Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY8835

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
11/3131
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 555
FutD 2013-0261
V-N Vandaag 2013/174
VNT 2013/10t.3.1
V-N 2013/10.3.1

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 11/3131 en 11/3134

Uitspraakdatum: 3 augustus 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de erven van [erflater],

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbenden voor het jaar 1990 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 712.397. Voorts is aan belanghebbenden voor het jaar 1991 een navorderingsaanslag vermogensbelasting opgelegd, berekend naar een vastgesteld vermogen van ƒ 15.089.000.

1.2. Belanghebbenden hebben tegen deze navorderingsaanslagen bij brief van 21 januari 2003, bij de inspecteur ingekomen op 22 januari 2003, bezwaar gemaakt.

1.3. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 2 mei 2011 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

1.4. Belanghebbenden hebben daartegen bij brief van 10 juni 2011, ontvangen bij de rechtbank op 14 juni 2011, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 41.

1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Belanghebbenden hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, als gemachtigde van belanghebbenden, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Breda, en namens de inspecteur, [gemachtigden].

Gemachtigde heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de inspecteur, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota met een bijlage overgelegd aan de rechtbank en aan gemachtigde. Gemachtigde heeft bezwaar gemaakt tegen de bij de pleitnota gevoegde bijlage. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. In 1994 zijn door voormalige medewerkers van de Kredietbank S.A. Luxembourgeoise (hierna: KB Lux) microfiches met informatie over rekeninghouders bij de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn, althans een deel ervan is, vervolgens in handen gekomen van de Belgische autoriteiten.

2.2. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie te België op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG spontaan inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën, Belastingdienst/FIOD/Haarlem Internationaal, bestaande uit fotokopieën van microfiches (hierna: de fotokopieën) met gegevens over financiële rekeningen bij KB Lux op naam van inwoners van Nederland.

2.3. Naar aanleiding van deze inlichtingen is door de FIOD-ECD en de Belastingdienst een onderzoek ingesteld, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich onder meer op het vaststellen van de identiteit van de Nederlandse rekeninghouders waarvan de gegevens waren vermeld op de fotokopieën en op de door hen -mogelijk- verzwegen inkomens- en vermogensbestanddelen. Het Rekeningenproject is eind 2001 van start gegaan.

2.4. Belanghebbenden zijn de erfgenamen van wijlen [erflater] (hierna: erflater). Erflater is op [datum] 1996 overleden. Nader onderzoek van de fotokopieën door de FIOD-ECD en de Belastingdienst heeft het vermoeden opgeleverd dat erflater en zijn weduwe houder waren (geweest) van op de fotokopieën vermelde rekeningnummers. Begin oktober 2001 is erflater geïdentificeerd als houder van rekeningen bij de KB Lux. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen in het kader van het Rekeningenproject heeft de inspecteur ten aanzien van erflater en zijn weduwe eind juni 2002 een renseignement ontvangen van een aantal bankrekeningen bij de KB Lux met rekeningnummers en saldi per 31 januari 1994. Met dagtekening 3 december 2002 heeft de inspecteur aan de weduwe een vragenbrief verzonden met betrekking tot de buitenlandse bankrekening(en).

2.5. Met dagtekening 30 december 2002 heeft de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd. Op de navorderingsaanslag vermogensbelasting (hierna: VB) staat onder aanslagnummer het volgende vermeld: “[nummer].K17”. Begin 2003 heeft een administratief medewerker van de belastingdienst bericht ontvangen van de belastingdienst Apeldoorn, dat de navorderingsaanslag VB niet in de ontvangersadministratie verwerkt kon worden omdat het aanslagnummer onjuist was. Als bijlage bij een brief van 10 januari 2003 heeft de administratief medewerker van de belastingdienst een nieuw aanslagbiljet verzonden aan belanghebbenden. Dat aanslagbiljet is identiek aan de met dagtekening 30 december 2002 opgelegde aanslag, behoudens het aanslagnummer. Als aanslagnummer staat op dit biljet vermeld: “[nummer].K17”. In eerdergenoemde begeleidende brief staat het volgende:

“De bijgevoegde navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 strekt ter vervanging van de eerder uitgereikte navorderingsaanslag.

