Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:10277

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
13-08-2013
Zaaknummer
AWB 12-21451 VK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep AA herhaalde aanvraag, terugkeerbesluit en inreisverbod. Eiseres had in eerste instantie mede namens haar minderjarige dochter beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft het beroep namens haar minderjarige dochter ingetrokken, nu deze de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De geboorte van de dochter van eiseres heeft plaatsgevonden na het besluit in haar vorige asielprocedure en is in die zin dus een nieuw gebleken feit. Op voorhand is echter uitgesloten dat deze geboorte kan afdoen aan het besluit in de vorige asielprocedure. Nu de dochter van eiseres de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, bestaat immers retrospectief bezien geen grond meer voor de vrees van eiseres dat haar dochter zal worden besneden. De taalanalyse en de verklaring van [A] dateren ook van na het besluit in de vorige asielprocedure van eiseres, maar zijn geen nieuw gebleken feiten, nu eiseres deze eerder had kunnen overleggen. Er is dus geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen. De omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd kunnen niet worden aangemerkt als bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het Bahaddar-arrest. Het beroep voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ongegrond. Het betoog van eiseres dat artikel 7, vierde lid, van Richtlijn 2008/115 EG niet is geïmplementeerd in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb en dat verweerder het terugkeerbesluit dus niet mede op dit artikel heeft mogen baseren, houdt geen stand. In artikel 6.1, eerste lid, van het Vb is immers bepaald dat het risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, kan worden aangenomen indien feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb op de vreemdeling van toepassing zijn. Verweerder heeft aan het terugkeerbesluit ten grondslag mogen leggen dat eiseres eerder een besluit heeft ontvangen waaruit de plicht blijkt om Nederland te verlaten en dat zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin gestelde termijn gevolg heeft gegeven. Ook heeft verweerder aan het terugkeerbesluit ten grondslag mogen leggen dat eiseres zich zonder noodzaak heeft ontdaan van haar reisdocumenten. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit is ongegrond. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat geen sprake is van inmenging in het familie- en gezinsleven. Op grond van paragraaf B2/10.2.2 van de Vc wordt immers inmenging in het familie- en gezinsleven aangenomen, indien de vreemdeling met toepassing van artikel 66a, eerste en tweede lid, van de Vw een inreisverbod krijgt uitgevaardigd, tenzij ook de gezinsleden Nederland moeten (hebben) verlaten. Nu de echtgenoot en dochter van eiseres Nederland niet moeten (hebben) verlaten en aan eiseres een inreisverbod is uitgevaardigd, is sprake van inmenging in het familie- en gezinsleven. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod is daarom gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het opleggen van een inreisverbod een ambtshalve bevoegdheid van verweerder is en omdat verweerder de gelegenheid heeft gehad om te reageren op de omstandigheid dat de dochter van eiseres de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/21451

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2013 in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [1991], van gestelde Somalische nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. A.P. van den Akker,

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.S. Poelman.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in een Aanmeldcentrum afgewezen. Verweerder heeft bij dit besluit ook bepaald dat eiseres Nederland onmiddellijk moet verlaten en hij heeft aan haar een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 2 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het bestreden besluit geschorst totdat is beslist op het beroep.

De beroepszaak is aan de orde gesteld op de zitting van 22 maart 2013. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1.

Eiseres had in eerste instantie mede namens haar minderjarige dochter beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brief van 18 maart 2013 heeft zij het beroep namens haar minderjarige dochter ingetrokken, nu deze de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Alleen het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit ligt dus ter beoordeling aan de rechtbank voor.

Over de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

2.

Eiseres heeft eerder op 23 juli 2010 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 2 augustus 2010 afgewezen. Bij uitspraak van 27 augustus 2010 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, het tegen dit besluit gerichte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

3.

Op 22 juni 2012 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij het bestreden besluit met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen onder verwijzing naar het hierboven vermelde besluit van 2 augustus 2010.

4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor eiseres moet worden beschouwd als een besluit van gelijke strekking als het eerdere afwijzende besluit.

5.

Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst alsof het een eerste afwijzing is. Alleen als in de bestuurlijke fase of bij toepassing van artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd of hieruit volgt dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

6.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder moeten ook worden begrepen bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is toch geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen. Dit is alleen anders als zich bijzondere feiten en omstandigheden voordoen die op de individuele zaak betrekking hebben, zoals bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 (LJN: AG8817; het Bahaddar-arrest).

