Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:CA0310

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
25-07-2013
Zaaknummer
09/2894
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:5251, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

1 van 16 zaken

1. Belanghebbendes heeft ontkend een bankrekening in het buitenland te hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende rechthebbende was tot de buitenlandse bankrekening.

2. De tweede serie navorderingsaanslagen is niet voortvarend opgelegd nu de inspecteur na de eerste serie een jaar gewacht heeft.

3. Op een aantal aanslagbiljetten is alleen een totaalbedrag vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dan geen beschikkingen boete en heffingsrente tot stand gekomen. De rechtbank vermindert de aanslag tot het bedrag van de enkelvoudige belasting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1971 met annotatie van Fiscaal up to Date

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/2894 tot en met 09/2909

Uitspraakdatum: 19 december 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Breda,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd:

Belasting Belastingjaar Aanslagnummer Dagtekening Procedurenummer rechtbank

IB/PVV 1995 [nummer].H57 31-12-2007 09/2894

IB/PVV 1996 [nummer].H67 31-10-2008 09/2897

IB/PVV 1997 [nummer].H77 31-10-2008 09/2898

IB/PVV 1998 [nummer].H87 31-10-2008 09/2899

IB/PVV 1999 [nummer].H97 31-10-2008 09/2900

IB/PVV 2000 [nummer].H07 31-10-2008 09/2901

IB/PVV 2001 [nummer].H17 31-10-2008 09/2902

IB/PVV 2002 [nummer].H27 31-12-2007 09/2895

IB/PVV 2003 [nummer].H37 31-10-2008 09/2903

IB/PVV 2004 [nummer].H47 31-10-2008 09/2904

IB/PVV 2005 [nummer].H57 31-10-2008 09/2905

VB 1996 [nummer].K67 31-12-2007 09/2896

VB 1997 [nummer].K77 31-10-2008 09/2906

VB 1998 [nummer].K87 31-10-2008 09/2907

VB 1999 [nummer].K97 31-10-2008 09/2908

VB 2000 [nummer].K07 31-10-2008 09/2909

1.2. Daarbij zijn voor de jaren tot en met 1997 verhogingen (aangeduid als boetes) opgelegd waarvan niets is kwijtgescholden en voor de latere jaren boetes opgelegd. Tevens zijn voor alle jaren bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht. De aanslagbiljetten met dagtekening 31 december 2007 vermelden de afzonderlijke bedragen aan belasting, boetes en heffingsrente. Op de aanslagbiljetten met dagtekening 31 oktober 2008 staat één bedrag.

1.3. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift tegen de aanslagen en beschikkingen met dagtekening 31 december 2007 is bij de inspecteur binnengekomen op 9 januari 2008, het bezwaar tegen de overige aanslagen en de daarin begrepen bedragen aan boetes en heffingsrente is bij de inspecteur binnengekomen op 26 november 2008.

1.4. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar met dagtekening 2 juni 2009 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.5. Belanghebbende heeft daartegen bij brief met dagtekening 30 juni 2009, binnengekomen bij de rechtbank op 1 juli 2009, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De gemachtigde heeft in het beroepschrift de rechtbank verzocht uitstel te verlenen voor het indienen van de gronden totdat de rechtbank Haarlem uitspraak heeft gedaan op door hem namens andere belastingplichtigen aldaar ingediende gelijkluidende beroepen.

1.6. De rechtbank heeft de inspecteur, bij brief van 17 augustus 2009, ingelicht dat het indienen van de gronden van het beroep door belanghebbende wordt aangehouden totdat de rechtbank Haarlem uitspraak heeft gedaan.

1.7. De rechtbank heeft, bij brief van 2 juli 2010, het uitstel ingetrokken en belanghebbende verzocht binnen vier weken na dagtekening van die brief de gronden van het beroep in te dienen.

1.8. De gemachtigde heeft, bij brief van 5 juli 2010, om nader uitstel van acht weken verzocht.

1.9. De rechtbank heeft, bij brief van 6 juli 2010, uitstel verleend tot 1 oktober 2010.

1.10. Belanghebbende heeft, bij brief van 27 september 2010, het beroepschrift nader gemotiveerd.

1.11. De rechtbank heeft de gronden, bij brief van 12 oktober 2010, doorgestuurd naar de inspecteur en hem daarbij verzocht binnen vier weken daarop te reageren.

1.12. De inspecteur heeft de rechtbank, bij brief van 8 november 2010, verzocht de termijn voor het indienen van een verweerschrift te verlengen met acht weken.

1.13. De rechtbank heeft, bij brief van 9 november 2010, uitstel verleend tot een termijn van acht weken na dagtekening van deze brief.

1.14. De inspecteur heeft, bij brief van 20 december 2010, om acht weken extra uitstel verzocht.

1.15. De rechtbank heeft, bij brief van 23 december 2010, geen verder uitstel verleend.

1.16. De inspecteur heeft de rechtbank, bij brief van 27 december 2010, ingelicht niet aan de gestelde termijn te kunnen voldoen en daarbij aangegeven het verweerschrift zo spoedig mogelijk in te dienen.

1.17. Het verweerschrift, inclusief bijlagen, is bij de rechtbank binnengekomen op 14 februari 2011.

1.18. De rechtbank heeft het verweerschrift, bij brief van 17 februari 2011, doorgezonden naar belanghebbende.

1.19. De inspecteur heeft met betrekking tot het inzenden van de op de zaak betrekking hebbende stukken, bij brief van 18 augustus 2011, een beroep gedaan op artikel 8:29 Awb. Als bijlage bij deze brief heeft hij gevoegd, kort gezegd, zijn motivering, een gesloten envelop met de zogeheten ongeanonimiseerde stukken die niet aan belanghebbende kunnen worden verstrekt en de geanonimiseerde stukken die wel aan belanghebbende kunnen worden verstrekt. Een afschrift van deze brief, inclusief de bijlagen, heeft de rechtbank, bij brief van 23 augustus 2011, doorgezonden naar belanghebbende.

1.20. Gemachtigde heeft, bij brief van 10 mei 2012, verzocht om de drie voormalige projectleiders van het ‘Van Lanschot-project’ ([projectleiders]) te horen als getuigen.

1.21. De rechtbank heeft bij brief van 16 mei 2012 de gemachtigde voorgesteld de door hem aangevoerde getuigen niet te horen maar het proces-verbaal van het getuigenverhoor van deze zelfde getuigen bij de rechtbank Leeuwarden in te brengen.

1.22. Bij brieven van 20 juni 2012 zijn partijen en andere cliënten van gemachtigde uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 23 en 24 oktober 2012.

1.23. Het onderzoek ter zitting is gestart op 23 oktober 2012. De beroepen met procedurenummers AWB 11/5569, 09/2831 t/m 09/2846, 11/6021 t/m 11/6033, 12/2770, 09/2847 t/m 09/2851, 11/4651 t/m 11/4654, 12/2772, 09/2957 t/m 09/2961, 09/2962 t/m 09/2977, 09/2873 t/m 09/2888, 11/2494 t/m 11/2511, 09/2889 t/m 09/2893, 09/2978 t/m 09/2983, 11/6062 t/m 11/6066, 12/1117 t/m 12/1122, 12/1124 t/m 12/1133, 11/6034 t/m 11/6061, 09/2915 t/m 09/2918, 09/2920 t/m 09/2928, 09/2930 t/m 09/2934, 09/2894 t/m 09/2909, 12/2774, 09/2910 t/m 09/2914, 11/4647 t/m 11/4650, 11/2545 t/m 11/2549, 12/2769, 09/2852 t/m 09/2867, 11/2522 t/m 11/2538, 09/2868 t/m 09/2872, 09/2935 t/m 09/2951, 11/2540 t/m 11/2544 en 09/2952 t/m 09/2956 (hierna: AWB 11/5569 e.v.), zijn daarbij gelijktijdig behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] en namens de inspecteur en de ontvanger, [gemachtigden]. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Tijdens deze zitting zijn onder meer de gezamenlijke aspecten van deze zaken behandeld.

1.24. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en hervat op 24 oktober 2012 te Breda. De beroepen met procedurenummers genoemd in 1.23 zijn daarbij (weer) gelijktijdig behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], voornoemd, en namens de inspecteur, [gemachtigden]. Tijdens de zitting van 24 oktober 2012 zijn wederom de gezamenlijke aspecten van deze zaken behandeld en zijn de onderhavige zaken ook zaakspecifiek behandeld.

1.25. Voor elk van de zittingsdagen van 23 en 24 oktober 2012 is een algemeen proces-verbaal opgemaakt. Verder is per belanghebbende (indien gehuwd: per echtpaar) een zaakspecifiek proces-verbaal opgemaakt. Afschriften van de processen-verbaal zijn op 29 oktober 2012 op verzoek van gemachtigde digitaal aan belanghebbende verstuurd. Na de constatering van fouten in het vermelden van de procedurenummers zijn op 2 november 2012 zowel de eerste als de gewijzigde processen-verbaal aan partijen gestuurd.

1.26. De inspecteur heeft op de zitting van 24 oktober 2012 nadere stukken overgelegd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de behandeling van de beroepen aangehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen binnen twee weken na de mondelinge behandeling op deze stukken te reageren.

1.27. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de behandeling van de beroepen aangehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen binnen twee weken na de mondelinge behandeling op de ter zitting door de inspecteur overhandigde stukken te reageren.

1.28. Belanghebbende heeft op 14 november 2012 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn, bij brief van 15 november 2012, in afschrift verstrekt aan de inspecteur. De inspecteur heeft hier bij brief van 5 december 2012 op gereageerd. Deze stukken zijn, bij brief van 11 december 2012, in afschrift verstrekt aan belanghebbende. De rechtbank heeft hierbij het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Belanghebbende was in de onderhavige jaren gehuwd met [Y] (hierna: [Y]). Per [datum] 2010 zijn zij gescheiden.

2.2. Bij brief van 18 februari 2005 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) een brief met bijlagen gezonden aan de heer (D), Hoofd van Belastingdienst/FIOD ECD/Team Internationaal, Haarlem, met als onderwerp: “Inkomstenbelastingen. Spontane uitwisseling van inlichtingen met Nederland. Van Lanschot Bankiers Luxembourg SA.”. Voor de regeling inzake de spontane uitwisseling van inlichtingen verwijst de brief naar de Richtlijn van 77/799EEG van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/7799/EEG) (hierna: de Richtlijn), en voorts naar artikel 27 van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 19 oktober 1970.