Helaas werd een foutief aanslagnummer vermeld, welke bij deze navorderingsaanslag hersteld is.”

De voor de omissie verantwoordelijke medewerker van de belastingdienst heeft dienaangaande op 30 juni 2010 navolgende ambtsedige verklaring opgesteld:

“(…) De navorderingsaanslag is door mij als penaanslag opgemaakt in december 2002. Penaanslag wil zeggen dat de aanslag handmatig is uitgerekend en handmatig op papier is gezet. De penaanslag is door mij eind 2002 ingestuurd naar ons kantoor in Apeldoorn, waar deze in onze centrale betalingsadministratie verwerkt wordt zodat betalingen afgeboekt kunnen worden. Hier werd geconstateerd dat er een onjuist aanslagnummer op de aanslag vermeld stond. Bij het handmatig op papier zetten is in het aanslagnummer een nul in plaats van een punt getypt. Een medewerker van het kantoor in Apeldoorn heeft telefonisch contact met mij gezocht. Afgesproken is dat de navorderingsaanslag met het onjuiste aanslagnummer retour gezonden zou worden aan mij. Deze heb ik retour ontvangen. Begin 2003 heb ik een identiek navorderingsbiljet opgemaakt echter onder vermelding van het correcte aanslagnummer. Deze heb ik op 10 januari 2003 met een begeleidend schrijven aan de Erven [erflater] gezonden. Tevens heb ik de navorderingsaanslag weer naar kantoor Apeldoorn verzonden ter verwerking in het betalingssysteem.

Waarvan ik op belofte deze verklaring heb opgemaakt en ondertekend te Tilburg op 30-06-2010.”

2.6. In de bezwaarfase heeft de weduwe op 24 september 2003 volledige openheid van zaken gegeven aan de Nederlandse belastingdienst omtrent de bij (onder meer) de KB Lux aangehouden bankrekening(en) van haarzelf en wijlen haar echtgenoot. De tegoeden op en de inkomsten uit deze bankrekening(en) waren tot op dat moment nooit betrokken in hun belastingaangiften.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen zijn in geschil de antwoorden op de volgende vragen:

Met betrekking tot de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991:

1) Is de navorderingsaanslag vermogensbelasting tijdig opgelegd?

2) Is de navorderingsaanslag vermogensbelasting komen te vervallen?

Met betrekking tot beide navorderingsaanslagen:

3) Heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen terecht gebruik gemaakt van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van artikel 16, vierde lid, van de AWR en is de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend te werk gegaan?

4) Zijn de microfiches onrechtmatig verkregen?

5) Hebben belanghebbenden recht op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure?

Belanghebbenden beantwoorden de vragen 2, 4 en 5 bevestigend en de vragen 1 en 3 ontkennend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.3. Belanghebbenden concluderen tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en de navorderingsaanslagen en toekenning van een immateriële schadevergoeding.

3.4. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Voor toekenning van een immateriële schadevergoeding bestaat volgens de inspecteur geen aanleiding.

4. Beoordeling van het geschil

1) Navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 tijdig opgelegd?

4.1. Ter zake van de navorderingsaanslag vermogensbelasting voor het jaar 1991 hebben belanghebbenden gesteld dat de aanslag die is opgelegd met dagtekening 30 december 2002 (hierna: de eerste navorderingsaanslag) door de inspecteur is ingetrokken c.q. als niet opgelegd moet worden beschouwd. Volgens belanghebbenden is de eerste navorderingsaanslag vernietigbaar omdat een essentieel onderdeel – zijnde het fiscaal nummer van erflater – ontbreekt. De aanslag die is opgelegd op 10 januari 2003 (hierna: de tweede navorderingsaanslag) dient te worden vernietigd, nu deze is opgelegd buiten de 12-jaarstermijn, aldus belanghebbenden.

