Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BZ1610

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
12-1145
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 779
FutD 2013-0536
V-N Vandaag 2013/530
Belastingadvies 2013/7.9
V-N 2013/15.2.2

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 12/1145

Uitspraakdatum: 19 december 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Zuidwest (Roosendaal),

de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 2 januari 2006 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd (aanslagnummer [nummer]), alsmede bij gelijktijdige beschikkingen heffingsrente vastgesteld en een vergrijpboete opgelegd van € 20.833.

1.2.De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 februari 2012 de naheffingsaanslag en de heffingsrente gehandhaafd en de boete verminderd tot € 7.500.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 9 maart 2012, ontvangen bij de rechtbank op 12 maart 2012, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 310.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de persoon van [heer X, heer Y], vergezeld van de gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [adviesbureau], en namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.6.Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 24 september 2012 naar partijen is verzonden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld binnen twee weken (nadere) schriftelijke inlichtingen te verschaffen. Daarna is de inspecteur de gelegenheid geboden te reageren.

1.7.Belanghebbende heeft bij brief van 1 oktober 2012 nadere schriftelijke inlichtingen verschaft. De inspecteur heeft bij brief van 15 oktober 2012 op deze stukken gereageerd. De stukken zijn telkens in afschrift aan de wederpartij verstrekt.

1.8.Met schriftelijke toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. Bij brief van 7 november 2012 heeft de rechtbank partijen bericht dat het onderzoek is gesloten en medegedeeld dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende is een besloten vennootschap en exploiteert een jachthaven. De aandelen van belanghebbende en haar zustermaatschappij [zustermaatschappij] B.V. worden gehouden door holdingmaatschappij [holdingmaatschappij] B.V., waarin de heer [X] enig aandeelhouder en enig bestuurder is.

2.2.Bij belanghebbende heeft over de periode 2002 tot en met 2005 een boekenonderzoek plaatsgevonden waarbij onder meer aandacht is besteed aan de fiscale verwerking van de bij de onderneming in eigendom zijnde auto’s. Van dit onderzoek is een rapport opgesteld met dagtekening 23 augustus 2007.

2.3.Op 6 oktober 2010 is wederom een boekenonderzoek aangekondigd. Doel van dit onderzoek was het vaststellen van het volledig en juist doen van de aangifte loonheffingen door de inhoudingsplichtigen over het privé-gebruik auto van de bij de onderneming in eigendom zijnde auto’s. Dit onderzoek betrof de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2010. Van dit onderzoek is een rapport opgesteld met dagtekening 31 januari 2011.

2.4.De inspecteur heeft vervolgens op 16 mei 2011 aan belanghebbende over het tijdvak 2 januari 2006 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen van € 41.666 opgelegd, alsmede een boetebeschikking van € 20.833 en een beschikking heffingsrente van € 3.225. De onderhavige naheffingsaanslag, boetebeschikking en beschikking heffingsrente zijn het gevolg van een correctie privé-gebruik auto ten aanzien van drie bij belanghebbende in eigendom zijnde auto’s, namelijk een [auto 1], een [auto 2] en een [auto 3].

2.5.De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 februari 2012 het bedrag van de enkelvoudige belasting en het bedrag van de heffingsrente in stand gelaten en de boete verminderd tot een bedrag van € 7.500.

3.Geschil

3.1.In geschil is het antwoord op de vragen of de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking terecht en tot een juist bedrag zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het autokostenforfait terecht is toegepast met betrekking tot de in 2.4 genoemde auto's. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.Artikel 13bis, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2006 en 2007) (hierna: de Wet) bepaalt dat indien een auto ook voor privé-doeleinden ter beschikking is gesteld het voordeel daarvan op kalenderjaarbasis wordt gesteld op ten minste 22% van de waarde van de auto. Volgens de tekst van dit artikel zoals die geldt voor de jaren 2008 en 2009 wordt het voordeel gesteld op ten minste 25% van de waarde van de auto en voor 2010 op ten minste 25% indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen en op ten minste 35% indien de auto meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen.

Het tweede lid (vierde lid volgens de tekst 2009 en 2010) van dit artikel bepaalt dat indien uit een rittenadministratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé wordt gebruikt er geen bijtelling plaats vindt. Dit houdt in dat een bijtelling alleen achterwege blijft als belanghebbende overtuigend aan kan tonen dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt.

4.2.De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur aannemelijk dient te maken dat de auto's aan de werknemers ter beschikking zijn gesteld. Indien de inspecteur daarin slaagt, geldt ingevolge artikel 13bis van de Wet het vermoeden dat die auto’s ook voor privédoeleinden ter beschikking stonden. Dit vermoeden houdt stand tenzij de belastingplichtige doet blijken dat de auto’s per stuk op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privédoeleinden zijn aangewend (vergelijk Hoge Raad 13 augustus 2010, nr. 08/03782, LJN: BN3831).

4.3.De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto's aan de werknemers ter beschikking zijn gesteld in bovenstaande zin. De inspecteur stelt dat de auto’s aanwezig waren en konden worden gebruikt en er geen kilometeradministratie per auto bijgehouden is. De rechtbank leidt uit de verklaringen van de directeur en de overgelegde verklaringen van de werknemers en ex-werknemers echter af dat de auto's uitsluitend gebruikt konden worden door de werknemers voor de uitoefening van hun werkzaamheden voor belanghebbende maar dat het niet de bedoeling was dat die auto's ook werden gebruikt voor andere doeleinden zoals de privédoeleinden van die werknemers. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking dat belanghebbende ten aanzien van door de inspecteur genoemde data het autogebruik overeenkomstig die verklaringen heeft toegelicht. Naar het oordeel van de rechtbank staan de auto's dan niet ter beschikking aan de werknemers in de zin van artikel 13bis van de Wet.

4.4.Gelet op al het voorgaande is het gelijk aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente moeten worden vernietigd. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard.

5.Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

6.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente;

-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 874;

-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 310 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 20 december 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.