Bij brief van 13 november 2007 hebben de bevoegde Belgische belastingautoriteiten verklaard geen bezwaar te hebben tegen het gebruik van de verstrekte gegevens voor de Nederlandse belastingheffing.

2.3. Bij de onder 2.2 vermelde brief van 18 februari 2005 is een, door de belastingdienst geanonimiseerde, nota gevoegd met daarbij twaalf bijlagen (hierna: de Nota). In de Nota is het volgende, voor zover hier van belang, vermeld:

“De hierna volgende inlichtingen zijn gesteund op stukken die het Belgisch gerecht in beslag heeft genomen bij een huiszoeking bij een verdachte van andere misdrijven.

Het betreft gegevens van de Bank van Lanschot Bankiers Luxembourg.

De stukken, bestaande uit verscheidene lijsten op papier (…) werden aangetroffen en in beslag genomen bij een huiszoeking in een garagebox te W(..) uitgevoerd in het kader van een onderzoek onder leiding van Onderzoeksrechter V(…). Deze garagebox werd op dat ogenblik gehuurd door de heer P(…) en door diens bende gebruikt als uitvalsbasis voor overvallen. Met een brief van 18 december 2001 heeft de procureur-generaal aan de belastingadministratie toelating verleend tot het nemen van inzage en afschrift van het dossier (…).

Toelichting van de feiten zoals blijkt uit de verhoren.

De kopieën van de bankstukken werden door V(…) gekopieerd uit een computerbestand van de heer M(…). M(…) had als helpdeskmedewerker bij de firma L(…) te W(…) de gegevens in bezit gekregen via zijn afdelingschef, de heer J(…). P(…) is een gewezen werknemer van de bank. L(…) is een toeleveringsbedrijf van kantoorbenodigdheden aan bedrijven. De originele bankgegevens stonden op “microtape”zoals V(…) het verwoordt. Door middel van een toestel van een Duitse zusterfirma van L(…) zijn de originele bankgegevens gelezen en op een diskette gezet en vervolgens afgedrukt. (…) Tenslotte heeft V(…) de afgedrukte lijsten gefotokopieerd -ten minste een gedeelte ervan- en deze kopieën bewaard in de gehuurde garagebox, waar zij door de politie zijn aangetroffen.

Mogelijke motieven zoals blijkt uit de verhoren.

V(…) vermoedt dat M(…) en P(…) de bedoeling hadden de bank op te lichten door middel van deze stukken. V(…) verklaart dat M(…) hem en zijn dochter zou hebben bedreigd voor het geval “er iets uitkwam van deze stukken”. Het kopiëren en bewaren van de lijsten door V(…) evenals de beweerde bedreiging, kunnen ook wijzen op de intentie om de klanten van de bank aan de hand van de adreslijsten te lokaliseren met het oog op huisdiefstal.

Besluit

Dit alles betekent dat door de betrokkenen een hoge mate van geloofwaardigheid aan de stukken werd gehecht. Immers, de stukken zijn voor betrokkenen slechts nuttig onder een dubbele voorwaarde. Ten eerste moeten ze echt zijn in de zin van afkomstig van de bedrijfsadministratie van de bank. Ten tweede moeten ze accuraat zijn in de zin van overeenkomen met de werkelijkheid inzake enerzijds de namen en adressen van de rekeninghouders en anderzijds de rekeningstanden. Hieruit kan besloten worden dat de stukken zowel inzake herkomst als inhoud inderdaad een hoog gehalte aan waarachtigheid bevatten.

De stukken zijn door het Parket in beslag genomen ter gelegenheid van een huiszoeking, en bijgevolg op rechtmatige wijze verkregen. Vervolgens werd aan de administratie toelating van en inzage in en afschrift van de stukken verleend. Bijgevolg heeft de administratie de stukken verkregen op rechtmatige wijze. Bovendien betekent dit dat de oorsprong van de stukken ondubbelzinnig is.”

2.4. De twaalf bijlagen bevatten gegevens over rekeningstanden per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996. Daarnaast bevatten de bijlagen tevens namen, adreslijsten en getallen. Meerdere bijlagen hebben als aanhef “F. van Lanschot (Bankiers) Luxembourg S.A.” dan wel “FvL cliënts (amounts in mio LUF)” of bevatten het logo van de bank Van Lanschot Bankiers (hierna: Van Lanschot).

2.5. Op basis van de gegevens, welke door de BBI zijn verstrekt bij de brief van 18 februari 2005, is in maart 2007 binnen de Belastingdienst het project Bank Zonder Naam van start gegaan. Doel van het project Bank Zonder Naam is het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens, door middel van het identificeren en sofiëren van de beschikbare renseignementen, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bankrekeningen) alsnog in de belastingheffing te betrekken.

2.6. Ten behoeve van het project Bank Zonder Naam is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het draaiboek) opgesteld. Het draaiboek bevat alle aspecten van het project Bank Zonder Naam. Het draaiboek zoals vastgesteld op 7 maart 2007 is in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt door middel van publicatie op de website van de Belastingdienst en van het Ministerie van Financiën.

2.7. In een op 13 maart 2008 door [ambtenaar] (opsporingsambtenaar van de FIOD-ECD) in het kader van het Project afgelegde ambtsedige verklaring (hierna: ‘Proces-verbaal geautomatiseerde identificatie’) is onder meer opgenomen:

“Soorten tenaamstellingen

De gegevens van alle te naamgestelde rekeningen die genoemd staan op de van de

Belgische autoriteiten ontvangen gegevens zijn verwerkt in een digitaal bestand. Er

komen verschillende vormen van tenaamstelling van de rekening voor. De volgende

soorten rekeningen komen voor:

1. Rekeningen die gesteld ten name één naam met daarachter één of meerdere letters.

Toevoegingen als v.,vd en ter -+komen voor.

2. Rekeningen die gesteld zijn ten name van twee namen, soms gevolgd door letters

kennelijk behorend tot één van genoemde namen. De namen zijn verbonden door

middel van een liggend streepje. Toevoegingen als v., vd en ter komen voor.

3. Rekeningen die gesteld zijn ten name van twee namen, soms gevolgd door letters

kennelijk behorend tot één van genoemde namen. De namen zijn verbonden door de

toevoeging AlO. Toevoegingen als v. vd en ter komen voor.

4. Rekeningen gesteld ten name van kennelijke rechtspersonen. Deze zijn herkenbaar

aan toevoegingen als BV, NV, SA, Ltd enzovoorts.

5. Rekeningen gesteld op een kennelijk verzonnen naam als Tarbot ‘45 of Prikkebeen.

(…)

Onderzoek tenaamstelling naar personen

Het cliëntenbestand Van Lanschot is door [auditor], EDP-auditor van het

Centrum voor Product en Procesontwikkeling van de Belastingdienst (B/CPP) gematcht

met de gegevens uit het systeem Beheer van Relaties (BVR). In dit systeem zijn alle

natuurlijke- en rechtspersonen opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd en

die bekend zijn bij de Belastingdienst, alsmede alle niet in Nederland wonende of

gevestigde natuurlijke- of rechtspersonen met wie de Belastingdienst een relatie

onderhoudt.

In het systeem worden ook gegevens bijgehouden over de relaties die er bestaan tussen

de opgenomen natuurlijke en rechtspersonen, zoals ouder-kind of gehuwde relatie, of het

zijn van aandeelhouder of bestuurder van een rechtspersoon.

In het BVR-systeem blijven historische gegevens bewaard. Het BVR-systeem wordt

gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie en het Handelsregister

van de Kamer van Koophandel en met eigen gegevens van de Belastingdienst.

Het onderzoek naar de tenaamstellingen middels matching met het BVR heeft zich

gericht op de identificatie van personen onder de hiervoor bij de punten 1, 2 en 3

genoemde op naam gestelde rekeningen.

[auditor] verklaarde tegenover mij dat de identificatie, zakelijk weergegeven

als volgt gegaan is.

Voorbereiding

• Als bron voor het cliëntenbestand Van Lanschot zijn drie bronbestanden gebruikt, te

weten de gedigitaliseerde van de Belgische autoriteiten ontvangen rekeningstanden

per de data 21-12-1994, 05-09-1996 en 28-11-1996.

• Vanuit deze bronbestanden is een bestand gemaakt dat de essentiële gegevens

bevat, te weten per regel een tenaamstelling, een rekeningnummer en de saldi per

soort.

• Om de volledige koppeling (is het terug kunnen zoeken naar het originele

brongegeven) tussen de van de Belgische autoriteiten ontvangen papieren

bescheiden en de nu beschikbare digitale versie is aan elke regel een digitaal

identificatienummer toegekend

• Dit digitale identificatienummer is samen met de tenaamstelling weggeschreven naar

een nieuw bestand.

• Tenaamstellingen met slechts een enkele naam zonder verdere vermelding van

letters zijn uit het bestand gehaald.

• De hiervoor onder punt 4 aangegeven tenaamstellingen zijn uit het bestand gehaald.

• De hiervoor onder punt 5 aangegeven tenaamstellingen zijn uit het bestand gehaald.

• De toevoegingen “A/O”, “-“, “,”,”/” en een spatie, alsmede de toevoegingen “B” en

“LH” en andere in de tenaamstelling van de rekening, zijn ten behoeve van het

matchen uit de tenaamstelling gehaald.

• Aangezien het nu overgebleven bestand de gegevens bevat van 3 bronbestanden,

waarin veel van de te naamgestelde rekeningen op alle 3 de data voorkomen is het

bestand op naamsniveau ontdaan van dubbele en drievoudige vermeldingen.

• In verband met de mogelijke verschillende schrijfwijzen tussen het Nederlands en de

talen die gebruikt worden in Luxemburg zijn namen als Kraaij en Kraay voorlopig uit

de herkende posten gelaten. Deze posten zijn wel opgeleverd maar voor verdere

herkenning door middel van menselijke interventie voorgedragen

• In de toegevoegde letters bij de tenaamstelling van de rekening komt in enkele

gevallen de lettercombinatie TH voor, In Nederland is dit een gebruikelijke

schrijfwijze is voor Theo(dorus). De officiele voorletter voor deze persoon is slechts

de T. In de gevallen waar het duidelijk was dat met TH Theo(dorus) bedoeld werd, is

TH vervangen door T. Het zelfde geldt voor de naam Chris(tianus), daarbij is CHR

vervangen door C. Deze posten zijn wel opgeleverd maar voor verdere herkenning

door middel van menselijke interventie voorgedragen

• Het bestand is gesplitst in 2 aparte bestanden te weten die met enkele namen, als

hiervoor bij de bij punt 1 beschreven rekeningen en een bestand met dubbele namen

als hiervoor bij de punten 2 en 3 beschreven.