4.2. De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of de eerste navorderingsaanslag rechtsgeldig is opgelegd. Daarvoor is van belang of de onjuistheid in het op het biljet van de eerste navorderingsaanslag vermelde aanslagnummer leidt tot een gebrek in de bekendmaking van die aanslag.

4.3. De Hoge Raad heeft dienaangaande in zijn arrest van 3 december 2010, nr. 09/00179, BNB 2011/28 als volgt geoordeeld:

“4.3. Omtrent hetgeen op een aanslagbiljet moet worden vermeld heeft de Hoge Raad overwogen dat daarop naast de termijn of de termijnen waarbinnen moet worden betaald, de naam van de belastingschuldige, in ieder geval moeten worden vermeld het bedrag van de aanslag en de plaats van betaling (vgl. HR 30 september 1998, nr. 33264, LJN AA2304, BNB 1998/379). Wanneer de op het aanslagbiljet vermelde gegevens redelijkerwijs twijfel kunnen oproepen of het aanslagbiljet is bestemd voor degene ten name van wie de aanslag is gesteld, voldoet het aanslagbiljet niet aan de vereisten voor het doen ontstaan van een betalingsverplichting. Het fiscale nummer van de belastingplichtige vormt in het algemeen, anders dan de tenaamstelling van het biljet, evenwel geen essentieel onderdeel van het aanslagbiljet. Degene aan wie een op zijn naam gesteld aanslagbiljet wordt uitgereikt, zal, als het gaat om de vraag of het aanslagbiljet voor hem is bestemd, dan ook, behoudens bijzondere bijkomende omstandigheden, geen reden kunnen hebben eraan te twijfelen of aan de tenaamstelling meer waarde moet worden gehecht dan aan het op het aanslagbiljet vermelde fiscale nummer.”

4.4. Gelet op het vorenoverwogene ziet de rechtbank in de omstandigheid dat in het aanslagnummer een nul in plaats van een punt staat vermeld, geen aanleiding te oordelen dat de eerste navorderingsaanslag niet rechtsgeldig bekend is gemaakt. De eerste navorderingsaanslag is gedagtekend 30 december 2002. Gesteld noch gebleken is dat het biljet na die datum is verzonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de eerste navorderingsaanslag bekend is gemaakt binnen de termijn als bedoeld in artikel 11, derde lid van de AWR. Het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag is derhalve aan de inspecteur.

2) Is de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 vervallen?

4.5. De vervolgvraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of de onder 2.5 vermelde brief van 10 januari 2003 van de administratief medewerker van de belastingdienst tot gevolg heeft dat de eerste navorderingsaanslag is komen te vervallen. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

4.6. In het arrest van de Hoge Raad heeft van 29 juni 2007, nr. 43590, BNB 2007/269, was sprake van een aanslag, ter zake waarvan twee maal een aanslagbiljet was toegezonden omdat verzuimd was op het eerste aanslagbiljet de vergrijpboete te vermelden. De Hoge Raad heeft ter zake van de brief die de inspecteur in die zaak aan de betreffende belanghebbende heeft gestuurd het volgende geoordeeld:

“3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de aanslag met dagtekening 16 juli 2003 is opgelegd met inachtneming van alle wettelijke voorschriften en derhalve rechtsgeldig is, en dat de in vorenbedoelde brief van de Inspecteur van 19 augustus 2003 vervatte mededeling dat de aanslag met dagtekening 16 juli 2003 als niet verzonden kan worden beschouwd, niet kan worden aangemerkt als een vernietiging van deze rechtsgeldig opgelegde aanslag. Tegen deze oordelen keert zich het middel.

