Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ2579

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-10-2012
Datum publicatie
27-02-2013
Zaaknummer
11/2961
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belasting van personenauto’s en motorrijwielen bij invoer (11/2961)

De rechtbank vernietigt de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag nu deze is opgelegd voordat de BPM verschuldigd was (het moment van registratie van de auto). Verder vermindert de rechtbank de op aangifte verschuldigde BPM in verband met strijdigheid van artikel 10, tweede lid van de Wet BPM (de zogeheten 12%-regeling) met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Geen vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/521
NTFR 2013/1231 met annotatie van mr. J. Kastelein
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/2961

Uitspraakdatum: 30 oktober 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende]., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Roosendaal,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 4 of rond mei 2010 heeft belanghebbende aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) betreffende de registratie van een uit Duitsland afkomstige personenauto in Nederland.

1.2. Met dagtekening 11 mei 2010 heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd.

1.3. Bij fax van 14 mei 2010 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de in 1.1 bedoelde voldoening op aangifte en tegen de in 1.2 genoemde naheffingsaanslag. De inspecteur heeft het bezwaar, bij uitspraak van 4 mei 2011, toegewezen door alsnog akkoord te gaan met waardering van de auto op basis van XRAY en voor het overige afgewezen.

1.4. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 30 mei 2011, ontvangen bij de rechtbank op 1 juni 2011, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 302.

1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. De inspecteur heeft, bij brief van 16 april 2012, nadere stukken ingediend. Belanghebbende heeft op 3 mei 2012 zijn pleitnota ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft, bij behandeling door de enkelvoudige kamer, plaatsgevonden op 9 mei 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [de heer A], vergezeld van de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te [plaats X], op zijn beurt vergezeld van [gemachtigde] en namens de inspecteur, [gemachtigden]. De zaken met procedurenummers 11/2167 tot en met 11/2171, 11/2173, 11/2349, 11/2809 tot en met 11/2813, 11/2887, 11/2961 tot en met 11/2963, 11/3046 en 12/487 zijn gelijktijdig behandeld. Ter zitting heeft de inspecteur een cijfermatig overzicht betreffende al deze zaken overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank heeft, onder voorbehoud, mondelinge uitspraken aangekondigd. Partijen hebben desgevraagd verklaard dat zij, na een eventuele verwijzing van de zaken naar de meervoudige kamer voor het doen van uitspraken, geen behoefte hebben aan een nader onderzoek ter zitting.

1.8. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de in 1.7 genoemde zaken, bij brieven aan partijen van 23 mei 2012, ter verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer. In deze brieven is tevens meegedeeld dat schriftelijke uitspraken zullen worden gedaan.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. De in 1.1 bedoelde auto betreft een Audi, type A2 1.2 TDI 3L, identificatienummer [nummer] (hierna: de auto).

2.2. Belanghebbende heeft aangifte gedaan van een bedrag aan BPM van € 1.568. Volgens de naheffingsaanslag is een bedrag aan BPM verschuldigd van € 1.806. Het totale bedrag is op 11 mei 2010 door belanghebbende voldaan.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat deze is opgelegd voordat de BPM verschuldigd was. Voorts is in geschil of het wettelijke systeem voor de berekening van de nog verschuldigde BPM voor de invoer van gebruikte auto’s in Nederland, zoals neergelegd in artikel 10, tweede lid van de Wet BPM, in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VwEU). Tot slot doet belanghebbende een beroep op vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Ter zitting heeft de inspecteur uitdrukkelijk verklaard dat hij de door belanghebbende voorgestane handelswaarde van de auto op het moment van inkoop niet (meer) bestrijdt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag en vermindering van de op aangifte voldane BPM tot een bedrag van € 1.009. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de naheffingsaanslag

4.1. Artikel 1, lid 2 van de Wet BPM luidt als volgt:

“De belasting is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.”.

4.2. Artikel 6 van de Wet BPM luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

“1. De belasting moet op aangifte worden voldaan.