7.

Gelet op dit beoordelingskader moet de rechtbank eerst beoordelen of aan de huidige aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

8.

Eiseres heeft aan haar aanvraag ten grondslag gelegd dat zij een dochter heeft gekregen en dat zij vreest dat haar dochter zal worden besneden als zij moeten terugkeren naar Somalië. Ter onderbouwing van haar herkomst en nationaliteit heeft eiseres het rapport van een taalanalyse overgelegd. Volgens eiseres kon deze taalanalyse niet eerder worden ingebracht. Eiseres heeft ook een verklaring overgelegd van [A] ([A]), voorzitter van de Somalische Stichting Midden-Limburg.

9.

In de eerder vermelde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, van 27 augustus 2010 is geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen geloof kan worden gehecht aan de gestelde herkomst, nationaliteit, identiteit en etniciteit van eiseres.

10.

De taalanalyse die eiseres heeft overgelegd, is neergelegd in het rapport van 4 april 2012 en uitgevoerd door prof. dr. M. Mous en N. Salad, verbonden aan Universiteit Leiden. In deze taalanalyse is geconcludeerd dat eiseres is te herleiden tot de taalgemeenschap van de Reer Hamar en dat het dialect dat zij spreekt, wordt gesproken in Mogadishu, met name in de wijken van die stad waar een grote Reer-Hamar-gemeenschap is geconcentreerd, zoals Hamar Weyne, Bondheere, Hamar Jajab, Shibis en Shingaani. In de brief van 4 februari 2011 die eiseres heeft overgelegd, heeft [A] verklaard dat eiseres is geboren in Mogadishu, in de wijk Shibis. Verder heeft[A] in deze brief verklaard dat hij de ouders van eiseres kent.

11.

De geboorte van de dochter van eiseres heeft plaatsgevonden na het besluit in haar vorige asielprocedure en is in die zin dus een nieuw gebleken feit. Naar het oordeel van de rechtbank is echter op voorhand uitgesloten dat deze geboorte kan afdoen aan het besluit in de vorige asielprocedure. Nu de dochter van eiseres de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, bestaat immers retrospectief bezien geen grond meer voor de vrees van eiseres dat haar dochter zal worden besneden. De taalanalyse en de verklaring van [A] dateren ook van na het besluit in de vorige asielprocedure van eiseres, maar zijn naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw gebleken feiten, nu eiseres deze eerder had kunnen overleggen. Over de taalanalyse overweegt de rechtbank dat eiseres al na het voornemen in haar vorige asielprocedure wist dat verweerder twijfelde aan haar herkomst, nationaliteit en etniciteit. Ondanks dat die asielprocedure maar korte tijd heeft geduurd, had eiseres tijdens die procedure in ieder geval kunnen aankondigen dat zij een taalanalyse wilde laten verrichten. Niet in geschil is dat zij dit niet heeft gedaan. Over de brief van [A] overweegt de rechtbank dat deze op verzoek van eiseres is opgemaakt. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom eiseres dit verzoek niet tijdens haar vorige asielprocedure heeft kunnen doen. Naar het oordeel van de rechtbank is dus geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen.

12.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat het afdoen van de aanvraag op grond van artikel 4:6 van de Awb haaks staat op de verplichting van verweerder om de toetsing van een asielaanvraag indringend ter hand te nemen. Zij heeft hiervoor verwezen naar het arrest van het EHRM van 11 januari 2000 (LJN: AG9144) en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 november 2010 (LJN: BO7602). Volgens eiseres heeft verweerder niet kunnen nalaten om haar aanvraag aan artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te toetsen. Verder heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de “Bahaddar-exceptie” toe te passen. Zij heeft een “arguable claim” dat uitzetting naar het land van herkomst zal leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Eiseres heeft gesteld dat, zelfs als verweerder volhardt in zijn standpunt dat zij niet uit Mogadishu komt, hij er niet omheen kan dat zij tot de Reer Hamar behoort, althans voor een belangrijk en vormend deel van haar leven in de Reer-Hamar-gemeenschap is opgegroeid. Zij zal zich bij gedwongen vertrek dus in een Reer- Hamar-gemeenschap moeten vestigen, omdat zij zich daarbuiten niet zal kunnen handhaven.

