de implementatietermijn op 24 december 2010 was verstreken, is opgehouden te bestaan. De ongewenstverklaring van eiser had door verweerder ambtshalve dienen te worden opgeheven of gewijzigd in een inreisverbod met de daarbij behorende waarborgen. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 december 2012 (JV 2013/74). Eiser heeft in beroep de volgende documenten overgelegd: een verklaring van de Sierra Leoonse autoriteiten van 27 november 2012, een brief van zijn huisarts van 28 maart 2012, een brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 januari 2013 en een onderzoek van het BMA dat betrekking heeft op een andere zaak waaruit blijkt dat er onvoldoende behandelmogelijkheden in Sierra Leone zijn.

4.

Verweerder heeft zich bij verweerschrift van 21 februari 2013 op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit rechtens juist is. Eiser heeft pas in de beroepsfase een beroep gedaan op de Terugkeerrichtlijn. De beschikking tot oplegging van de ongewenstverklaring staat in rechte vast en dateert van vóór het einde van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn van 24 december 2010. De bepalingen uit de Terugkeerrichtlijn zien niet op de situatie van eiser waarin het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring aan de orde is. Ook een richtlijnconforme uitleg noopt niet tot de conclusie dat de bestreden beschikking in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. Het bestreden besluit is met inachtneming van de rechtswaarborgen van artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn genomen. In het bestreden besluit is wel rekening gehouden met de belangen van het kind, het familie- en gezinsleven, de gezondheidstoestand van eiser en het beginsel van refoulement zoals voorgeschreven door artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Er bestaat nog altijd onduidelijkheid over het land van herkomst van eiser. Ook in de medische situatie is geen reden voor opheffing van de ongewenstverklaring gelegen. Er is geen relevant verschil in omstandigheden ten opzichte van de oplegging van de ongewenstverklaring. Verweerder heeft in beroep een taalanalyse van eiser van 26 januari 2012 en een rapport van onderzoek van het BMA van eiser van 22 april 2012 ingebracht.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.

Allereerst wordt vastgesteld dat de door eiser in de beroepsfase ingebrachte verklaring van de Sierraleoonse autoriteiten van 27 november 2012, de brief van zijn huisarts van 28 maart 2012 en de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 17 januari 2013 dateren van na het bestreden besluit. Voorts zien deze stukken op feiten en omstandigheden die zich na het bestreden besluit hebben voorgedaan. Gelet op de ex tunc- toetsing van het bestreden besluit kunnen deze stukken dan ook niet in de beoordeling worden betrokken. De stelling van eiser dat de verklaring van de ambassade een nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt is, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Noch bij het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring, noch in bezwaar is gesteld dat verweerder met betrekking tot eisers nationaliteit een verkeerde beoordeling heeft gemaakt.

6.

Voorts worden ook de door verweerder in beroep ingebrachte stukken, te weten het rapport taalanalyse van eiser van 26 januari 2012 en een rapport van 22 april 2012 van het BMA, eveneens daterend van na het bestreden besluit, buiten de beoordeling gelaten. Het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat hij met deze documenten een reactie op de door eiser ingebrachte stukken heeft willen geven, kan niet leiden tot het afwijken van het onder rechtsoverweging 5 beschreven toetsingskader.

7.

De rechtbank is van oordeel dat eisers gronden die zien op de Terugkeerrichtlijn, die eerst in beroep zijn aangevoerd, bij de beoordeling kunnen worden betrokken. Deze gronden zijn aangevoerd met inachtneming van de termijn van tien dagen, genoemd in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook overigens verzet geen rechtsregel zich tegen het eerst in beroep aanvoeren van rechtsgronden. Voor zover verweerder heeft willen betogen dat het beroep van eiser op de Terugkeerrichtlijn buiten de beoordeling dient te blijven, kan dit betoog daarom geen doel treffen.

8.

