Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ3537

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-12-2012
Datum publicatie
07-03-2013
Zaaknummer
11/3131
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst verzoek om immateriële schadevergoeding in KB Lux-zaak af. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden als genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006. Deze omstandigheden worden veroorzaakt doordat belanghebbenden beroep hebben aangetekend tegen een brief van de inspecteur die geen uitspraak op bezwaar was. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep de primaire oorzaak is dat ter zake van de navorderingsaanslagen eerst op 2 mei 2011 uitspraken op bezwaar zijn gedaan. De tengevolge van het instellen van dat beroep verstreken tijd kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet, ook niet ten dele, aan de inspecteur worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 976
FutD 2013-0746
V-N Vandaag 2013/624

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 11/3131 en 11/3134

Uitspraakdatum: 17 december 2012

Proces-verbaal van de mondelinge nadere uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingevolge artikel 8.73 van de Awb betreffende het geding tussen

[belanghebbenden],

belanghebbenden,

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg,

de inspecteur,

en

de Minister van Veiligheid en Justitie,

de Minister.

Betreft:

Het verzoek van belanghebbenden om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn betreffende de geschillen bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 11/3131 en 11/3134.

Zitting

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

1. Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

2. Gronden

Feiten

2.1. In 1994 zijn door voormalige medewerkers van de Kredietbank S.A. Luxembourgeoise (hierna: KB Lux) microfiches met informatie over rekeninghouders bij de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn, althans een deel ervan is, in handen gekomen van de Belgische autoriteiten.

2.2. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie te België op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG spontaan inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën, Belastingdienst/FIOD/Haarlem Internationaal, bestaande uit fotokopieën van microfiches (hierna: de fotokopieën) met gegevens over financiële rekeningen bij KB Lux op naam van inwoners van Nederland.

2.3. Naar aanleiding van deze inlichtingen is door de FIOD-ECD en de Belastingdienst een onderzoek ingesteld, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het Rekeningenproject is eind 2001 van start gegaan.

2.4. Belanghebbenden zijn de erfgenamen van wijlen [erflater] (hierna: erflater). Erflater is op [datum] 1996 overleden. Begin oktober 2001 is erflater geïdentificeerd als houder van rekeningen bij de KB Lux. Met dagtekening 30 december 2002 heeft de inspecteur aan belanghebbenden een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1990 opgelegd, alsmede een navorderingsaanslag vermogensbelasting voor het jaar 1991. Belanghebbenden hebben tegen deze navorderingsaanslagen bij brief van 21 januari 2003, bij de inspecteur ingekomen op 22 januari 2003, bezwaar gemaakt.

2.5.1. In verband met de lopende procedure Nauta heeft de inspecteur op 11 april 2003 verzocht de bezwaarschriften te mogen aanhouden.

2.5.2. Bij brief van 14 april 2003 heeft de gemachtigde de inspecteur gevraagd de voornoemde navorderingsaanslagen en boeten te vernietigen. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 12 maart 2003.

2.5.3. In zijn brief van 17 april 2003 reageert de inspecteur afwijzend op dit verzoek. Hij geeft in zijn brief aan: “In deze brief reageer ik op uw verzoek, maar deze reactie is geen uitspraak op bezwaar”. Hij geeft verder aan, onder verwijzing naar artikel 25 van de AWR, dat de termijn voor het afdoen van de betreffende bezwaarschriften wordt verlengd.

2.6. Namens belanghebbenden is op 28 mei 2003 bij Hof ’s-Hertogenbosch beroep aangetekend tegen de brief van de inspecteur van 17 april 2003.

2.7. De weduwe van erflater heeft op 24 september 2003 volledige openheid van zaken gegeven aan de Nederlandse belastingdienst omtrent de bij (onder meer) de KB Lux aangehouden bankrekening(en) van haarzelf en wijlen haar echtgenoot.

2.8. De inspecteur heeft op 14 november 2003 zijn verweerschrift bij het hof ingediend. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift vermeld dat in geschil is of er sprake is van een voor beroep vatbare uitspraak. Kort gezegd concludeert de inspecteur dat het beroep van belanghebbenden niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat er geen sprake is van een voor beroep vatbare uitspraak op bezwaar. Een inhoudelijke beoordeling komt volgens de inspecteur niet aan de orde. Hij verzoekt het hof om de procedure op dezelfde dag mondeling te behandelen als andere procedures met dezelfde problematiek en geeft aan prijs te stellen op een mondelinge behandeling.

2.9. Op 19 mei 2005 heeft de inspecteur belanghebbenden verzocht het onder 2.6 genoemde beroep in te trekken.

2.10. Op 13 april 2007 heeft de Hoge Raad in een vergelijkbaar geval als het onder 2.6 genoemde beroep geoordeeld dat er geen sprake is van een uitspraak op bezwaar van de betreffende inspecteur.