• Het bestand met dubbele namen is ontdaan van gebruikelijke voorvoegsels als v. vd,

ter e.d.. Dit is gedaan om matching op de combinatie van achternamen in BVR

mogelijk te maken. Als voorbeeld hiervan kan het volgende dienen. Op de

naamscombinatie Van den Berg - De Dijk, kan worden gezocht door te matchen met

de naamscombinaties Berg-Dijk en Dijk-Berg.

Matchen

Bestand enkele namen.

• Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit naam en letters, is

gematcht met BVR op de vraag hoe vaak een naam, in combinatie met de voorletters

in de volgorde zoals genoemd in de bronbestanden, voorkomt. Komt de combinatie

in BVR maar 1 keer voor, dan is deze persoont als uniek in het BVR aangemerkt, en

in combinatie met het (BSN) sofinummer, opgeleverd ter verdere behandeling.

Bestand dubbele namen

• Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit een dubbele naam

en in sommige gevallen voorzien van letters, is gematcht met het BVR op de vraag

hoe vaak de combinatie van namen in het BVR, aan elkaar gekoppeld via een

bestaande huwelijksrelatie, voorkomt. Komt de combinatie van namen in willekeurige

volgorde maar 1 keer voor dan zijn deze beide personen als uniek in het BVR

aangemerkt en, in combinatie met het (BSN)sofinummer, opgeleverd ter verdere

behandeling.”

2.8. Op de onder 2.4 vermelde overzichten staan per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 rekeningstanden op naam van “[X]” met rekeningnummer [rekeningnummer]. Het renseignement bevat de volgende informatie:

Info lijst B.1:

Date: 9/05/96

Racine* Name CCY Cur. Accou. Deposits Bonds shares Inv. Funds Total

[rekeningnummer] [X] NLG 31.82 348,900.00 0 0 0 348.931.82

Info lijst B.2

Date: 11/28/96

Racine* Name CCY Cur. Accou. Deposits Bonds shares Inv. Funds Total

[rekeningnummer] [X] NLG 185.92 0 329,100 10,490.94 339,776.86

Info lijst B.6

5 [rekeningnummer] [X] 941221 NLG 331024,43 226,93 0 0 0 0 P

2.9. Op basis van de ontvangen gegevens, heeft de inspecteur belanghebbende geïdentificeerd als rekeninghouder van genoemde rekening bij Van Lanschot

2.10. Belanghebbende is beschreven voor de inkomstenbelasting. Hij en [Y] waren in de jaren waarop de navorderingsaanslagen betrekking hebben woonachtig in Nederland en mitsdien binnenlands belastingplichtig. Belanghebbende had in de voor het onderhavige geval van belang zijnde jaren het hoogste persoonlijke inkomen. Belanghebbende heeft in zijn aangiften geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een buitenlandse rekening van hem of [Y] bij Van Lanschot.

2.11. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 7 maart 2007 een vragenbrief gestuurd. Bij de vragenbrief is een formulier “verklaring in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: de verklaring) en een formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: het formulier) gevoegd.

2.12. Belanghebbende heeft de verklaring op 9 maart 2007 ondertekend en teruggezonden naar de inspecteur. In de verklaring heeft belanghebbende verklaard dat hij (ná 31 december 1994) geen buitenlandse bankrekening heeft aangehouden.

2.13. De inspecteur heeft belanghebbende op 22 maart 2007 een brief gestuurd, waarin hij heeft vermeld dat uit de hem ter beschikking staande informatie is gebleken dat belanghebbende nog andere buitenlandse bankrekeningen heeft aangehouden na 31 december 1994. Hij heeft in deze brief belanghebbende verzocht hiervan opgaaf te doen. Voorts wijst de inspecteur in deze brief op artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de mogelijke consequenties voor belanghebbende van het niet voldoen aan het informatieverzoek van de inspecteur.

2.14. Belanghebbende heeft bij brief van 27 maart 2007 de inspecteur om uitstel voor beantwoording verzocht .

2.15. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 30 maart 2007, voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om de eerder door hem verzochte gegevens te verstrekken.

2.16. De gemachtigde van belanghebbende en [Y] heeft bij brief van 2 april 2007 de inspecteur verzocht om aan te geven over welke informatie hij beschikt.

2.17. De inspecteur heeft bij brief van 6 april 2007 te kennen gegeven dat hij over informatie beschikt waaruit blijkt dat belanghebbende in het verleden heeft beschikt over buitenlandse vermogensbestanddelen en dat deze zeer waarschijnlijk niet in de belastingheffing betrokken zijn geweest. Daarbij heeft de inspecteur nogmaals verzocht de gevraagde informatie te verstrekken, en wel vóór 17 april 2007.

2.18. De gemachtigde heeft bij brief van 12 april 2007 de inspecteur in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur verzocht de in 2.17 bedoelde informatie te verstrekken.

2.19. De inspecteur heeft bij brief van 19 juli 2007 het verzoek van de gemachtigde gedeeltelijk afgewezen. De gemachtigde heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

2.20. De inspecteur heeft belanghebbende, bij brief van 26 november 2007, op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV 1995, IB/PVV 2002 en VB 1996 met boetes op te leggen. De inspecteur heeft dit onder meer toegelicht met de vermelding dat uit de hem ter beschikking staande informatie blijkt dat belanghebbende één of meerdere bankrekeningen heeft aangehouden in het buitenland, dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de informatieverplichting van artikel 47 van de AWR en dat de inspecteur genoodzaakt is voor het opleggen van de navorderingsaanslagen uit te gaan van geschatte bedragen. De inspecteur heeft in deze brief belanghebbende in de gelegenheid gesteld om vóór 10 december 2007 te reageren.

2.21. De inspecteur heeft bij brief van 11 december 2007 belanghebbende meegedeeld de in 2.20 genoemde navorderingsaanslagen op te leggen en dat belanghebbende daarbij wordt beboet.

2.22. De inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2007 de aangekondigde navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en IB/PVV 2002 en VB 1996 (inclusief boetes en heffingsrente) opgelegd (hierna ook: de eerste serie aanslagen).

2.23. Belanghebbende heeft bij brief van 9 januari 2008 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen en beschikkingen. Deze brief is bij de inspecteur binnengekomen op 9 januari 2008.

2.24. De inspecteur heeft de ontvangst van het bezwaarschrift bij brief van 28 januari 2008 bevestigd.

2.25. Bij brief van 5 februari 2008 heeft de inspecteur het begeleidende schrijven van de Belgische autoriteiten, inclusief een bijbehorende geanonimiseerde nota, aan belanghebbende doen toekomen.

2.26. De inspecteur heeft, bij brief van 7 februari 2008, brondocumenten van de Belgische autoriteiten aan belanghebbende doen toekomen.

2.27. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 22 februari 2008 nogmaals geïnformeerd dat hij de van de Belgische autoriteiten afkomstige stukken heeft verstuurd aan belanghebbende.

2.28. Bij brief van 11 maart 2008 heeft de gemachtigde medegedeeld dat hij voornemens is om het bezwaar binnen zes weken nader te motiveren.

2.29. De inspecteur heeft bij brief van 17 maart 2008 belanghebbende toestemming gegeven het bezwaar nader toe te lichten en hem daarvoor een termijn gegeven van drie weken (eindigend op 9 april 2008) en hem ingelicht dat de behandeling van het bezwaar zal worden uitgesteld.

2.30. Belanghebbende heeft bij brief van 17 april 2008 het bezwaar nader gemotiveerd.

2.31. De inspecteur heeft bij brief van 13 mei 2008 belanghebbende in de gelegenheid gesteld het bezwaar nader mondeling toe te lichten.

2.32. De gemachtigde heeft bij brief van 22 mei 2008 de inspecteur bericht dat hij de inspecteur in de derde week van juni [2008] zal berichten of een hoorgesprek – waarbij ook de zaken van andere cliënten die zijn betrokken bij het ‘Van Lanschot-project’ zullen worden besproken – noodzakelijk is.

2.33. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 17 juni 2008 op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 t/m 2001, IB/PVV 2003 t/m IB/PVV 2005 en VB 1997 t/m 2000 met boetes aan hem op te leggen. De inspecteur heeft de brief voorzien van bijlagen met een specificatie van de inkomenscorrecties, de meer verschuldigde belasting, de op te leggen boetes en de vast te stellen heffingsrente. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld te reageren vóór 7 juli 2008.

2.34. De gemachtigde heeft, bij brief van 3 juli 2008, verzocht om een hoorgesprek. Daarbij is aangegeven dat het hoorgesprek niet eerder zal kunnen plaatsvinden dan in de tweede week van augustus 2008.

2.35. Op 21 augustus 2008 heeft het hoorgesprek plaatsgevonden. Op 22 augustus 2008 is het hoorverslag opgemaakt.

2.36. De inspecteur heeft bij brief van 17 oktober 2008 belanghebbende meegedeeld de in 2.33 genoemde (navorderings)aanslagen (met boetes) op te leggen. Als bijlage bij deze brief heeft de inspecteur een geactualiseerde versie van de (eerder toegezonden) specificatie gevoegd.

2.37. De inspecteur heeft met dagtekening 31 oktober 2008 de aangekondigde navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 t/m 2001, IB/PVV 2003 t/m IB/PVV 2005 en VB 1997 t/m 2000 opgelegd (hierna ook: de tweede serie aanslagen). Op de respectievelijke aanslagbiljetten staat alleen een totaalbedrag genoemd (“Bedrag van de navordering”).

2.38. Belanghebbende heeft bij brief van 26 november 2008 bezwaar gemaakt tegen de met dagtekening 31 oktober opgelegde navorderingsaanslagen (inclusief boetes en heffingsrente). Deze brief is bij de inspecteur binnengekomen op 26 november 2008. De gemachtigde heeft in de brief verzocht om uitstel voor het indienen van de motivering totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan op het eerder ingediende bezwaar van belanghebbende en op ingediende bezwaren van andere cliënten van de gemachtigde.