Het besluit tot ongewenstverklaring van eiser, dat in rechte vaststaat, dateert van vóór 24 december 2010, de implementatiedatum van de Terugkeerrichtlijn. In zoverre wijkt deze zaak af van de zaak waarop de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 21 december 2012 betrekking heeft. Het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring dateert eveneens van vóór 24 december 2010, maar het bestreden besluit echter van daarna. De Terugkeerrichtlijn is op 31 december 2011, dus eerst ná het bestreden besluit, geïmplementeerd in de nationale wetgeving.

9.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen, in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn dan wel rechten vastleggen die particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden, justitiabelen zich voor de nationale rechter op die bepalingen beroepen tegenover de staat, wanneer deze hetzij verzuimd heeft de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan.

10.

Ten tijde van het bestreden besluit was de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn verlopen. Met eiser is de rechtbank dan ook van oordeel dat het bestreden besluit moet worden beoordeeld in overeenstemming met de Terugkeerrichtlijn indien eiser valt onder het toepassingsbereik van de Terugkeerrichtlijn.

11.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn, is deze richtlijn van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen.

Op grond van artikel 3, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn, wordt voor de toepassing van deze richtlijn verstaan onder een inreisverbod: een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij de betrokkene de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, samen met een terugkeerbesluit.

Ingevolge artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, houden de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening met:

  1. ) het belang van het kind;

  2. ) het familie- en gezinsleven;

  3. ) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land,

en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.

Op grond van artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt de duur van het inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het geval bepaald en bedraagt (deze) in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Op grond van het derde lid, voor zover hier van belang, overwegen de lidstaten de intrekking of schorsing van het inreisverbod dat overeenkomstig lid 1, tweede alinea, is uitgevaardigd tegen een onderdaan van een derde land, mits deze kan aantonen het grondgebied van een lidstaat geheel in overeenstemming met het terugkeerbesluit te hebben verlaten.

12.

Nu eiser een illegaal op het grondgebied van Nederland verblijvende onderdaan van een derde land is, valt hij onder het toepassingsbereik van de Terugkeerrichtlijn. Eisers verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring dient dan ook te worden beoordeeld in overeenstemming met de waarborgen, opgenomen in de Terugkeerrichtlijn, die gelden voor de beoordeling van een verzoek om opheffing van een inreisverbod.

13.

Ten aanzien van het subsidiair door verweerder ingenomen standpunt dat een richtlijnconforme interpretatie niet leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd is met de Terugkeerrichtlijn, oordeelt de rechtbank als volgt.

14.

Opheffing zal aan de orde zijn indien de in artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn bepaalde maximale duur van het inreisverbod is verstreken. Nu eiser na zijn ongewenstverklaring niet uit Nederland is vertrokken, kan niet worden geoordeeld dat de feitelijke duur van de ongewenstverklaring de maximale duur van een inreisverbod heeft overschreden.

15.

In dit geval ziet de rechtbank voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder na afweging van alle belangen tot opheffing van de ongewenstverklaring had moeten besluiten. Eiser heeft met betrekking tot artikel 3 en artikel 8 van het EVRM in de besluitvormingsfase geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd. Niet is gebleken van een verslechtering van eisers medische situatie of van een verandering in het kader van zijn familieleven in Nederland. Nu eisers verzoek om opheffing zeer kort op de beslissing tot ongewenstverklaring van eiser is gevolgd en er in het kader van het verzoek om opheffing geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen verwijzen naar de uitgebreide motivering in het besluit tot ongewenstverklaring met betrekking tot artikel 3 en artikel 8 van het EVRM. Van een situatie waarin eisers dochter feitelijk wordt verplicht om met haar vader het grondgebied van de Europese Unie te verlaten is geen sprake, zodat ook een beroep op artikel 20 van het VWEU faalt.

16.

Ten slotte heeft eiser betoogd dat verweerder in de bezwaarprocedure de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank overweegt dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden van het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen van eiser heeft mogen afzien.

17.

Het beroep is ongegrond.

18.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.