2.11.1. Op 7 januari 2010 heeft het hof het onder 2.6 vermelde beroep op zitting behandeld. Op 27 juli 2010 heeft een tweede zitting plaatsgevonden. Naar aanleiding van de zitting heeft de inspecteur op 20 augustus 2010 een brief aan de gemachtigde gestuurd. In deze brief (van [mr. A]) staat:

“Op grond van de huidige stand van de jurisprudentie, welke is gevormd nadat u het beroep hebt ingesteld en betrekking heeft op vergelijkbare zaken c.q. vergelijkbare brieven van de inspecteur, lijkt een verdere voortzetting van de procedure niet zinvol. Wij hebben daarom over de mogelijkheid gesproken dat uw cliënt het onderhavige beroep zou intrekken.

Uw cliënt heeft tegen de jaren waar het beroep betrekking op had bezwaar ingediend. Op dit bezwaar is nog geen uitspraak gedaan. Indien het onderhavige beroep wordt ingetrokken behoudt uw cliënt alle rechten om zich tegen deze opgelegde aanslagen te kunnen verweren. Op de ingediende bezwaren zal te zijner tijd uitspraak worden gedaan. Uiteraard doe ik u hierbij de toezegging dat de fiscus zich nimmer op het standpunt zal stellen dat de brief waartegen u beroep hebt ingesteld als uitspraak op het ingediende bezwaar dient te worden beschouwd.

Ik verzoek u daarom deze procedure in te trekken.”

2.11.2. Bij brief van 21 september 2010 schreef de gemachtigde onder meer aan de inspecteur:

“Op 27 juli 2010 heeft de zitting plaatsgehad in de zaak van de erven van de heer [erflater] met betrekking tot de navorderingsaanslag Inkomstenbelasting 1990 en Vermogensbelasting 1991. Op die dag heb ik met [mevrouw A] afgesproken dat zij mij een brief zou toezenden, waarin zij zou verklaren dat ter zake van de Inkomstenbelasting 1990 en de Vermogensbelasting 1991 nog geen uitspraak op bezwaar is gedaan. Deze brief heb ik inmiddels ontvangen. Naar aanleiding daarvan is de beroepsprocedure ingetrokken. Een bevestigingsbrief van het Gerechtshof stuur ik als bijlage mee.

Het voorgaande brengt met zich mede dat op de bezwaren ter zake van deze aanslagen alsnog uitspraak dient te worden gedaan. Graag plan ik met u een datum voor een hoorgesprek (…)”

2.12.1. Op 15 oktober 2010 heeft de inspecteur gebeld met het kantoor van de gemachtigde om een afspraak voor het hoorgesprek te maken. Tijdens het telefoongesprek gaf de secretaresse aan dat gemachtigde niet aanwezig was en dat deze zou terugbellen.

2.12.2. Op 21 oktober 2010 heeft de gemachtigde de inspecteur teruggebeld met de mededeling dat er vóór 8 december 2010 nog nader bericht zal volgen.

2.12.3. Op 8 december 2010 is een nadere motivering van de bezwaren bij de inspecteur binnengekomen. Op 10 januari 2011 heeft de inspecteur hierop gereageerd.

2.12.4. Op 18 januari 2011 heeft de gemachtigde verzocht om inzage in het dossier c.q. toezending van een kopie van de stukken. Op 18 januari 2011 heeft de inspecteur een emailbericht naar de gemachtigde gestuurd met de mededeling dat het een grote hoeveelheid stukken betreft en heeft hij de gemachtigde verzocht om een afspraak te maken voor de inzage.

2.12.5. Op 18 maart 2011 heeft inzage in het dossier plaatsgevonden.

2.12.6. In haar brief aan de inspecteur van 16 april 2011 geeft de gemachtigde aan dat inmiddels inzage in het dossier heeft plaatsgevonden en dat de bezwaren niet worden ingetrokken. Zij verzoekt in haar brief om zonder te worden gehoord, uitspraak te doen.

2.12.7. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar met dagtekening 2 mei 2011 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.12.8. Belanghebbenden hebben daartegen bij brief van 10 juni 2011 beroep ingesteld.

2.12.9. De rechtbank heeft op de beroepen op 3 augustus 2012 uitspraken gedaan. De rechtbank heeft daarbij de door belanghebbenden ingestelde beroepen ongegrond verklaard en bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.

2.12.10. De rechtheeft heeft de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) met toepassing van artikel 8:26 van de Awb in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Bij brief van 3 september 2012 heeft de Directeur Financiën, Bedrijfsvoering en Toezicht (hierna: de Directeur) namens de Minister van Veiligheid en Justitie zijn zienswijze gegeven. De inspecteur en belanghebbenden hebben op deze zienswijze gereageerd op respectievelijk 13 september 2012 en 18 september 2012. De inspecteur heeft bij brief van 25 september 2012 op deze reactie van belanghebbenden gereageerd. Belanghebbenden hebben op 30 oktober 2012 gereageerd.