2.39. De inspecteur heeft bij brief van 23 januari 2009 voornoemd verzoek van de gemachtigde afgewezen en hem verzocht binnen vier weken ná 23 januari 2009 de gronden van de bezwaren in te dienen. Voorts deelt de inspecteur in deze brief mee dat de afhandeling van de bezwaren wordt opgeschort totdat het vormverzuim is hersteld.

2.40. Bij brief van 6 februari 2009 heeft de inspecteur de (telefonisch met de gemachtigde) overeengekomen procesafspraak bevestigd, inhoudende dat de motivering van het bezwaar tegen de eerste serie aanslagen ook heeft te gelden als de motivering van het bezwaar tegen de tweede serie aanslagen. Voorts heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld dat deze het recht heeft om te worden gehoord en dat hij inzage kan krijgen in de stukken.

2.41. Bij brief van 24 februari 2009 heeft de inspecteur de datum van inzage bevestigd. Voorts heeft de inspecteur in deze brief (de onderling overeengekomen) afspraak bevestigd dat de behandeling van de bezwaren met twee maanden zal worden aangehouden.

2.42. Op 17 maart 2009 heeft de gemachtigde ten kantore van de Belastingdienst inzage gekregen in het bezwaardossier. Vervolgens heeft de gemachtigde afgezien van een hoorgesprek.

2.43. De inspecteur heeft met dagtekening 2 juni 2009 uitspraak gedaan op alle in geding zijnde bezwaren.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de navorderingsaanslagen, de verhogingen, de boetes en heffingsrente terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.

3.2. Meer in het bijzonder zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

3.2.1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

3.2.2. Zijn de inlichtingen die de inspecteur heeft ontvangen op rechtmatige wijze verkregen?

3.2.3. Zijn de inlichtingen die de inspecteur heeft ontvangen authentiek?

3.2.4. Is belanghebbende en/of zijn echtgenote op correcte en juiste wijze als rekeninghouder geïdentificeerd?

3.2.5. Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

3.2.6. Is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard en zo ja, is er sprake van een redelijke schatting?

3.2.7. In die gevallen waar op het aanslagbiljet geen afzonderlijk bedrag aan heffingsrente en boete is opgenomen: Heeft de inspecteur in dat geval een beschikking heffingsrente genomen/een boete opgelegd.?

3.2.8. Zijn de boetes terecht opgelegd en tot het juiste bedrag vastgesteld? Is er reden tot matiging van de boete?

3.2.9. Zijn de beschikkingen heffingsrente juist berekend?

3.2.10. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van geleden immateriële schade?

3.3. Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

4.1.1. Ter zitting (23 oktober 2012) heeft belanghebbende erkend dat de inspecteur de stukken heeft overgelegd conform de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Breda van 18 maart 2011, met uitzondering van de namen van de belastingambtenaren en de namen op de rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6, zo stelt belanghebbende. Met betrekking tot laatst genoemde gegevens stelt belanghebbende dat deze alsnog moeten worden bekend gemaakt door de inspecteur.

4.1.2. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan belanghebbende kennelijk meent, de geheimhoudingskamer van de rechtbank Breda de inspecteur niet heeft opgedragen voornoemde gegevens te openbaren. De rechtbank is van oordeel dat de namen van de belastingambtenaren en de namen op de rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6 niet van belang zijn voor de beoordeling van de onderhavige navorderingsaanslagen en beschikkingen. Door het niet overleggen van deze gegevens wordt belanghebbende niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank wijst dit verzoek van belanghebbende dan ook af.

4.1.3. Ter zitting (23 oktober 2012) heeft belanghebbende de inspecteur verzocht een achttal stukken in het geding te brengen. Deze stukken, die zijn opgesomd in onderdeel 4 van de pleitnota, worden genoemd in de ambtsedige verklaringen van de projectleiders van het ‘Van Lanschot-project’. Van het bestaan van deze stukken was belanghebbende, zo stelt hij, tot dat moment niet eerder op de hoogte.

4.1.4. Het is de rechtbank ambtshalve bekend – een aantal van de in 1.23 genoemde zaken is eerder op zitting behandeld en aangehouden vanwege het overleggen van deze stukken - dat gemachtigde eind september 2011 de beschikking heeft gekregen over genoemde ambtsedige verklaringen. Belanghebbende heeft echter pas op de zitting van 23 oktober 2012 de inspecteur verzocht om de in de ambtsedige verklaringen genoemde stukken te overleggen. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende dit verzoek in een eerder stadium van het geding had kunnen en moeten indienen. Een redelijke afweging van de belangen van de wederpartij en het proceseconomische belang van een spoedige voortgang van de onderhavige zaken, brengt in dit geval dan ook mee dat het ter zitting gedane verzoek tardief moet worden verklaard.

4.1.5. De inspecteur heeft ter zitting (24 oktober 2012) de aanslag- en aangiftegegevens van belanghebbende overgelegd. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat, voor zover het betreft het overleggen van deze stukken, partijen geen geschil meer hebben.

Rechtmatigheid van de inlichtingen

4.2.1. Belanghebbende heeft betoogd dat de inspecteur onvoldoende inzicht heeft verschaft in de wijze waarop de Belgische en de Nederlandse autoriteiten aan de renseignementen zijn gekomen op basis waarvan de inspecteur de in geding zijnde navorderingsaanslagen heeft opgelegd. Gelet hierop heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld, nu nadere informatie omtrent het verkrijgen van de renseignementen volgens hem ontbreekt, dat de renseignementen niet op rechtmatige wijze zijn verkregen. De renseignementen dienen reeds daarom als bewijsmiddel te worden uitgesloten, aldus belanghebbende. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat het bewijs afkomstig is van de Belgische overheid en is verstrekt op grond van de Richtlijn. In zoverre is de situatie vergelijkbaar met die waarbij de Belgische overheid gegevens verstrekte die betrekking hadden op rekeningen aangehouden bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB-Lux). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 maart 2008, (nr. 43 050, LJN: BA8179), overwogen dat daarbij geen sprake was van door de Nederlandse autoriteiten onrechtmatig verkregen bewijs. De rechtbank is van oordeel dat dit ook voor het onderhavige geval geldt. Indien al moet worden aangenomen dat de renseignementen op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten zijn verkregen, dan neemt dat niet weg dat die gegevens door de Nederlandse overheid naar het oordeel van de rechtbank niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar is. Daarbij acht de rechtbank van belang dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van Van Lanschot en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de inspecteur de renseignementen mag gebruiken ter onderbouwing van de in geding zijnde navorderingsaanslagen.

4.2.2. Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat de inlichtingen zijn verkregen in strijd met de Richtlijn. In dat verband stelt belanghebbende dat zowel de Nederlandse als de Belgische Staat het soevereiniteitsbeginsel van Luxemburg heeft geschonden omdat dit land zich niet heeft kunnen uitlaten over de verstrekking van de gegevens die afkomstig waren uit Luxemburg.

4.2.3. De rechtbank stelt voorop dat de Richtlijn uitsluitend is gericht tot de lidstaten. Belastingplichtigen, zoals belanghebbende, kunnen daaraan dus geen rechten ontlenen. Reeds hierom faalt belanghebbendes stelling. Belanghebbendes stelling faalt ook om de volgende reden. In de onderhavige zaken is geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen Luxemburg en Nederland of tussen Luxemburg en België, maar van het (spontaan) overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. Daarom is geen sprake van gevallen zoals bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, en artikel 8, derde lid, van de Richtlijn, waar belanghebbende, naar de rechtbank begrijpt, op doelt. De Richtlijn mist derhalve in zoverre toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN BM0137). In het midden kan dan blijven of de bepalingen van de Richtlijn van openbare orde zijn. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank met betrekking tot de uitleg van de Richtlijn niet overgaan, zoals belanghebbende heeft verzocht, tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie.

4.2.4. Belanghebbende heeft in het onderhavig geval voorts gesteld dat Nederland en België de goede (verdrags)trouw jegens Luxemburg hebben geschonden. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.2.1 heeft overwogen, zijn de gegevens niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. De goede (verdrags)trouw staat er dan niet aan in de weg dat de inspecteur de renseignementen mag gebruiken ter onderbouwing van de in geding zijnde navorderingsaanslagen.

Authenticiteit van de inlichtingen

4.3.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inlichtingen zoals bedoeld in 2.2 niet echt zijn. Naar belanghebbende aanvoert heeft hij dit nagevraagd bij Van Lanschot en die heeft ontkend dat bedoelde documenten van haar afkomstig zijn.

4.3.2. De rechtbank deelt de twijfel van belanghebbende met betrekking tot de authenticiteit van de renseignementen niet. Gelet op de toelichting die de Belgische autoriteiten hebben gegeven in de brief van 18 februari 2005, heeft de rechtbank geen aanleiding voor de veronderstelling dat de in de renseignementen opgenomen gegevens niet van Van Lanschot afkomstig zouden zijn. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat een belangrijk deel van de andere in die documenten genoemde belastingplichtigen heeft bekend en dat de door die belastingplichtigen overgelegde informatie overeenkomt met die vermeld op bedoelde documenten, waaruit blijkt dat de informatie juist is. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat gemachtigde ter zitting (23 oktober 2012) heeft verklaard dat hij 150 als rekeninghouders van Van Lanschot geïdentificeerde belanghebbenden vertegenwoordigt, waarvan er 15 hebben erkend een rekening bij die bank te hebben aangehouden. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat de gegevens op de rekeningstandenlijsten van laatstgenoemden niet overeenkwamen met de werkelijkheid. Dat gemachtigde op eenvoudige wijze een document heeft kunnen maken dat overeenkomt met de rekeningstandenlijsten doet aan vorenstaande niet af. Het gaat erom of de in de renseignementen opgenomen gegevens afkomstig zijn van Van Lanschot, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank het geval is. Belanghebbendes beroepsgrond dient dan ook te worden verworpen.

4.3.3. Belanghebbende heeft nog gevraagd de drie voormalige projectleiders van het Van Lanschot-project als getuigen te horen. Nu de gemachtigde de gelegenheid heeft gehad om getuigenverklaringen van twee van hen in het geding te brengen en hij dat niet heeft gedaan en niet heeft aangegeven waarom alsnog of nogmaals horen van enig belang zou kunnen zijn en tevens niet in geschil is dat de derde persoon niet bereikbaar is, ziet de rechtbank geen reden dit verzoek in te willigen.

