Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ2613

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
27-02-2013
Zaaknummer
11/4181
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; verzwegen buitenlandse banktegoeden?

Belanghebbende was in 1995 houder van een Luxemburgse bankrekening. De inspecteur heeft over de daaruit verkregen rente-inkomsten een navorderingsaanslag met boete opgelegd. Belanghebbende ontkent de bankrekening te hebben verzwegen. De originele aangifte over 1995 is door de belastingdienst vernietigd.

De rechtbank overweegt dat de inspecteur hierdoor de samenstelling van het aangegeven belastbaar inkomen niet meer aannemelijk kan maken. Nu de beslissing om die gegevens te vernietigen door de belastingdienst zelf is genomen en belanghebbende geen plicht heeft gegevens over 1995 tot heden te bewaren, moeten de gevolgen van dat vernietigen voor rekening van de inspecteur blijven. De navorderingsaanslag met boete is vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0601
V-N Vandaag 2013/491
Belastingadvies 2013/7.2
V-N 2013/15.23.7

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/4181

Uitspraakdatum: 6 december 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 4 juli 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 1995 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer].H.57) naar een belastbaar inkomen van ƒ 72.626 met een verhoging van 100 percent (aangeduid als boete), waarvan geen kwijtschelding is verleend.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van [gemachtigde], en namens de inspecteur, [gemachtigden]. Tegelijkertijd zijn, met instemming van partijen, behandeld de zaken bij de rechtbank bekend onder de procedurenummers 11/4180 en 11/4181.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de navorderingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende was gedurende de periode 1994 tot en met 1996 houder van een rekening bij Van Lanschot Bankiers te Luxemburg. De rekening stond op naam van belanghebbende en zijn echtgenote.

2.2. Bij brief van 22 juli 2005 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om gegevens en inlichtingen te verstrekken betreffende buitenlandse vermogensbestanddelen. Dit omdat het vermoeden bestond dat in de aangiften inkomstenbelasting geen opgaaf was gedaan van deze vermogensbestanddelen en de eventuele opbrengsten daaruit. Bij brief van 17 augustus 2005 heeft belanghebbende over een tweede woning in Frankrijk en een bankrekening bij de CIC Lyonnaise de Banque in Frankrijk inlichtingen verstrekt.

2.3. Bij brief van 7 maart 2007 heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals verzocht om gegevens en inlichtingen te verstrekken betreffende buitenlandse vermogensbestanddelen. Naar aanleiding van dit verzoek om informatie heeft belanghebbende gegevens verstrekt over een tweede woning in Frankrijk en een bankrekening bij de CIC Lyonnaise de Banque in Frankrijk. Tevens heeft belanghebbende meegedeeld dat hij, voor zover hij zich dat kan herinneren, de afgelopen 12 jaar geen andere buitenlandse bankrekeningen heeft gehad. Voor zover die er wel zouden zijn geweest, meent belanghebbende dat die in de aangiften inkomstenbelasting over de betreffende jaren zijn opgegeven.

2.4. Bij brief van 22 november 2007 heeft de inspecteur de kennisgeving van het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag met boete toegestuurd, omdat hij over informatie beschikt waaruit blijkt dat belanghebbende in de periode 1994 tot en met 1996 een bankrekening heeft aangehouden bij Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA.

2.5. In zijn bezwaarschrift bevestigt belanghebbende dat uit door hemzelf ingewonnen informatie blijkt die hij in 1995 en 1996 bij Van Lanschot Bankiers in Luxemburg een bankrekening heeft aangehouden en verstrekt een overzicht van de eindsaldi van de betreffende rekening, zijnde respectievelijk ƒ 82.016 en ƒ 76.772 en van rente-inkomsten ƒ 5.910 per jaar.

2.6. In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur de navorderingsaanslag en boete terecht heeft gehandhaafd.

Navorderingsaanslag

2.7. Vaststaat dat belanghebbende in het onderhavige jaar houder was van een bankrekening bij Van Lanschot Bankiers in Luxemburg en dat hij daaruit rente-inkomsten heeft verkregen. Belanghebbende ontkent evenwel deze bankrekening niet in de aangifte te hebben vermeld en stelt dat de inspecteur hiervoor ook geen bewijs heeft, nu de door hem ingediende originele papieren aangiften over 1995 en 1996 inmiddels door de belastingdienst zijn vernietigd.

2.8. Nu de inspecteur heeft nagevorderd op de grond dat niet aannemelijk is dat de bankrekening in de aangifte is verantwoord, ligt de bewijslast in beginsel bij de inspecteur. De inspecteur heeft in dit verband aangevoerd dat de originele aangiften over 1995 en 1996 weliswaar zijn vernietigd, maar dat uit de zogenaamde IBS-uitdraai van de aangifte inkomstenbelasting over 1996 blijkt dat geen gegevens over rente-inkomsten of een buitenlandse rekening in de aangifte zijn opgenomen. Van de aangifte 1995 is geen IBS-uitdraai meer beschikbaar.

2.9. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de rente-inkomsten uit de rekening bij de Van Lanschot Bankiers in Luxemburg niet in de aangifte waren opgenomen en die aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De inspecteur kan de samenstelling van het aangegeven belastbaar inkomen, door het thans ontbreken van elk gegeven daarover bij de inspecteur, niet meer aannemelijk maken. Nu de beslissing om die gegevens te vernietigen door de Belastingdienst zelf is genomen en belanghebbende geen plicht heeft gegevens over 1995 tot heden te bewaren, is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen van dat vernietigen voor rekening van de inspecteur moeten blijven.

Verhoging (boete)

2.10. Nu de navorderingsaanslag niet in stand blijft kan de verhoging evenmin in stand blijven. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gehele navorderingsaanslag en het besluit geen kwijtschelding te verlenen moeten worden vernietigd.

2.11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 6 december 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 7 december 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.