2. In afwijking van artikel 10, tweede lid, en artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen:

a. moet de belasting, indien deze verschuldigd is:

1°. ter zake van de registratie van een personenauto of motorrijwiel, worden betaald voordat het kenteken op naam is gesteld;

(…)

b. wordt de aangifte gelijktijdig met de betaling gedaan.”.

4.3. Artikel 10, lid 2, tweede volzin van de AWR luid als volgt:

“Heeft de aangifte niet betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste een maand.”.

4.4. Artikel 19, lid 3 van de AWR luidt als volgt:

“In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen waarin de belastingwet voldoening (...) van belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige (...) gehouden de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.”.

4.5. Artikel 20 van de AWR luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

“1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. (…)

2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen. (…)”.

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 6, lid 2 van de Wet BPM dat wordt afgeweken van de in de AWR opgenomen bepalingen dat de aangifte dient te worden gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste een maand (artikel 10, lid 2, tweede volzin van de AWR) en dat de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger dient te worden betaald binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan (artikel 19, lid 3 van de AWR). De tekst van artikel 6, lid 2 van de Wet BPM bevat geen afwijking van artikel 20 van de AWR. Uit artikel 6, lid 2 van de Wet BPM volgt niet dat betaling van een hoger bedrag dan aangegeven (ook) moet plaatsvinden voordat het kenteken op naam is gesteld. Voor hetgeen (materieel) meer is verschuldigd ter zake van de registratie van een personenauto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens (hierna: de registratie) dan aangegeven, volgt uit artikel 1, lid 2 van de Wet BPM dat dit meerdere niet eerder verschuldigd is dan op het moment van de registratie. Pas dan is de BPM ter zake van de registratie (materieel) verschuldigd en pas dan kan geconstateerd worden dat te weinig BPM is voldaan (op aangifte). Nu, zoals overwogen, de BPM niet eerder (materieel) verschuldigd is dan op het moment van de registratie, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de AWR niet eerder dan na dat moment naheffen om die materieel verschuldigde belasting te formaliseren en een betalingsverplichting te doen ontstaan.

4.7. De rechtbank overweegt dat aan het overwogene in 4.6 niet afdoet dat, zoals de inspecteur stelt, het de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest dat de materieel verschuldigde belasting moet zijn betaald voordat een kentekenbewijs wordt afgegeven. Uit het wettelijk systeem van heffing door middel van voldoening op aangifte volgt niet dat belanghebbende tot betaling van een hoger dan het in de aangifte vermelde bedrag verplicht is. Zoals in 4.6 geoordeeld, volgt uit het systeem dat de wetgever in de Wet BPM heeft neergelegd wél een afwijking van de genoemde bepalingen in de artikelen 10 en 19 van de AWR, maar niet een afwijking van het bepaalde in artikel 20 van de AWR.

4.8. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat is nageheven vóór dat de auto is geregistreerd. De naheffingsaanslag is dus, gelet op het overwogene in 4.6, te vroeg opgelegd en dient om deze reden te worden vernietigd.

4.9. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

Ten aanzien van het wettelijk systeem voor de berekening van BPM

4.10. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 2 maart 2012, nr. 11/00785, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BV7393, heeft beslist dat de vermindering van de catalogusprijs welke is voorgeschreven in artikel 10, tweede lid van de Wet BPM in strijd is met artikel 110 van het VwEU en dat deze bepaling in zoverre buiten toepassing moet blijven. Ter zitting heeft de inspecteur zich neergelegd bij dat standpunt. Ter zitting heeft de inspecteur ook aangegeven dat hij akkoord gaat met de door belanghebbende gehanteerde handelsinkoopwaarde indien de rechtbank geen integrale proceskostenvergoeding toekent.

