Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:CA1926

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
04-06-2013
Zaaknummer
11/6484
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid beroep

De rechtbank gaat voorbij aan de eensluidende opvatting van partijen dat het beroep ontvankelijk is. De rechtbank acht de inspecteur geslaagd in het bewijs van verzending van de uitspraak op bezwaar naar het juiste adres. De rechtbank acht belanghebbende niet erin geslaagd het vermoeden van ontvangst van de uitspraak op bezwaar te ontzenuwen. Daarbij overweegt de rechtbank dat het zoekraken van poststukken na bezorging ervan op het woonadres van belanghebbende voor rekening van belanghebbende dient te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1442
V-N Vandaag 2013/1277
Belastingadvies 2013/17.1

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/6484

Uitspraakdatum: 27 december 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Amsterdam,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 26 juni 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2005 opgelegde voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.000.000 en de bij beschikking vastgestelde heffingsrente, aanslagnummer [nummer].H.51 (hierna: de voorlopige aanslag).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2012 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht en namens de inspecteur [gemachtigden]. De procedurenummers 11/6484, 11/6485 en 11/6486 zijn gelijktijdig behandeld.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

2. Gronden

2.1. Met dagtekening 21 december 2006 is de voorlopige aanslag opgelegd tot een te betalen bedrag van € 528.163 (inclusief € 19.182 heffingsrente). Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 28 januari 2007, ontvangen door de inspecteur op 30 januari 2007, bezwaar gemaakt.

2.2. Naar aanleiding van het bezwaar heeft er op 25 april 2008 een hoorgesprek plaatsgevonden tussen de inspecteur en belanghebbende. Van dit hoorgesprek is een verslag opgemaakt, waarin voor zover hier van belang, het volgende staat vermeld:

“Wij hebben [belanghebbende] er op gewezen, dat de door hem verduisterde gelden fiscaal gezien inkomen vormen. Hij kan volgens hem te zijner tijd de ontvanger overtuigen van het feit, dat hij alles met beleggingen heeft verloren. De ontvanger zal de aanslagen dan wel in stand houden, doch niet invorderen.

Afsluitende opmerkingen en afspraken

Er is afgesproken dat wij het bezwaar tegen de voorlopige aanslag 2005 afwijzen en de definitieve aanslagen 2005 en 2006 met correcties opleggen.”

2.3. Bij uitspraken op bezwaar (hierna: het besluit), met dagtekening 26 juni 2008, heeft de inspecteur de voorlopige aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het besluit pas na die datum is verzonden. zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op donderdag 7 augustus 2008.

2.4. Belanghebbende heeft eerst bij brief van 22 december 2011, ontvangen door de rechtbank op 23 december 2011, tegen het besluit beroep ingesteld.

2.5. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift gesteld dat belanghebbende zijn beroepschrift tijdig heeft ingediend. Dit omdat volgens de inspecteur belanghebbende eerst na ontvangst van de brief van de ontvanger op 22 november 2011 over het vervallen van het uitstel van betaling op de hoogte werd gebracht van het besluit.

2.6. De rechtbank stelt voorop dat termijnen van bezwaar en beroep van openbare orde zijn, dat wil zeggen dat het termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de AWR aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.7. Het besluit is aan belanghebbende gericht op het adres [adres], te [plaats]. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij in juni van het jaar 2008 nog op voormeld adres woonde en dat hij op dat adres een kamer huurde. Gelet hierop acht de rechtbank de inspecteur geslaagd in het bewijs van verzending van het besluit naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg belanghebbende het vermoeden van ontvangst van het besluit te ontzenuwen (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2006, nr. 41 882, BNB 2007/112). Belanghebbende heeft gesteld dat hij het besluit niet heeft ontvangen. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat in het huis, waar hij ten tijde van het verzenden van het besluit woonde, meerdere kamers werden verhuurd aan kamerbewoners en dat zij tezamen beschikten over één brievenbus waar alle post in terecht kwam. Voor zover belanghebbende hiermede heeft bedoeld te stellen dat het besluit daardoor – buiten zijn schuld – mogelijk zoek is geraakt, faalt de grief. Het dient, naar het oordeel van de rechtbank, voor rekening van belanghebbende te blijven dat het besluit, nadat dit was bezorgd op het woonadres van belanghebbende, zoek raakte. Nu geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan ontvangst of aanbieding van het besluit redelijkerwijs moet worden betwijfeld, acht de rechtbank belanghebbende niet erin geslaagd voormeld vermoeden te ontzenuwen. Het beroep is dan ook niet tijdig ingediend.

2.8. Dat bij belanghebbende mogelijkerwijs, op grond van het vermelde in het hoorverslag, de mening had postgevat dat de verschuldigde belasting niet zou worden ingevorderd, kan niet als verschoonbare reden dienen voor het te laat indienen van het beroepschrift. Nu ook overigens de rechtbank niet is gebleken dat sprake is van een verschoonbare reden voor het te laat indienen van het beroepschrift, is er geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring.

2.9. Gelet op het vorenstaande is het beroep niet-ontvankelijk.

2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 27 december 2012 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter,

mr. D. Hund, en mr.drs. J.W.J. Huige, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 7 januari 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.