13.

De rechtbank overweegt hierover dat moet worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels, die er toe strekken de nationale autoriteiten in staat te stellen aanvragen om een verblijfsvergunning op een ordelijke wijze af te doen, zelfs in geval van gedwongen terugkeer naar een land waar, naar gesteld, een risico bestaat op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Alleen als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het Bahaddar-arrest kan de noodzaak bestaan die regels niet tegen te werpen. In zo’n geval kan de rechtbank het besluit van gelijke strekking, ondanks het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, toetsen, voor zover deze feiten en omstandigheden dat noodzakelijk maken. Zo is gewaarborgd dat een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM of het refoulementverbod aan de rechter kan worden voorgelegd. Er bestaat dus geen grond voor het oordeel dat de toepassing van het beoordelingskader voor het besluit van gelijke strekking een schending van artikel 13, gelezen in samenhang met artikel 3 van het EVRM, oplevert. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2012 (LJN: BX0767).

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd niet worden aangemerkt als bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het Bahaddar-arrest. De taalanalyse die eiseres heeft overgelegd, doet niet af aan het oordeel in haar vorige asielprocedure dat zij vage en onvolledige informatie heeft verstrekt over haar gestelde woon- en leefomgeving in Jemen en Somalië en dat zij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij niet in staat was om die informatie te geven. Verder is de verklaring van [A] niet afkomstig van een objectieve bron. Niet is gebleken dat eiseres procedureel is tegengewerkt om de taalanalyse en de verklaring in haar vorige asielprocedure in te brengen. De bewijsnood voor Somaliërs om hun herkomst, nationaliteit en identiteit met officiële documenten aan te tonen, waarnaar eiseres heeft verwezen, is op zichzelf onvoldoende. Het gaat in dit geval immers om documenten die eiseres wel heeft overgelegd, maar niet op tijd. De beroepsgrond slaagt niet.

14.

Nu eiseres geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, waarvan niet op voorhand is uitgesloten dat deze aan het eerdere besluit kunnen afdoen, zich ook geen relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan en niet is aangetoond dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het Bahaddar-arrest, is er geen plaats voor rechterlijke toetsing van het bestreden besluit, voor zover in dat besluit de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen.

15.

Het beroep voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ongegrond.

Over het terugkeerbesluit

16.

Eiseres heeft aangevoerd dat het opleggen van het inreisverbod (de rechtbank begrijpt: het terugkeerbesluit) berust op een onjuiste rechtsgrond. De nationaalrechtelijke bepalingen waarop verweerder zich beroept, bieden geen grondslag voor het opleggen van een inreisverbod (de rechtbank begrijpt: terugkeerbesluit) wegens onttrekking aan het toezicht. Verweerders standpunt hierover in het bestreden besluit is volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd.

17.

Het betoog van eiseres dat artikel 7, vierde lid, van Richtlijn 2008/115 EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven niet is geïmplementeerd in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en dat verweerder het terugkeerbesluit dus niet mede op dit artikel heeft mogen baseren, houdt geen stand. In artikel 6.1, eerste lid, van het Vb is immers bepaald dat het risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, kan worden aangenomen indien feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb op de vreemdeling van toepassing zijn. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit voldoende ingegaan op deze stelling van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.

18.

Subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat verweerder zonder deugdelijk onderzoek heeft geconcludeerd dat zij zich aan het toezicht onttrekt. Zij is niet bevraagd over het onttrekkingsgevaar en de aan haar verweten gedragingen doen zich niet voor. Volgens eiseres heeft verweerder zijn standpunt hierover in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Verder heeft eiseres betoogd dat niet nader is gemotiveerd in hoeverre de tegengeworpen omstandigheden er toe leiden dat een risico bestaat dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiseres heeft ook betoogd dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te motiveren waarom de aan haar tegengeworpen omstandigheden er toe leiden dat volledig van een vertrektermijn wordt afgezien in plaats van dat zij een kortere vertrektermijn krijgt. Nu zich maximaal één van de in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb opgesomde gronden voordoet, kan niet van onttrekkingsgevaar worden gesproken en kan de vertrektermijn niet op nul dagen worden gesteld.

19.