3.4. De brief van de Inspecteur van 19 augustus 2003, die dateert van na de toezending aan belanghebbende van het aanslagbiljet met dagtekening 31 juli 2003, laat geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur - wat er zij van de aanvaardbaarheid van zijn handelen in zoverre - aan de met dagtekening 16 juli 2003 opgelegde aanslag slechts heeft willen ontnemen het gevolg dat hij de mogelijkheid tot het opleggen van een boete verloren deed gaan door niet gelijktijdig met die aanslag een boete op te leggen. Door aldus te handelen heeft hij de aanslag zelf niet doen vervallen. 's Hofs beslissing op dit punt is derhalve juist, wat er zij van de daartoe gebezigde grond. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.”

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de administratief medewerker van de belastingdienst met de onder 2.5 genoemde brief van 10 januari 2003 slechts willen bewerkstelligen dat ter zake van de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 een aanslagbiljet zou worden uitgereikt met vermelding van het juiste aanslagnummer. Door aldus te handelen heeft de betreffende medewerker niet de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 zelf doen vervallen, doch slechts een tweede biljet uitgereikt met vermelding van het juiste fiscaal nummer. Het andersluidende standpunt van belanghebbenden wordt door de rechtbank dan ook verworpen.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat sprake is van één tijdig en rechtsgeldig opgelegde navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991. Dat dienaangaande twee maal een aanslagbiljet aan belanghebbenden is toegezonden doet daar niet aan af. Het gelijk met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag is aan de inspecteur.

3) De verlengde navorderingstermijn

4.9. Belanghebbenden hebben gesteld dat de inspecteur niet heeft voldaan aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 26 februari 2010, LJN: BJ9092 gegeven criteria voor het uitoefenen van de in artikel 16, vierde lid, van de AWR gegeven bevoegdheid navorderingsaanslagen op te leggen na afloop van de in artikel 16, derde lid, van de AWR bedoelde termijn.

4.10. In het door belanghebbenden bedoelde arrest is omtrent deze navorderingstermijn in het licht van de Europese regelgeving onder meer opgenomen dat:

"2.1.1. (...) de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat.

2.1.2. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

(...)

2.1.4. Het (...) evenredigheidsbeginsel verzet zich ertegen dat de inspecteur met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, ook na het in 2.1.2 bedoelde aanvaardbare tijdsverloop gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) om een navorderingsaanslag op te leggen op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, AWR is verstreken. De rechtvaardiging (...) voor de aan toepassing van artikel 16, lid 4, AWR verbonden beperking van het vrije verkeer, is gelegen in het waarborgen van de doeltreffendheid van de fiscale controles en het bestrijden van belastingfraude. Die rechtvaardiging is er niet als ten aanzien van (inkomsten uit) buitenlandse tegoeden de navorderingstermijn die voor (inkomsten uit) binnenlandse tegoeden zou gelden verder wordt overschreden dan uit het in 2.1.2 overwogene voortvloeit."

4.11. Het overwogene in dit arrest brengt mee dat de inspecteur ingevolge het gemeenschapsrecht zijn in artikel 16, vierde lid, van de AWR opgenomen bevoegdheid niet meer mag gebruiken indien aannemelijk is geworden dat in het concrete geval de navorderingsaanslagen zijn opgelegd na afloop van het onder 2.1.2 van dit arrest bedoelde tijdsverloop. Het is aan belanghebbenden te stellen dat dit het geval is geweest en bij betwisting aannemelijk te maken dat dit zo is.

4.12. Belanghebbenden hebben daartoe gesteld dat het moment waarop de belastingdienst de afdrukken van de microfiches van de Belgische overheid heeft ontvangen, zijnde 27 oktober 2000, moet worden aangemerkt als het moment waarop de belastingdienst beschikte over een “aanwijzing” in de zin van voormeld arrest van de Hoge Raad. Het tijdsverloop tussen het verkrijgen van de microfiches op 27 oktober 2000 en de identificatie van wijlen [echtgenote] als rekeninghouder van de Kredietbank te Luxemburg in oktober 2001, achten belanghebbenden niet (voldoende) voortvarend. Voorts zijn belanghebbenden van mening dat de tijd die gemoeid is geweest met strafrechtelijk onderzoek door de Fiod in aanmerking dient te worden genomen bij de beoordeling van de vraag of voldoende voortvarendheid is betracht bij het onderzoek voorafgaande aan de aanslagoplegging.

