Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ8290

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
11/1467
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/1467

Uitspraakdatum: 25 mei 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 31 januari 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar bij beschikking opgelegde verzuimboete van € 2.460, gelijktijdig vastgesteld met de aan belanghebbende over het jaar 2009 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Cadier en Keer, en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de boete tot € 452;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 874;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 302 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende heeft voor haar fiscale aangelegenheden een administratiekantoor ingeschakeld. Zij is door de inspecteur uitgenodigd tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2009 (hierna: de aangifte). Volgens de uitnodiging diende de aangifte op 1 juni 2010 te zijn ingediend. Op 6 juli 2010 heeft de inspecteur aan belanghebbende een herinnering gestuurd om vóór 20 juli 2010 aangifte te doen. Na het uitblijven van die aangifte heeft de inspecteur vervolgens belanghebbende bij brief van 13 september 2010 aangemaand vóór 27 september 2010 aangifte te doen. In de aanmaning is belanghebbende erop gewezen dat een boete zou worden opgelegd indien de aangifte niet zou worden ingediend binnen de gestelde termijn. De herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte zijn aan belanghebbendes vestigingsadres gezonden. Belanghebbende heeft hierop telefonisch contact opgenomen met haar administratiekantoor en deze brieven aan dat kantoor doen toekomen. Op 20 oktober 2010 heeft belanghebbende de aangifte 2009 ingediend.

2.2. Met dagtekening 6 november 2010 is de aanslag over het jaar 2009 ambtshalve vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 1.000. Gelijktijdig is bij beschikking een verzuimboete ten bedrage van € 2.460 opgelegd. De gegevens waarop de aanslag is gebaseerd zijn door de inspecteur op 14 oktober 2011 ingevoerd in het programma dat die aanslagen opstelt en zorg draagt voor de verzending daarvan. Naar aanleiding van de ingediende aangifte is in bezwaar het belastbaar bedrag conform de aangifte naar nihil bijgesteld. De verzuimboete is in stand gebleven.

2.3. In geschil is het antwoord op de vraag of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

2.4. Niet in geschil is dat de aangifte eerst op 20 oktober 2010 is ingediend. De aangifte is naar het oordeel van de rechtbank niet binnen de daartoe gestelde termijn ingediend. Deze termijn liep immers op 27 september 2010 af. De omstandigheid dat belanghebbende de aangifte over 2009 vóór het opleggen van de aanslag heeft ingediend, neemt niet weg dat zij die aangifte niet tijdig heeft gedaan. In dit geval is de aangifte binnengekomen na het moment waarop de vereiste handelingen voor het vaststellen van de ambtshalve aanslag, op 14 oktober 2010, reeds waren verricht en is die aanslag bij uitspraak op bezwaar vernietigd overeenkomstig de alsnog binnengekomen aangifte. Voor deze extra werkzaamheden houdt de rechtbank primair belanghebbende verantwoordelijk.

2.5.1. Voor zover belanghebbende betoogt dat hetgeen haar gemachtigde heeft nagelaten niet aan haar aan worden toegerekend, nu zij zich voor het doen van aangifte door haar gemachtigde liet bijstaan, overweegt de rechtbank het volgende. Dit betoog verstaat de rechtbank als een beroep op afwezigheid van alle schuld. De bewijslast ter zake ligt bij belanghebbende. Met name dient zij, tegenover de betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken dat zij alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te verlangen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat de aangifte binnen de gestelde termijn werd ingediend (vergelijk HR 15 juni 2007, nr. 42687, LJN: BA7184).

2.5.2. Ervan uitgaande dat belanghebbende de uitnodiging tot het doen van aangifte, de herinnering en de aanmaning tot het doen van aangifte heeft ontvangen, lag het op haar weg om naar aanleiding daarvan contact op te nemen met haar gemachtigde, aan wie zij het opstellen en indienen van haar aangiften had opgedragen om ervoor te zorgen dat deze de aangifte binnen de gestelde termijn zou indienen. Nu belanghebbende heeft volstaan met het doorgeven van die brieven en telefonisch contact heeft opgenomen met haar administratiekantoor en geen verdere actie heeft ondernomen, is zij tekortgeschoten in de zorg die in deze redelijkerwijs van haar gevergd mocht worden. Toen de herinnering is afgegeven en daarover is gebeld bleek immers bij de aanmaning die reactie te kort te schieten. Door die actie dan te herhalen bij ontvangst van de aanmaning heeft belanghebbende in haar zorg tekortgeschoten zodat van afwezigheid van alle schuld geen sprake is.

2.6. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een verzuimboete is dus voldaan. Ingevolge paragraaf 21 BBBB wordt ter zake van een aangifteverzuim voor aanslagbelastingen een boete opgelegd van € 226. Hierop wordt een uitzondering gemaakt voor een aangifteverzuim bij de vennootschapsbelasting. In dat geval bedraagt de verzuimboete 50% van de maximale boete van € 4.920 van artikel 67a AWR, derhalve € 2.460. Volgens belanghebbende kan de rechtsvorm niet bepalend zijn voor de hoogte van de boete en dient te worden aangesloten bij de boete voor een ondernemer in de inkomstenbelasting.

2.7. De rechtbank acht het niet onredelijk dat in het BBBB een onderscheid wordt gemaakt tussen aangifteverzuimen voor de inkomsten- en die voor de vennootschapsbelasting. Het drijven van de onderneming in de vorm van een BV of NV heeft immers administratieve gevolgen. Zo dient de BV/NV notarieel te worden opgericht en moeten de jaarstukken worden gepubliceerd. Ook zullen BV’s en NV’s in het algemeen personeel hebben en derhalve administratieve verplichtingen hebben voor de loonbelasting en sociale verzekeringen, in tegenstelling tot de situatie van eenmanszaken in de inkomstenbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank zal er bij een BV of NV dan ook in het algemeen sprake zijn van een andere - uitgebreidere - administratieve organisatie dan bij een ondernemer in de inkomstenbelasting en mogen aan de administratieve organisatie ook hogere eisen worden gesteld. Dat in de praktijk niettemin natuurlijke personen relatief meer tijdig aangifte blijken te doen dan rechtspersonen rechtvaardigt in beginsel een verschil in de hoogte van de verzuimboete bij het niet voldoen aan administratieve verplichtingen zoals het (tijdig) doen van aangiften.

2.8. De vraag die vervolgens voorligt, is of de aan belanghebbende opgelegde boete van € 2.460 passend en geboden is. De rechtbank dient immers te beoordelen of, gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden van het gegeven geval, de inspecteur terecht een zo hoge verzuimboete heeft opgelegd (Hoge Raad 10 juni 2005, nr. 40601, BNB 2005/293).

2.9. Hetgeen onder 2.7 is overwogen rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank echter niet een zo groot verschil in verzuimboete voor het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte door een natuurlijk dan wel een rechtspersoon. De verzuimboete van € 2.460 is proportioneel te hoog in vergelijking met de verzuimboete van € 226 die aan een natuurlijk persoon in de inkomstenbelasting voor eenzelfde feit wordt opgelegd. Nu voorts geen sprake is van recidive acht de rechtbank, een en ander in onderling verband bezien, een boete van € 452 passend en geboden.

2.10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard.

2.11. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in bezwaar nu belanghebbende daar in de bezwaarfase niet om heeft verzocht.

Deze uitspraak is gedaan op 25 mei 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 31 mei 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.