Verweerder heeft in het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag van eiseres de gronden waarop het terugkeerbesluit is gebaseerd kenbaar gemaakt. Eiseres heeft hierop kunnen reageren in de zienswijze en zij heeft dit ook gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres dan ook voldoende in staat gesteld om haar standpunt te geven over het onttrekkingsgevaar. De rechtbank ziet beoordeeld naar deze situatie niet in wat het horen van eiseres op dit punt had toegevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan het terugkeerbesluit ten grondslag mogen leggen dat eiseres eerder een besluit heeft ontvangen waaruit de plicht blijkt om Nederland te verlaten en dat zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin gestelde termijn gevolg heeft gegeven. Ook heeft verweerder aan het terugkeerbesluit ten grondslag mogen leggen dat eiseres zich zonder noodzaak heeft ontdaan van haar reisdocumenten, gelet op wat de rechtbank daarover heeft geoordeeld in haar vorige asielprocedure. De hiervoor genoemde omstandigheden geven in beginsel al aanleiding om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Het is dan aan eiseres om omstandigheden naar voren te brengen die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw in redelijkheid kunnen bepalen dat eiseres Nederland onmiddellijk moet verlaten. De beroepsgrond slaagt niet.

20.

Het beroep voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit is ongegrond.

Over het inreisverbod

21.

Eiseres heeft aangevoerd dat er door het opleggen van een inreisverbod sprake is van een niet-gerechtvaardigde inbreuk op het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen haar, haar dochter en haar echtgenoot. Verweerder had volgens eiseres familieleven met haar echtgenoot moeten aannemen, althans naar het bestaan daarvan beter onderzoek moeten doen. Eiseres heeft de uitslag van een DNA-onderzoek overgelegd, waarin volgens haar met een zeer hoge waarschijnlijkheidsgraad wordt bevestigd dat haar echtgenoot de vader van haar dochter is. Verder kan volgens eiseres de omstandigheid dat zij het gezinsleven is aangegaan op een moment dat zij niet rechtmatig in Nederland verbleef haar minderjarige dochter niet worden aangerekend. Onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM van 28 juni 2011 (LJN: BT2900) heeft eiseres betoogd dat aan de belangen van het minderjarige kind groot gewicht moet worden toegekend en dat een kind niet verantwoordelijk mag worden gehouden voor de daden van een ouder en hiervan niet de dupe mag worden.

22.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn primaire standpunt dat geen sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Uit de huwelijksakte en de uitslag van het DNA-onderzoek blijkt voldoende dat sprake is van gezinsleven tussen eiseres, haar echtgenoot en hun minderjarige dochter. De rechtbank ziet geen reden om de op 18 juli 2012 overgelegde huwelijksakte niet in de beoordeling te betrekken, nu verweerder hierop tijdens de zitting van 19 juli 2012 van de voorzieningenrechter in de procedure over de voorlopige voorziening voldoende heeft kunnen reageren. De rechtbank volgt verweerder evenmin in zijn subsidiaire standpunt dat geen sprake is van inmenging in het familie- en gezinsleven. Op grond van paragraaf B2/10.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die gold ten tijde van het bestreden besluit en voor zover van belang, wordt immers inmenging in het familie- en gezinsleven aangenomen, indien de vreemdeling met toepassing van artikel 66a, eerste en tweede lid, van de Vw een inreisverbod krijgt uitgevaardigd, tenzij ook de gezinsleden Nederland moeten (hebben) verlaten. Nu de echtgenoot en dochter van eiseres Nederland niet moeten (hebben) verlaten en aan eiseres een inreisverbod is uitgevaardigd, is sprake van inmenging in het familie- en gezinsleven. Verweerder heeft dit niet onderkend. De beroepsgrond slaagt.

23.

Het beroep voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt in zoverre het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het opleggen van een inreisverbod een ambtshalve bevoegdheid van verweerder is en omdat verweerder de gelegenheid heeft gehad om te reageren op de omstandigheid dat de dochter van eiseres de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en hij hiervan geen gebruik heeft gemaakt.

24.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 472,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep voor dat is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en tegen het terugkeerbesluit ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een inreisverbod aan eiseres is opgelegd;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 472,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en

mr. K.J. Veenstra, leden, in aanwezigheid van mr. A.E. Veldhoen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2013.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te

ondertekenen. Voor haar tekent

mr. K.J. Veenstra

griffier mr. K.J. Veenstra

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.