4.13. De inspecteur heeft daartegenover aangevoerd dat de belastingdienst voldoende voortvarendheid heeft betracht bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen. Volgens de inspecteur bevatte de op 27 oktober 2000 ontvangen afdrukken van microfiches slechts summiere informatie over de rekeninghouders en ging het bovendien om een zeer omvangrijk aantal rekeninghouders. De omvang en de aard van de gegevens vroeg om een projectmatige aanpak, aldus de inspecteur. Voor de identificatie is de RDW benaderd om een bestand met voornamen te leveren, omdat in het BVR-bestand alleen de voorletters van personen stonden vermeld. In augustus 2001 is overeenstemming bereikt met de RDW om een voor de belastingdienst bruikbaar bestand met voornamen te leveren. Vervolgens is wijlen [echtgenote] in oktober 2001 als rekeninghouder geïdentificeerd. Op 23 oktober 2001 is een gerechtelijk vooronderzoek jegens haar gestart. De inspecteur stelt dat hij eerst in juni 2002 op de hoogte is geraakt, door middel van een renseignement van (een aantal) buitenlandse bankrekeningen, maar dat het strafrechtelijk onderzoek toen nog niet was afgerond. Volgens de inspecteur vond toen overleg plaats tussen Officier van Justitie en wijlen [echtgenote] over het seponeren van de strafzaak. Daarom is, aldus de inspecteur, niet direct gestart met een fiscaalrechtelijk onderzoek. De eerste vragenbrief aan wijlen [echtgenote] heeft de inspecteur vervolgens verzonden op 3 december 2002.

4.14. Allereerst komt de vraag aan de orde op welk moment de belastingdienst de beschikking heeft gekregen over een “aanwijzing” in de zin van voormeld arrest van de Hoge Raad. Anders dan belanghebbenden stellen, is de rechtbank van oordeel dat de brief van 27 oktober 2000 van de Belgische belastingdienst op zichzelf nog onvoldoende aanwijzingen opleverde dat de erflater en zijn echtgenote over niet-aangegeven buitenlandse spaartegoeden beschikte. De identiteit van de Nederlandse rekeninghouders wier gegevens op de (fotokopieën van) de microfiches stonden, was kennelijk op dat moment nog niet bekend: het zogenoemde Rekeningenproject richtte zich immers in de eerste plaats op het vaststellen van die identiteit (vergelijk de conclusie van A-G Wattel van 18 augustus 2009 bij het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, BNB 2010/199). Naar het oordeel van de rechtbank was er eerder dan begin oktober 2001, het moment waarop de erflater is geïdentificeerd als houder van rekeningen bij de KB Lux, geen sprake van een “aanwijzing” als bedoeld in voormeld arrest van de Hoge Raad. Eerder kan dan ook geen sprake zijn van (een vorm van) onvoldoende voortvarend handelen van de zijde van de belastingdienst.