Identificatie

4.4.1. Belanghebbende betwist de betrouwbaarheid van de methode die de inspecteur heeft gehanteerd om belanghebbende als rekeninghouder bij Van Lanschot te identificeren. Met betrekking tot de identificatie, overweegt de rechtbank als volgt.

4.4.2. In het onderhavige geval heeft de inspecteur belanghebbende geïdentificeerd als rekeninghouder bij Van Lanschot. Op de inspecteur rust de last aannemelijk te maken dat belanghebbende rechthebbende was van een tegoed bij Van Lanschot. De inspecteur heeft de gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de rekeningstandenlijsten vergeleken met de gegevens in het BVR. De gegevens in het BVR zijn voor wat betreft natuurlijke personen afkomstig van de gemeentelijke basisadministratie. In dit bestand zijn bovendien, blijkens het ‘Proces-verbaal geautomatiseerde identificatie’, zoals hiervoor opgenomen onder 2.7, ook Nederlanders die zijn geëmigreerd naar het buitenland opgenomen. Het rekeningnummer [rekeningnummer], zoals vermeld op de onderhavige renseignementen, stond op naam van “[X]”. Het betreft hier een tenaamstelling zoals genoemd onder 1 van het kopje “soorten tenaamstelling” (Proces-verbaal geautomatiseerde identificatie); een rekening gesteld ten name van één naam met daarachter één of meerdere voorletters. In het onderhavige geval betreft dit de naam “[achternaam X]” met voorletters “[voorletters X]” De inspecteur heeft deze gegevens vergeleken met de gegevens in het BVR. Uit de door inspecteur overgelegde schermprints van de in het BVR opgenomen personen blijkt dat er slechts één persoon voorkomt met de (achter)naam “[achternaam X]”, met de voorletters “[voorletters X]” ; deze unieke ‘hit’ betreft belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van de achternaam tezamen met de voorletters van belanghebbende zo specifiek is, dat er geen reden is om aan te nemen dat de vermelding in het renseignement op enig andere persoon dan belanghebbende kan slaan. Met voormeld onderzoek en de toelichting daarop die de inspecteur ter zitting heeft gegeven, heeft de inspecteur dan ook naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat belanghebbende, rechthebbende was tot de rekening bij Van Lanschot met rekeningnummer [rekeningnummer].

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inspecteur in zijn bewijslast is geslaagd. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende rekeninghouder was bij Van Lanschot (in Luxemburg) op de op de renseignementen genoemde data. Gelet op de hoogte van het saldo per 28 november 1996, het gegeven dat de saldi op de rekeningstanden vrij constant zijn en dat belegd is in “bonds” wat duidt op belegging voor langere termijn, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende ook in latere jaren deze bankrekening (in ieder geval tot en met 2005) heeft aangehouden in Luxemburg.

Voortvarendheid

4.5.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. Hij meent dat de eis van voortvarendheid gesteld moet worden zowel bij toepassing van artikel 16, derde lid, van de AWR (de vijfjaarstermijn) als bij toepassing van het vierde lid van dat artikel (de twaalfjaarstermijn).

4.5.2. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

Twaalfjaarstermijn (‘verlengde navorderingstermijn’)

4.5.3. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, regels geformuleerd die in verband met het door het HvJ EU genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.

4.5.4. In het onderhavige geval zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 tot en met IB/PVV 2001 en VB 1996 tot en met VB 2000 opgelegd met behulp van de verlengde navorderingstermijn. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de navorderingsaanslagen niet met de vereiste voortvarendheid zijn opgelegd zal de rechtbank voor ieder van deze navorderingsaanslagen, aan de hand van de termijn die is verlopen tussen de ontvangst van de informatie van de Belgische autoriteiten op 18 februari 2005 en de datum waarop de desbetreffende navorderingsaanslagen zijn vastgesteld, beoordelen of die vaststelling met redelijke voortvarendheid heeft plaatsgevonden. Alle navorderingsaanslagen die aan belanghebbende zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn hebben als dagtekening 31 december 2007, dan wel 31 oktober 2008.

4.5.5. De door de inspecteur gebruikte tijd bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in het kader van het ‘Van Lanschot-Project’, waarvan de onderhavige zaken deel uit maken, is onder te verdelen in grofweg drie periodes. De eerste periode heeft betrekking op de tijd die is verstreken tussen het moment van ontvangst van de gegevens van de Belgische autoriteiten op 18 februari 2005 en het moment waarop voor het eerst vragenbrieven zijn verzonden naar belastingplichtigen in maart 2007. De tweede periode heeft betrekking op de tijd die is verstreken tussen maart 2007 en het opleggen van de eerste serie navorderingsaanslagen eind 2007 aan belastingplichtigen die zijn geïdentificeerd als rekeninghouder bij Van Lanschot. De derde periode tot slot, heeft betrekking op de tijd die is verstreken tussen het opleggen van deze eerste en de tweede serie navorderingsaanslagen.

4.5.6. Ter zake van de eerste periode heeft het volgende te gelden. Tussen het moment waarop de FIOD-ECD Team Internationaal de gegevens van de Belgische autoriteiten heeft ontvangen (18 februari 2005) en het versturen door de inspecteur van de vragenbrief aan belanghebbende (7 maart 2007), is een periode van ruim twee jaar verstreken. De inspecteur heeft aangegeven, dat de Belastingdienst de inlichtingen in maart 2005 heeft ontvangen en dat besloten is om tot een projectmatige aanpak over te gaan in verband met de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid. De inspecteur heeft voorts aangegeven, dat de projectmatige werkzaamheden in drie fases kunnen worden onderscheiden, te weten de onderzoeksfase, de besluit- en inrichtingsfase en de projectfase. Per periode heeft de inspecteur aangegeven welke soort van activiteiten in de desbetreffende periode zijn verricht. Gezien de complexiteit en de omvang van het project is de rechtbank van oordeel dat de periode van twee jaar om de belastingplichtigen te identificeren en vervolgens te benaderen met een vragenbrief niet onredelijk lang is.

4.5.7. De inspecteur heeft in de periode vanaf het sturen van de vragenbrieven tot het opleggen van de eerste navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 belanghebbende meermalen verzocht om informatie over de in het buitenland aangehouden bankrekening. Belanghebbende heeft daarop wel enige informatie aan de inspecteur verstrekt maar vervolgens, na een nader verzoek, geen informatie verstrekt maar zelf om nadere informatie gevraagd. Gezien de veelvuldige contacten tussen de inspecteur en belanghebbende met het doel om inlichtingen te verkrijgen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting acht de rechtbank de periode van ongeveer tien maanden tot de dagtekening van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 niet onevenredig lang. Met betrekking tot het opleggen van deze navorderingsaanslagen is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur voortvarend genoeg heeft gehandeld.

4.5.8. Tussen het moment waarop de eerste serie navorderingsaanslagen zijn opgelegd (dagtekening 31 december 2007) en het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen (IB/PVV 1996 tot en met 2001 en VB 1997 tot en met 2000, dagtekening 29 november 2008) is bijna één jaar verstreken. De inspecteur heeft dienaangaande gesteld dat, na het opleggen van de eerste serie navorderingsaanslagen eind 2007, uit zorgvuldigheidsoverwegingen is gewacht met het opleggen van de overige navorderingsaanslagen. De inspecteur had de hoop en de verwachting dat belanghebbende op een later tijdstip, in de bezwaarfase voor de eerste serie navorderingsaanslagen, wel met nadere gegevens zou komen over de in Luxemburg aangehouden bankrekening, waarna hij de aanslagen naar de juiste bedragen, dus niet schattenderwijs, zou kunnen vaststellen.

4.5.9. Vanuit het oogpunt van de door de inspecteur in acht te nemen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, is een dergelijke handelwijze - het zorgvuldig willen vaststellen van de navorderingsaanslagen - naar het oordeel van de rechtbank begrijpelijk. Echter, naar het oordeel van de rechtbank, biedt de zogenoemde ‘Passenheim-doctrine’ daarvoor geen ruimte. Het gaat in het kader van de voortvarendheid om de tijd die noodzakelijk is om met redelijke voortvarendheid een navorderingsaanslag op te leggen. Zoals kan worden opgemaakt uit het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2011 (nr. 09/05204, LJN BP4779) gaat het hierbij om ‘de tijd die is benodigd voor het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting’ en ‘de tijd die noodzakelijkerwijs is gemoeid met het voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag’. De rechtbank acht van belang dat belanghebbende nimmer heeft erkend dat hij een bankrekening heeft (gehad) bij Van Lanschot en dat de inspecteur de eind 2008 opgelegde navorderingsaanslagen heeft gebaseerd op de gegevens die hem reeds ter beschikking stonden, zoals hij ook ter zitting heeft erkend, ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996. De inspecteur beschikte derhalve eind 2007 al over alle benodigde gegevens om alle bestreden navorderingsaanslagen op te leggen. Het was dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk om een jaar te wachten met het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen. In dit verband heeft de inspecteur verder nog aangevoerd dat het praktisch onmogelijk was om de resterende aanslagen tegelijkertijd met, of kort na, de eerste serie aanslagen op te leggen. De navorderingsaanslagen, bestaande uit belasting, boete en heffingsrente, over de jaren 1996 tot en met 2000 konden, aldus de inspecteur, alleen handmatig berekend en vastgesteld worden, hetgeen zeer arbeidsintensief was. De rechtbank acht aannemelijk dat hiermee enige tijd was gemoeid en dus noodzakelijk was, maar genoemde omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank niet een tijdsverloop van ongeveer een jaar mee. Het tijdsverloop kan dan ook niet als noodzakelijk worden aanvaard. Dit brengt mee dat de navorderingsaanslagen en de daarbij behorende beschikkingen IB/PVV 1996, IB/PVV 1997, IB/PVV 1998, IB/PVV 1999, IB/PVV 2000, IB/PVV 2001, VB 1997, VB 1998, VB 1999 en VB 2000 onvoldoende voortvarend en daarmee buiten de wettelijke termijn zijn vastgesteld.