Vooraf

2.13. Belanghebbenden hebben aangevoerd dat uit de gedingstukken niet blijkt dat de Directeur via tussenkomst van de Raad is gemandateerd om namens de Staat der Nederlanden deel te nemen aan de onderhavige procedure. Indien en voor zover de Directeur al gemandateerd zou zijn, is volgens belanghebbenden de vraag of alle in het mandaatbesluit gestelde voorwaarden zijn toegepast. Zonder klaarheid over voornoemde punten dient naar het oordeel van belanghebbenden de reactie (inhoudelijk) geen onderdeel uit te maken van het geding. Gelet op de Mandaat- en volmachtregeling secretaris/directeur bureau Raad voor de rechtspraak, Stcrt. 2003, nr. 93, heeft de Directeur bevoegdelijk gehandeld.

Juridisch kader

2.14.1. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Dit beginsel noopt ertoe dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM. Uit onder meer het arrest van 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi Pizatti tegen Italië, JB 2006/134 volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld (vergelijk Hoge Raad, 10 juni 2011, zaaknr. 09/02639, LJN BO5046). Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb kan de inspecteur (of de Staat der Nederlanden) tot vergoeding van die schade worden veroordeeld

2.14.2. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006. Dit betekent dat als uitgangspunt geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet, de duur van de bezwaarfase daarbij inbegrepen. De in aanmerking te nemen termijn begint bij dergelijke geschillen in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. De redelijkheid van de duur van berechting van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek en de omvang van het verrichte onderzoek;

b. de invloed van de belanghebbende op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.

c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;

d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.

2.14.3. Over een verdeling van de termijn tussen rechtbank en bestuursorgaan heeft de Hoge Raad zich niet uitgelaten.

Beoordeling

2.15. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbenden doordat onjuist aangifte is gedaan, niet in aanmerking komen voor een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft dienaangaande reeds in de uitspraken in de hoofdzaak overwogen dat de periode waarop de schadevergoeding ziet, betrekking heeft op de periode van bezwaar en beroep. De grondslag voor de aanwezigheid van spanning en frustratie welke tot een vergoeding van immateriële schade kan leiden is de duur van de rechtsgang. De invloed van belanghebbenden op hetgeen zich vóór deze periode heeft voorgedaan, acht de rechtbank niet relevant. Voorts heeft de inspecteur gesteld dat spanning en frustratie erflater en zijn weduwe persoonlijk raken en niet over kan gaan op de erfgenamen. Ook hiervan heeft de rechtbank in de uitspraken in de hoofdzaak overwogen dat nu vaststaat dat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd aan de erven de rechtbank niet inziet dat de erven niet degenen zijn die de (eventuele) immateriële schade hebben geleden.

2.16. De rechtbank is op basis van de eerdervermelde feiten van oordeel dat zich in het onderhavige geval bijzondere omstandigheden als vermeld onder 2.14.2 voordoen. Deze omstandigheden worden veroorzaakt door het onder 2.6 vermelde beroep. De rechtbank is namelijk van oordeel dat dit beroep de primaire oorzaak is dat ter zake van de navorderingsaanslagen eerst op 2 mei 2011 uitspraken op bezwaar zijn gedaan. De tengevolge van het instellen van dat beroep verstreken tijd kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet, ook niet ten dele, aan de inspecteur worden toegerekend. In de omstandigheid dat de inspecteur reeds kort na het instellen van voormeld beroep de gegevens heeft verkregen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting ziet de rechtbank geen reden anders te oordelen. Van de inspecteur kon niet worden geëist dat hij eerder uitspraken op bezwaar deed dan na de intrekking van het genoemde beroep. De rechtbank heeft bij het voorgaande oordeel in aanmerking genomen dat sprake is van een deskundige gemachtigde en de duur van de bezwaartermijn negatief is beïnvloed doordat belanghebbenden niet eerder tot intrekking van hun beroep zijn overgegaan – ook niet na daartoe te zijn uitgenodigd – terwijl zij de betreffende beslissing van de inspecteur redelijkerwijs niet hebben kunnen en mogen opvatten als een uitspraak op bezwaar waartegen beroep kan worden ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen gronden van billijkheid aanwezig op grond waarvan de duur die verband houdt met het bij het hof ingestelde beroep niet geheel aan belanghebbenden dient te worden toegerekend.

2.17. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling of ter zake van de onderhavige belastinggeschillen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, de periode van 28 mei 2003 tot en met 21 september 2010 buiten beschouwing moet blijven.

2.18. De bezwaarperiode is begonnen met het bezwaar van 22 januari 2003. Tot aan 28 mei 2003 zijn vier maanden en 6 dagen verstreken. De uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaak is van 3 augustus 2012. Vanaf 21 september 2010 zijn één jaar, tien maanden en 12 dagen verstreken. De bezwaar- en beroepfase beslaat daarmee twee jaren, 2 maanden en 18 dagen. In de omstandigheden van het geval, alsmede gezien de feiten vermeld onder 2.12.1 tot en met 2.12.6 en de daaruit blijkende invloed van de belanghebbende op het procesverloop, is de rechtbank van oordeel dat zich daarbij geen overschrijding van de redelijke termijn heeft voorgedaan.

Slotsom

2.19. Gelet op het voorgaande is beslist als voormeld.

Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 19 december 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.