4.15. Vervolgens komt de vraag op of de inspecteur onvoldoende voortvarendheid heeft gehandeld tussen het moment van identificatie (begin oktober 2001) en het opleggen van de navorderingsaanslagen (30 december 2002). Tegenover hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, acht de rechtbank belanghebbenden er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het in het arrest van de Hoge Raad bedoelde tijdsverloop is overschreden. De rechtbank kent hierbij met name betekenis toe aan de grote omvang van de op de afdrukken vermelde gegevens over KB Lux-rekeningen, op grond waarvan de Belastingdienst zich terecht op het standpunt mocht stellen dat deze tot een landelijke aanpak noopte. Die landelijke aanpak brengt eveneens mee dat in een geval zoals het onderhavige, waarin de belastingplichtige (in eerste instantie) geen openheid van zaken heeft gegeven over die rekening(en), voorbij kan worden gegaan aan de datum waarop deze belastingplichtige voor het eerst wordt aangeschreven als mogelijke houder van een of meer rekeningen vermeld op die afdrukken. De inspecteur is in dat geval immers gehouden de inkomsten en vermogens te schatten, hetgeen bij een landelijke aanpak ook een landelijke schatting vraagt. Deze schatting heeft plaatsgevonden aan de hand van gegevens van belastingplichtigen die alle gegevens hebben verstrekt, zodat eerst nadat die gegevens bekend waren de navorderingsaanslagen voor de ontkenners konden worden berekend. De door belanghebbenden genoemde omstandigheid dat de belastingdienst bij andere landelijke projecten, zoals de inkeerregeling voor buitenlandse bankrekeningen, wel in staat is op korte termijn vele navorderingsaanslagen op te leggen, maakt dit niet anders. Bij het opleggen van navorderingsaanslagen aan de door belanghebbenden genoemde inkeerders met buitenlandse bankrekeningen die zich vlak voor het einde van het jaar 2009 bij de belastingdienst meldden, ging het immers om een andere situatie. In die gevallen zullen immers de persoonsgegevens van de inkeerders en hun banksaldi bekend zijn geweest.

4.16. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de rechtbank voorbij kan gaan aan het in de pleitnota voor de zitting van 11 mei 2012 in punt 2.24 door belanghebbenden gedane aanbod tot het horen van getuigen. Voor zover de door hen af te leggen verklaringen specifiek betrekking zouden hebben op het onderzoek jegens belanghebbenden kunnen zij niet leiden tot een andere beslissing over het onderhavige geschilpunt. Voor het overige zouden die verklaringen niet kunnen afdoen aan hetgeen onder 4.14 en 4.15 in algemene zin is overwogen.

4.17. Het gelijk met betrekking tot het derde geschilpunt is aan de inspecteur.

4) Onrechtmatig verkregen bewijs?

4.18. Belanghebbenden hebben gesteld dat de afdrukken van de microfiches op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Belanghebbenden hebben daarvoor onder meer verwezen naar de uitspraak van het Hof van Beroep te Brussel van 10 december 2010 en het arrest van 31 mei 2011 van het Belgische Hof van Cassatie. In dit verband stellen belanghebbenden nog dat bij het verkrijgen van het bewijs het internationale vertrouwensbeginsel is geschonden. Volgens belanghebbenden houdt dit vertrouwensbeginsel in, dat de Nederlandse belastingdienst erop mag vertrouwen dat de Belgische belastingdienst de daar geldende voorschriften heeft nageleefd bij de verkrijging van de informatie en als dat vertrouwen geschonden is, de verkregen informatie niet mag worden gebruikt. Nu ter zake van de verkrijging in België door een Belgische overheidsdienaar een onrechtmatige daad is begaan en deze daad zozeer indruist tegen wat van een redelijk handelende overheid kan en mag worden verwacht, had de Nederlandse overheid de gegevens volgens belanghebbenden niet mogen gebruiken.

4.19. In zijn arrest van 31 mei 2011, nr. P.10.2037, heeft het Belgische Hof van Cassatie vastgesteld dat de Belgische Staat door middel van een gesimuleerde huiszoeking de beschikking heeft gekregen over de microfiches, zodat de (Belgische) Staat niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de stafrechtelijke vervolging van bepaalde verdachten.