‘Vijfjaarstermijn’

4.5.10. Belanghebbende heeft gesteld dat voornoemd arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2011 evenzeer dient te gelden bij het opleggen van navorderingsaanslagen op grond van het derde lid van artikel 16 van de AWR. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling. De toepassing van de verlengde navorderingstermijn wordt beperkt door het communautaire evenredigheidsbeginsel. Dit geldt echter niet voor de toepassing van de ‘gewone’ navorderingstermijn. De navorderingsaanslagen IB/PVV 2002, IB/PVV 2003 en IB/PVV 2004 en IB/PVV 2005 zijn dan ook tijdig opgelegd. In zoverre faalt belanghebbendes beroepsgrond.

Tussenconclusie

4.6. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996, IB/PVV 1997, IB/PVV 1998, IB/PVV 1999, IB/PVV 2000, IB/PVV 2001, VB 1997, VB 1998, VB 1999 en VB 2000 (met inbegrip van de daarmee samenhangende verhogingen/boetes en heffingsrente) dienen te worden vernietigd.

Omkering van bewijslast en redelijke schatting

4.7.1. De inspecteur heeft belanghebbende, aangeschreven met het verzoek om informatie te verstrekken met betrekking tot in het buitenland aangehouden bankrekening(en). De inspecteur heeft daarbij meerdere keren gewezen op artikel 47 AWR en de mogelijke omkering en verzwaring van de bewijslast. In het onderhavige geval staat de bankrekening op naam van belanghebbende. Belanghebbende heeft niet gereageerd op de verzoeken van de inspecteur.

4.7.2. Nu de rechtbank, zoals onder 4.4.2. is overwogen, aannemelijk acht dat belanghebbende een bankrekening heeft aangehouden bij Van Lanschot (in Luxemburg) die niet in de aangifte van belanghebbende was vermeld, heeft belanghebbende gelet op hetgeen in 4.7.1 is overwogen, de inlichtingenplicht van artikel 47 AWR geschonden. Het niet voldoen aan de vereisten van artikel 47 AWR leidt tot verzwaring en omkering van de bewijslast (artikel 27e AWR, tekst tot en met 2011).

4.7.3. Toepassing van de sanctie van artikel 27e AWR brengt met zich dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij belanghebbende bewijst dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Belanghebbende heeft daar geen bewijs voor geleverd. Ook niet in de nadere stukken.

4.7.4. Dan moet de rechtbank beoordelen of de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. De inspecteur heeft een analyse gemaakt van de bekende gegevens van de geïdentificeerde bankrekeninghouders bij Van Lanschot waarvan op alle drie momenten (21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996) de rekeningstand bekend was. Uit deze analyse is naar voren gekomen dat over de periode 21 december 1994 tot en met 5 september 1996 over het gehele bestand van 325 geïdentificeerde personen sprake is van een vermogenstoename van 23,55% op jaarbasis en over de periode 21 december 1994 tot 28 november 1996 een vermogenstoename van 23,66% op jaarbasis. Dit percentage heeft de inspecteur (rekening houdend met rente op rente) naar beneden bijgesteld tot 23,5. Het aldus vastgesteld percentage van 23,5 is vervolgens toegepast op de laatste stand van de bankrekening en het aldus berekende bedrag is telkens per jaar bijgeteld als vermogensgroei. Dit betekent dat de procentuele bijtelling elk jaar lager wordt. Voor de berekening van de inkomsten uit dit vermogen heeft de inspecteur voor de jaren tot en met 2000 aangesloten bij het fictieve rendement als bedoeld in artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zijnde 6% van het in buitenlandse beleggingsinstellingen belegde vermogen. Vanaf 2001 zijn de aldus berekende saldi aangemerkt als gemeenschappelijke inkomensbestanddelen in box 3 die, gelet op het bepaalde in het per 1 januari 2005 tot derde lid vernummerde vierde lid van artikel 2.17 Wet IB 2001, aan beide partners voor de helft zijn toegerekend.

4.7.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de uiteenzetting in het verweerschrift, de daarop ter zitting (23 oktober 2012) gegeven toelichting en de overige door hem ingebrachte stukken, voldoende inzicht verschaft in de wijze waarop de vaststelling van het stijgingspercentage van 23,5 en het inkomen uit vermogen tot stand zijn gekomen. De rechtbank acht de door inspecteur gehanteerde berekeningswijze van het vermogen, waarbij het saldo schattenderwijs steeds is verhoogd met jaarlijks 23,5% van het laatst gerenseigneerde saldo, in zijn methode en in zijn uitwerking niet onredelijk aangezien de inspecteur ná 28 november 1996 niet beschikt over enig concreet gegeven ter zake van het door belanghebbende bij Van Lanschot aangehouden vermogen. De stelling van belanghebbende dat bij de berekening van de vermogensstijging van 23,5% de stortingen die door de rekeninghouders zijn gedaan ook zijn meegerekend, leidt niet tot een andere conclusie. De inspecteur is immers van een gemiddelde stijging van de saldi bij vergelijkbare rekeninghouders bij Van Lanschot uitgegaan en daarin zijn eventuele opnamen en stortingen verwerkt.

4.7.6. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de uitgangspunten die de inspecteur heeft gehanteerd in het ‘Van Lanschot-project’ om het vermogen en de inkomenscorrecties te berekenen, niet onredelijk. De navorderingsaanslagen berusten dan ook naar het oordeel van de rechtbank op een redelijke schatting.

4.7.7. Met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995, IB/PVV 2002 en VB 1996 heeft de inspecteur nader geconcludeerd dat voor de berekening van de hoogte van de belasting, de verschuldigde boete en de heffingsrente uitgegaan moet worden van de - lagere - bedragen zoals die worden genoemd in het excel-overzicht dat de inspecteur als bijlage bij zijn brief van 5 december 2012 heeft gevoegd. De belasting en de boete en de heffingsrente bedragen dan respectievelijk € 4.035 (f 8.892), € 4.035 (f 8.892) en € 1.757 (f 3.872) voor IB/PVV 1995, € 2.121, € 2.121 en € 506 voor IB/PVV 2002 en € 1.180 (f 2.600), € 1.180 (f 2.600) en € 512 (f 1.128) voor VB 1996.

Het niet afzonderlijk vermelden van de heffingsrente en de boete op het aanslagbiljet

4.8.1. De tijdig opgelegde navorderingsaanslagen betreffen onder meer de IB/PVV 2003, IB/PVV 2004 en IB/PVV 2005 (zie 4.5.10). Op de betreffende aanslagbiljetten staat alleen een totaalbedrag genoemd (zie 2.37). In de aan belanghebbende op 17 oktober 2008 toegezonden specificatie is vermeld dat over 2003 € 2.338 belasting zou worden nagevorderd met een boete van € 2.338 en € 493 heffingsrente (totaal € 5.169). Vervolgens is met dagtekening 31 oktober 2008 aan belanghebbende een aanslagbiljet uitgereikt waar boven staat “Navorderingsaanslag 2003 Inkomstenbelasting Premie volksverzekeringen”. Verder staat er op het biljet; “te betalen € 5.169”. Op het aanslagbiljet zijn de drie beschikkingen (navorderingsaanslag, boete en heffingsrente) dus niet afzonderlijk vermeld, noch is het bedrag uitgesplitst. Datzelfde is gebeurd voor het jaar 2004 en het jaar 2005. De in die navorderingsaanslagen begrepen bedragen aan belasting/premieheffing bedragen volgens voornoemde specificatie € 2.556 respectievelijk € 2.782. Belanghebbende stelt dat aldus de boete- en heffingsrentebeschikkingen niet tot stand zijn gekomen en dat de navorderingsaanslagen moeten worden verminderd tot het bedrag van de na te vorderen inkomstenbelasting. De inspecteur meent dat het aanslagbiljet, tezamen bezien met de eerdere specificatie, voldoende duidelijk is over de elementen van het te betalen bedrag.

4.8.2. De vaststelling van een aanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. Datzelfde geldt met betrekking tot het door de inspecteur nemen van een beschikking (artikel 5 van de AWR). Artikel 30j, tweede lid, van de AWR bepaalt dat het bedrag van de heffingsrente afzonderlijk op het aanslagbiljet wordt vermeld. Artikel 67g, vierde lid, van de AWR, tekst tot 1 juli 2009, bepaalt hetzelfde voor de boete. Aan dit wettelijk voorschrift, dat kennelijk ertoe strekt de belastingplichtige inzicht te verschaffen in de bedragen die hem als belasting respectievelijk boete of heffingsrente in rekening zijn gebracht, voldoet het aanslagbiljet niet. Het gegeven dat belanghebbende tevoren anderszins, door toezending van de specificatie, op de hoogte was gesteld van de uitsplitsing in belasting, boete en heffingsrente kan dit gebrek niet opheffen, te meer niet nu in de aanhef van het biljet alleen staat dat sprake is van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premieheffing. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet afzonderlijk vermelden van de boete en heffingsrente en de daarvoor geldende bedragen, gelet op de strekking van de artikelen 30j en 67g van de AWR in samenhang met artikel 5 van de AWR, zodanig zwaarwegend dat ter zake geen beschikkingen tot stand zijn gekomen.

4.8.3. Nu het aanslagbiljet over 2003 een te betalen bedrag aan inkomstenbelasting/ premieheffing vermeldt van € 5.169 terwijl dat bedrag € 2.338 moet zijn, zal de rechtbank de navorderingsaanslag tot dit bedrag verminderen. Evenzo zal de navorderingsaanslag over 2004 van € 5.565 worden verminderd tot € 2.556 en de navorderingsaanslag over 2005 van € 5.917 tot € 2.782.