4.11. Nu de rechtbank slechts een forfaitaire proceskostenvergoeding toekent, gelet op hierna onder 5 geoordeelde, dient de verschuldigde BPM conform het (nader) standpunt van de inspecteur, als volgt te worden becijferd (bedragen in €):

Historische nieuwprijs: 32.026

Huidige inkoopwaarde: 5.069

Werkelijke afschrijving: 26.957

Afschrijving in % (26.957 : 32.026) 84,17%

Historische bruto BPM: 6.376

Afschrijving: 5.367

Te betalen BPM: 1.009

4.12. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

5. Proceskosten

5.1. Nu het beroep gegrond is, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2. Belanghebbende stelt dat de handelswijze van de inspecteur aanleiding geeft voor vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten nu het de inspecteur op het moment van vaststellen van de naheffingsaanslag duidelijk moet zijn geweest dat hij in strijd handelde met het wettelijke heffingssysteem en nu het de inspecteur op het moment van vaststellen van de verschuldigde BPM duidelijk moet zijn geweest dat hij in strijd handelde met artikel 110 van het VwEU en met de vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het HvJEG).

5.3. De rechtbank ziet echter geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten in afwijking van het forfait, zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Uit de jurisprudentie is af te leiden dat, voor zover hier van belang, van bedoeld forfait kan worden afgeweken indien de procedure een gevolg is van een zeer ernstige vorm van onzorgvuldig handelen van de inspecteur (vergelijk: Hoge Raad 8 juli 1996, nr. 30 782, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: AA1843) of indien de inspecteur een volstrekt onverdedigbaar standpunt heeft ingenomen (vergelijk: Hoge Raad 20 september 2000, nr. 35 510, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: AA7160).

5.4. Van omstandigheden als geschetst in 5.3 is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag weliswaar rechtspraak bekend was waarin reeds was geconcludeerd dat dit in gevallen als de onderhavige in strijd is met het wettelijke systeem, maar dat er ook rechtspraak bekend was waarin werd geconcludeerd dat dit niet het geval is. De rechtbank wijst in dit verband op haar uitspraak van 22 april 2011, nr. 10/2343, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BQ6152. De inspecteur kon de naheffingsaanslag dus opleggen zonder dat sprake was van een vorm van ernstig onzorgvuldig handelen of van het innemen van een volstrekt onverdedigbaar standpunt.

5.5. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het in 4.10 genoemde arrest van de Hoge Raad dateert van 2 maart 2012. Vóór deze datum kon de inspecteur het standpunt innemen dat de vermindering van de catalogusprijs welke is voorgeschreven in artikel 10, tweede lid van de Wet BPM niet in strijd is met artikel 110 van het VwEU, zonder dat sprake was van een vorm van ernstig onzorgvuldig handelen of van het innemen van een volstrekt onverdedigbaar standpunt. Daaraan doet niet af dat rechtbank Arnhem op 11 januari 2011, dus na de voldoening van BPM op aangifte maar nog vóór het doen van uitspraak op bezwaar, al had beslist dat sprake was van strijdigheid met artikel 110 van het VwEU. De staatssecretaris van Financiën had sprongcassatie ingesteld tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem en de inspecteur kon naar het oordeel van de rechtbank tot de uitspraak van de Hoge Raad het door hem verdedigde standpunt blijven innemen zonder ernstig onzorgvuldig te handelen of een volstrekt onverdedigbaar standpunt in te nemen.

5.6. Bij het vaststellen van de te vergoeden proceskosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) gaat de rechtbank er van uit dat de zaken 11/2961 tot en met 11/2963 en 11/3046, vier stuks dus, in welke zaken de rechtbank vandaag uitspraak doet, samenhangen in de zin van artikel 3, tweede lid van het Besluit. Deze zaken zijn nagenoeg gelijktijdig bij de rechtbank aangebracht. Voorts kent het ene beroepschrift weliswaar meer gronden dan het andere, maar in feite zijn alle gronden beschreven in de onderhavige zaak. Aan de inhoudelijke samenhang van de zaken doet niet af dat iedere zaak betrekking heeft op een andere auto, wat leidt tot verschillende berekeningen van de verschuldigde BPM, nu alle berekeningen in feite al zijn gemaakt voordat de voldoeningen op aangifte hebben plaatsgevonden.

5.7. De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.638 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437, maal 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal in elke van de in 5.6 genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 409,50 (€ 1.638 gedeeld door 4 zaken).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag;

- vermindert de ter zake van de registratie van de auto verschuldigde BPM tot een bedrag van € 1.009;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 409,50;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 302 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2012 door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. W. Brouwer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 1 november 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.