4.20. De rechtbank stelt voorop dat de microfiches niet strafrechtelijk onrechtmatig van belanghebbenden zijn verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur voorts niet onrechtmatig gehandeld door acht te slaan op de hem aangereikte microfiches. Van een schending van internationaal recht is niet gebleken. Belanghebbenden hebben onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit zou volgen dat de Nederlandse belastingautoriteiten bij de verkrijging van de gegevens van de Belgische overheid een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen heeft geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geoordeeld. De rechtbank is daarom, mede gelet op de Nauta-arresten (Hoge Raad van 21 maart 2008, nummer 43050, LJN BA8179, BNB 2008/159), van oordeel dat de belastingdienst de microfiches niet op een wijze heeft verkregen die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank ziet dan ook geen reden de microfiches als bewijsmiddel uit te sluiten.

4.21. Het gelijk met betrekking tot het vierde geschilpunt is aan de inspecteur.

4.22. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. Al hetgeen belanghebbenden voor het overige hebben gesteld kan niet tot een ander oordeel leiden.

5. Immateriële schadevergoeding

5.1. In het arrest 10 juni 2011, nr. 09/05112, LJN BO5080 heeft de Hoge Raad beslist dat in belastingzaken, waar artikel 6 EVRM niet van toepassing is, een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend, ook indien het beroep tegen de aanslag of beschikking ongegrond is verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat artikel 8:73 van de Awb in die gevallen van overeenkomstige toepassing is. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.

5.2. In het onder 5.1 vermelde arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase in beginsel twee jaar is. De redelijkheid van de duur van berechting van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek en de omvang van het verrichte onderzoek;

b. de invloed van de belanghebbende op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.

c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;

d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.

5.3. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbenden doordat onjuist aangifte is gedaan, niet in aanmerking komen voor een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overweegt dienaangaande dat de periode waarop de schadevergoeding ziet, betrekking heeft op de periode van bezwaar en beroep. De invloed van belanghebbenden op hetgeen zich vóór deze datum heeft voorgedaan, acht de rechtbank voor het beoordelen van de schadevergoeding niet relevant.

5.4. Voorts heeft de inspecteur gesteld dat spanning en frustratie erflater en zijn weduwe persoonlijk raken en niet over kan gaan op de erfgenamen. Nu vaststaat dat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd aan de erven ziet de rechtbank niet in dat de erven niet degenen zijn die de (eventuele) immateriële schade hebben geleden.

5.5. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 22 januari 2003, zijn ten tijde van de onderhavige uitspraak ruim negen jaar en zes maanden verstreken. Aan deze vaststelling ontleent de rechtbank het vermoeden dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden. De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat het onderzoek op de voet van artikel 8:73 van de Awb moet worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van belanghebbenden om de door hen geleden schade te vergoeden. Op grond van rechtsoverweging 3.3.5 van het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, LJN: BO5046, zal de rechtbank de Minister van Veiligheid en Justitie in de voortzetting van deze procedure betrekken.

6. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- heropent, ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de immateriële schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb, het onderzoek;

- stelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) in de gelegenheid zich - binnen zes weken na de verzending van de hierna genoemde stukken - uit te laten omtrent het verzoek van belanghebbenden over de hiervoor bedoelde schadevergoeding; en

- gelast de griffier daartoe aan de Raad voor de rechtspraak te verzenden een kopie van de navolgende stukken:

• deze uitspraak;

• het proces-verbaal van de zitting van 11 mei 2012;

• onderdeel 4.0 van de pleitnota van gemachtigde d.d. 3 mei 2012;

• onderdeel 4 van de pleitnota van de inspecteur;

• de pleitnotitie van gemachtigde getiteld “Notitie inzake: erven [erflater]/fiscus-beroep (immateriële schadevergoeding)”;

• de brief van de inspecteur van 17 april 2003;

• het beroepschrift van 27 mei 2003 ingediend bij het Hof ’s-Hertogenbosch;

• de brief van de inspecteur van 20 augustus 2010;

• de brief van het Hof ’s-Hertogenbosch van 6 september 2010.

Deze uitspraak is gedaan op 3 augustus 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter,

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr.drs. M.H. van Schaik, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 16 augustus 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.