Boetes

4.9.1. In de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 1996, IB/PVV 1997, IB/PVV 1998, IB/PVV 1999, IB/PVV 2000, IB/PVV 2001, IB/PVV 2003, IB/PVV 2004, IB/PVV 2005, VB 1997, VB 1998, VB 1999 en VB 2000, zijn, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in 4.6 en 4.8.2 heeft overwogen, ten onrechte bedragen aan verhogingen/boetes begrepen. De rechtbank hoeft dan alleen nog de juistheid van de verhogingen c.q. boetebeschikkingen behorende bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995, IB/PVV 2002 en VB 1996 te beoordelen. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.7.7 heeft overwogen dienen de verhogingen/boetes over deze jaren in ieder geval naar de volgende bedragen te worden verminderd:

IB/PVV 1995, verhoging f 8.892 (€ 4.035), geen kwijtschelding verleend;

IB/PVV 2002, boete € 2.121;

VB 1996, verhoging f 2.600 (€ 1.180);

4.9.2. Voor de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 geldt dat hierin verhogingen zijn begrepen van 100% van de nagevorderde belasting. De inspecteur heeft geen kwijtschelding van deze verhogingen verleend. De aan belanghebbende opgelegde boete voor het jaar 2002 is bij beschikking vastgesteld en bedraagt eveneens 100% van de nagevorderde belasting. Het te dezen bestaande onderscheid in de wettelijke regelingen heeft voor de beslissing geen betekenis, zodat hierna uitsluitend wordt verwezen naar de regelingen zoals deze luiden vanaf 1998 en de daarbij behorende terminologie.

4.9.3. Op grond van artikel 67e van de AWR kan de inspecteur met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag een vergrijpboete opleggen, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting.

4.9.4. Ingeval van ‘opzet’ bedraagt de boete 50% (§ 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, hierna: BBBB), tenzij sprake is van strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in § 43 van het BBBB in welk geval de boete tot 100% kan worden verhoogd.

4.9.5. Voor wat betreft de boetes acht de rechtbank gelet op het in 2.8 en 4.4.2 overwogene door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in ieder geval vanaf 21 december 1994 tot en met 2005 rechthebbende was tot een in het buitenland aangehouden tegoed bij Van Lanschot.

4.9.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur gelet op de in 2.8 genoemde data van de renseignementen en omvang van de saldi op die data, voldoende aannemelijk gemaakt dat de opzet van belanghebbende betreffende de jaren 1995 en 1996, was gericht op het niet aangeven van (inkomsten uit de) desbetreffende tegoeden. Het gebruikmaken van een aparte bankrekening in een land met een bankgeheim strekte, naar mag worden aangenomen, tot doel die tegoeden buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. Op grond hiervan wordt dan ook aangenomen – belanghebbende heeft dat ook niet betwist – dat belanghebbende wist dat tegoeden en inkomsten van een buitenlandse bankrekening moeten worden aangegeven bij de Nederlandse fiscus.

Het gaat hier echter mede om een boete voor het jaar 2002 en de inspecteur dient voor dit jaar ook opzet aannemelijk te maken (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN BN6350, BNB 2011/207). Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Het bij Van Lanschot op 28 november 1996 door belanghebbende aangehouden saldo was substantieel, namelijk ƒ 339.776,86. Gelet op de hoogte van het verzwegen vermogen en de wijze waarop het vermogen belegd is, namelijk in obligaties wat wijst op een belegging voor de lange termijn, is het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende ook in het jaar 2002 in ieder geval een deel van dit tegoed buiten het zicht van de fiscus heeft gehouden. Het door belanghebbende niet ontzenuwde vermoeden is daarmee dusdanig sterk dat daarmee ook voor beboetingsdoeleinden - zonder schending van de waarborgen die belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM - het van de inspecteur verlangde bewijs geleverd is dat belanghebbende het beboetbare feit heeft gepleegd. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat belanghebbende in ieder geval een deel van het sinds 28 november 1996 aanwezige vermogen ook nadien heeft aangehouden in het buitenland en dat hij evenals hiervoor overwogen voor de jaren 1995 en 1996, de (forfaitaire inkomsten uit de) desbetreffende tegoeden opzettelijk niet heeft aangegeven in de aangifte IB/PVV 2002 met het doel hierover geen belasting te betalen. De omstandigheid dat de tegoeden in het buitenland zijn aangehouden met het doel deze buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, vormt voorts een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in § 43 van het BBBB, zodat in beginsel een boete van 100% gerechtvaardigd is.

4.9.7. Met betrekking tot de vraag of een boete passend en geboden is, neemt de rechtbank in aanmerking de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (vgl. Hoge Raad 18 januari 2008, nr. 41 832, LJN: BC1962 en Hoge Raad 24 oktober 2008, nr. 07/12139, LJN: BG1239). In het onderhavige geval is de hoogte van de verschuldigde belastingbedragen komen vast te staan met toepassing van de omkering van de bewijslast. Daarbij heeft de inspecteur de saldi van belanghebbendes Van Lanschot-rekening en de daaruit genoten inkomsten geschat. De rechtbank heeft, naar hiervoor onder 4.7.6 is overwogen, geoordeeld dat deze schatting redelijk is. Het schatten van de saldi en inkomsten brengt naar zijn aard de mogelijkheid mee dat de in werkelijkheid aanwezige tegoeden en daaruit genoten inkomsten lager zijn. Belanghebbende verkeerde echter als rekeninghouder als enige in de positie om duidelijkheid te verschaffen omtrent de daadwerkelijk aanwezige saldi en de daaruit genoten inkomsten. Als gevolg van belanghebbendes keuze om die informatie niet te verstrekken, was de inspecteur genoodzaakt om schattingen van de saldi en inkomsten te maken. De rechtbank acht de door de inspecteur opgelegde verhoging en vergrijpboetes onder die omstandigheden, ook rekening houdend met de omstandigheid dat de verschuldigde belastingbedragen zijn komen vast te staan met omkering van de bewijslast, passend en vanuit een oogpunt van normhandhaving geboden. Met voorbijgaan aan de overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank boetes van f 8.892 (€ 4.035) (IB/PVV 1995), € 2.121 IB/PVV 2002) en f 2.600 (€ 1.180) (VB 1996), gelet op alle omstandigheden van het geval, derhalve passend en geboden.

4.9.8. Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat de boetes in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, verder moeten worden verminderd.

4.9.9. Een beboete heeft op grond van onder meer artikel 6, lid 1, van het EVRM het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. In het arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn in beginsel twee jaar is (voor bezwaar- en beroepsfase), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijkheid van de duur van berechting van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek en de omvang van het verrichte onderzoek;

b. de invloed van de belanghebbende op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen;

c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;

d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.

4.9.10. De termijn vangt aan op het moment dat vanwege de inspecteur jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat genoemde termijn is aangevangen op 26 november 2007, zijnde de datum van de kennisgeving van de boete. In deze brief heeft de inspecteur de boetes die betrekking hebben op de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995, IB/PVV 2002 en VB 1996 aangekondigd. Sinds die datum tot heden zijn ongeveer 61 maanden verstreken. Voor de vraag of en zo ja in hoeverre sprake is van overschrijding van de redelijke termijn dient, gelet op het onder 4.9.9 genoemde arrest van de Hoge Raad, te worden beoordeeld in hoeverre bijzondere omstandigheden een langere termijn dan 2 jaar rechtvaardigen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

4.9.11. De bezwaarfase heeft geduurd van 9 januari 2008 tot 2 juni 2009. In zijn brief van 11 maart 2008 duidt de gemachtigde van belanghebbende het bezwaarschrift van 9 januari 2008 aan als een pro forma bezwaarschrift, kondigt hij aan binnen zes weken over te gaan tot het opstellen van een standaard bezwaarschrift en verzoekt hij het bezwaarschrift aan te houden totdat door hem de gronden van het bezwaar zijn ingediend. Het bezwaar is op 17 april 2008 gemotiveerd. Daarbij is verzocht om aanhouding voor wat betreft het onderdeel van de twaalfjaarstermijn totdat op dat punt antwoord is gekregen.

4.9.12. De tijdsduur die gepaard gaat met herstel van vormgebreken alsmede met door de belastingplichtige op eigen initiatief aangekondigde aanvullingen komt voor rekening van de belastingplichtige. Het betreffende tijdsverloop bedraagt ongeveer 3 maanden en rechtvaardigt in zoverre een langere termijn dan 2 jaar.

4.9.13. Ook de tijdsduur die gemoeid is met de aanhouding van een bezwaar in afwachting van de uitkomst van gestelde prejudiciële vragen verlengt als regel de redelijke termijn. Die verlenging moet in beginsel ook in aanmerking worden genomen indien de zaak van een belastingplichtige inhoudelijk verwant is aan een op dat moment aanhangige andere zaak waarin prejudiciële vragen zijn gesteld, waarvan de beantwoording relevant is voor (een) in de zaak van die belastingplichtige te nemen beslissing(en). Niet aannemelijk is echter geworden dat het in 4.9.11 vermelde aanhoudingsverzoek hier tot enige vertraging heeft geleid. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor verlenging van de redelijke termijn in verband met de door belanghebbende verzochte aanhouding totdat duidelijkheid bestond over de twaalfjaarstermijn.

4.9.14. Belanghebbende heeft in zijn (pro forma) beroepschrift van 30 juni 2009 verzocht om de onderhavige zaken aan te houden in afwachting van de uitkomsten van vergelijkbare procedures inzake het ‘Van Lanschot-project’ die inmiddels aanhangig waren bij de rechtbank Haarlem. Bij brief van 17 augustus 2009 heeft de rechtbank ingestemd met dit verzoek. Bij brief van 2 juli 2010 heeft de rechtbank partijen bericht dat niet langer zal worden gewacht op de uitspraken van Rechtbank Haarlem. In deze brief heeft de rechtbank verder belanghebbende verzocht om binnen 4 weken zijn beroepschrift nader te motiveren. In reactie hierop heeft belanghebbende in zijn brief van 5 juli 2010 verzocht om de door de rechtbank gestelde termijn voor motivering met nog eens 4 weken extra te verlengen. Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk om bij beoordeling van de redelijke termijn voor de beroepsfase rekening te houden met de vertraging als gevolg van het verzochte uitstel voor het motiveren door belanghebbende en met het tijdelijk stilleggen van de beroepsprocedure in afwachting van de uitspraken van Rechtbank Haarlem. Een dergelijke handelwijze is volgens de rechtbank acceptabel, omdat dat in het belang is van een behoorlijke en efficiënte rechtspleging. De vertraging als gevolg van belanghebbendes aanhoudingsverzoek betreft de periode, naar het oordeel van de rechtbank, vanaf 17 augustus 2009 tot en met 2 juli 2010, derhalve (afgerond) 11 maanden. Door het later motiveren van het beroepschrift bedraagt de vertraging naar het oordeel van de rechtbank 1 maand.

4.9.15. De rechtbank komt derhalve tot de slotsom dat de redelijke termijn in dit geval met 22 maanden (61 maanden minus 24 maanden minus 3 maanden minus 11 maanden minus 1 maand) is overschreden.

Gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn dienen de resterende boetes verder te worden gematigd met 20%. De boetes bedragen dan:

IB/PVV 1995: f 7.113 (80% van f 8.892).

Dit resulteert in een kwijtschelding van f 1.846 (f 8.959 minus f 7.113).

IB/PVV 2002: € 1.696 (80% van € 2.121)

Dit resulteert in een vermindering van de boete met € 2.789. (€ 4.485 minus € 1.696).

VB 1996: f 2.080 (80% van f 2.600)

Dit resulteert in een kwijtschelding van f 1.192 (ƒ 3.272 minus f 2.080).

Heffingsrente

4.10.1. De beschikking heffingsrente bij de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 1996, IB/PVV 1997, IB/PVV 1998, IB/PVV 1999, IB/PVV 2000, IB/PVV 2001, IB/PVV 2003, IB/PVV 2004, IB/PVV 2005,VB 1997, VB 1998, VB 1999 en VB 2000, dient gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor in 4.6 en 4.8.1 in samenhang met 4.8.2 heeft overwogen te worden vernietigd.

4.10.2. In geschil zijn derhalve nog de heffingsrentebeschikkingen die samenhangen met de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 1995, IB/PVV 2002 en VB 1996.

4.10.3. Belanghebbende heeft onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2009 (LJN: BJ8524) en van 28 maart 2011 (LJN: AB0764), betoogd dat het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat de periode waarover heffingsrente wordt berekend met betrekking tot alle navorderingsaanslagen moet worden beperkt tot de dagtekening van de eerste serie opgelegde navorderingsaanslagen eind 2007. Deze grief heeft derhalve, naar de rechtbank begrijpt, geen betrekking op de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995, VB 1996 en IB/PVV 2002, die eind 2007 zijn opgelegd.

4.10.4. Aangezien belanghebbende voor het overige geen concrete bezwaren tegen de beschikkingen inzake heffingsrente hebben ingebracht en de rechtbank ook niet is gebleken dat die beschikkingen onjuist zouden zijn vastgesteld, moet de onderwerpelijke grief worden verworpen.

Immateriële schadevergoeding

4.11.1. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding van de immateriële schade als gevolg van de lange behandelingsduur van het bezwaar en beroep.

4.11.2. De rechtbank stelt vast dat tussen de ontvangst van de bezwaarschriften door de inspecteur (voor de eerste serie aanslagen: 9 januari 2008 en voor de tweede serie aanslagen: 26 november 2008) en de dagtekening van de uitspraak daarop (2 juni 2009) een tijdsverloop zit van circa één jaar en vijf maanden respectievelijk zes maanden. Het beroepschrift is bij de rechtbank binnengekomen op 1 juli 2009. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 19 december 2012. Dat is ongeveer drie jaar en zes maanden na ontvangst van het beroepschrift.

4.11.3. De behandelduur van het bezwaar en beroep bedraagt daarmee voor de eerste serie aanslagen ongeveer 4 jaar en 11 maanden en voor de tweede serie aanslagen ongeveer 4 jaar.

Vanaf het moment waarop de tweede serie aanslagen zijn opgelegd, zijn de bezwaar- en beroepsprocedure van de eerste en tweede serie aanslagen min of meer synchroon gaan lopen. De rechtbank stelt dan onder verwijzing naar de door Hof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 23 augustus 2012, nr. 04/01848, LJN BX5668, geformuleerde algemene richtlijnen, het volgende voorop. Een belastingplichtige die in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende en gezamenlijk behandelde geschillen over meerdere belastingjaren aanhangig heeft gemaakt, zal in het algemeen meer spanning en frustratie ondervinden van de overschrijding van de redelijke termijn dan de belastingplichtige die procedeert over één belastingjaar. Er zal in het algemeen echter geen strikte evenredigheid bestaan tussen de mate van spanning en frustratie die wordt ondervonden en het aantal aanhangige geschillen. De ter zake van die geschillen in totaal toegekende schadevergoeding dient in redelijke mate van evenredigheid te staan tot de door de belastingplichtige geleden schade.

4.11.4. De rechtbank merkt de onderhavige navorderingsaanslagen IB/PVV en VB van belanghebbende aan als in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende zaken die maximaal ongeveer 4 jaar lang gezamenlijk zijn behandeld. De overschrijding van de redelijke termijn is het langst voor wat betreft de eerste serie aanslagen waarvan de totale behandelduur 4 jaar en 11 maanden – dus 59 maanden – bedroeg. De overschrijding bedraagt dan, gelet op hetgeen onder 4.9.11 tot en met 4.9.14 is overwogen, 20 maanden (59 maanden minus 24 maanden minus 3 maanden minus 11 maanden minus 1 maand). De rechtbank ziet hierin aanleiding voor alle onderhavige zaken tezamen eenmaal schadevergoeding toe te kennen wegens een termijnoverschrijding van 20 maanden en voor het overige te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

4.11.5. De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat het onderzoek op grond van artikel 8:73 van de Awb moet worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak op het verzoek van belanghebbende om de door hem geleden schade te vergoeden. De rechtbank zal met het oog daarop de Minister van Veiligheid en Justitie in de voortzetting van deze procedure betrekken.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Net als blijkbaar partijen, ziet de rechtbank daarbij geen aanleiding om af te wijken van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De rechtbank beschouwt daarbij de zaken deels als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit, en wel als volgt:

- de zaken van belanghebbende en van [Y] zijn samenhangend;

- er is alleen samenhang voor zover de aanslagen betrekking hebben op hetzij IB/PVV, inclusief kwijtscheldingsbesluiten, verhogingen/boetes en heffingsrente, hetzij vermogensbelasting inclusief kwijtscheldingsbesluiten, verhogingen/boetes en heffingsrente;

- voor de bezwaarfase bestaat samenhang indien de bezwaarschriften op of rond dezelfde datum zijn ingediend. Daar geldt dus een onderscheid tussen de eerste serie aanslagen en de tweede;

5.2. De kosten voor de bezwaarfase worden dan op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld als volgt:

- voor de procedurenummers 09/2894 en 09/2895 (IB/PVV, eerste serie): op 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161 is € 322;

- voor procedurenummer 09/2896 (VB, eerste serie): 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161 is € 322;

- voor de procedurenummers 09/2897 tot en met 09/2905 en 09/2910 t/m 09/2914 (IB/PVV, tweede serie): 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161 met toepassing van een factor 1,5 wegens meer dan drie zaken is € 483;

- voor de procedurenummers 09/2906 tot en met 09/2909 (VB, tweede serie): 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161 met toepassing van een factor 1,5 wegens meer dan drie zaken is € 483.

Zodat de totale vergoeding voor de bezwaarfase wordt € 1.610.

5.3. De kosten voor de beroepsfase worden vastgesteld als volgt:

- voor de procedurenummers 09/2894, 09/2895, 09/2897 tot en met 09/2905 en 09/2910 t/m 09/2914 (IB/PVV): 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 23 oktober 2012 en 0,5 punt voor het verschijnen op de (nadere) zitting van 24 oktober 2012, 0,5 punt voor het geven van nadere inlichtingen, met een waarde per punt van € 322, een wegingsfactor van 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor van 1,5 wegens de samenhang van de zaken is € 1.449;

- voor de procedurenummers 09/2896, 09/2906 tot en met 09/2909 (VB): hetzelfde als hiervoor is € 1.449.

5.4. De totale proceskostenvergoeding wordt dan € 4.508. Nu de rechtbank daarvan een deel groot € 1.125 aan [Y] heeft toegekend, zal de rechtbank belanghebbende een vergoeding toekennen van het verschil of € 3.383.

6. Beslissing

De rechtbank:

IB/PVV 1995

- verklaart het beroep gegrond ;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar

- vermindert de navorderingsaanslag tot een bedrag van f 8.892;

- scheldt de verhoging van ƒ 8.959 begrepen in de navorderingsaanslag voor een bedrag van f 1.846 kwijt;

- vermindert de beschikking heffingsrente tot een bedrag van f 3.872

IB/PVV 1996

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de daarin begrepen bedragen aan verhoging en heffingsrente.

- vernietigt het kwijtscheldingsbesluit.

IB/PVV 1997

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de daarin begrepen bedragen aan verhoging en heffingsrente.

- vernietigt het kwijtscheldingsbesluit.

IB/PVV 1998

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de daarin begrepen bedragen aan boete en heffingsrente.

IB/PVV 1999

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de daarin begrepen bedragen aan boete en heffingsrente.

IB/PVV 2000

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de daarin begrepen bedragen aan boete en heffingsrente.

IB/PVV 2001

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de daarin begrepen bedragen aan boete en heffingsrente.

IB/PVV 2002

- verklaart het beroep gegrond

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een bedrag van € 2.121;

- vermindert de boete tot een bedrag van € 1.696;

- vermindert de heffingsrente tot een bedrag van € 506.

IB/PVV 2003

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot het bedrag van de daarin begrepen belasting zodat resteert € 2.338.

IB/PVV 2004

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot het bedrag van de daarin begrepen belasting zodat resteert € 2.556.

IB/PVV 2005

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot het bedrag van de daarin begrepen belasting zodat resteert € 2.782.

VB 1996

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de navorderingsaanslag tot een bedrag van f 2.600;

- scheldt de verhoging van f 3.272 begrepen in de navorderingsaanslag voor een bedrag van f 1.192 kwijt;

- vermindert de heffingsrente tot een bedrag van f 1.128.

VB 1997

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de daarin begrepen bedragen aan verhoging en heffingsrente.

- vernietigt het kwijtscheldingsbesluit.

VB 1998

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de daarin begrepen bedragen aan verhoging en heffingsrente.

- vernietigt het kwijtscheldingsbesluit.

VB 1999

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de daarin begrepen bedragen aan boete en heffingsrente.

VB 2000

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag en de daarin begrepen bedragen aan boete en heffingsrente.

IB/PVV 1995 tot en met IB/PVV 2005 en VB 1996 tot en met VB 2000

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.383;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt;

- stelt vast dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding op een nadere uitspraak over het verzoek om (immateriële) schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb en merkt de Minister van Veiligheid en Justitie aan als partij in die procedure

Deze uitspraak is gedaan op 19 december 2012 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 28 december 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.