Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY8453

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
11/6287
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verhuurt panden. In geschil is de waardering van onroerend goed in box 3. Het beroep op het vertrouwensbeginsel met betrekking tot een in 2001 gemaakte afspraak met de inspecteur wijst de rechtbank af onder verwijzing naar de eerdere cassatieprocedure van belanghebbende waarin dezelfde stelling was ingenomen (LJN: BP5741).

De inspecteur heeft de waarde van het onroerend goed op peildatum 1 januari 2004 aannemelijk gemaakt. Dat de huurwaardekapitalisatiemethode moet worden gehanteerd en dat dat tot een lagere waarde zou leiden, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Aan de Kluwer belastinggids kan naar het oordeel van de rechtbank hieromtrent geen vertrouwen worden ontleend. Tot slot heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/116

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/6287

Uitspraakdatum: 14 augustus 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [Plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Breda,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 8 november 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2005 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.804 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 74.985 (aanslagnummer [nummer].H.56) alsmede de beschikking heffingsrente van € 1.875.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2012 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende vergezeld van A. van Zalinge, verbonden aan AZ administratie Service, en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn eigenaar van aantal onroerende zaken die zij verhuren. Het betreft de volgende panden:

- [adres 1] te [Plaats X]

- [adres 2] te [Plaats X]

- [adres 3] te [Plaats X]

- [adres 4] te [Plaats X]

- [adres 5] te [Plaats X]

- [adres 6] te [Plaats Y]

2.2. In 2000 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn ook de in 2.1 genoemde onroerende zaken, met uitzondering van [adres 6], onderwerp van gesprek geweest. In het rapport dat naar aanleiding van dit onderzoek is opgesteld is onder meer het volgende opgenomen:

“1. Reikwijdte van het onderzoek

Onderzocht en in dit rapport opgenomen is de aanvaardbaarheid van de aangiften:

- Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1997 en 1998

- Premie Waz 1998

- Vermogensbelasting 1998 en 1999

(…)

5 Vermogensbelasting

5.1. Overige onroerende zaken

Belastingplichtige en/of zijn echtgenote bezitten naast de eigen woning nog meer onroerende zaken. Het betreft drie verhuurde woonhuizen, 21 verhuurde garageboxen en een bedrijfspand (…).

Voor de vermogensbelasting geldt als waarderingsmaatstaf voor de overige onroerende zaken de waarde in het economische verkeer. Mijn uitgangspunt was om de waarde van deze onroerende zaken tenminste te stellen op de WOZ-waarde. Belastingplichtige was het hier absoluut niet mee eens en wilde uitgaan van een vast percentage (60 a 70%) van de WOZ-waarde. Ik heb vervolgens opdracht gegeven aan onze afdeling waardebepaling om de waarde in het economische verkeer van deze onroerende zaken vast te stellen. Deze heeft tot tweemaal toe contact opgenomen met belastingplichtige, waarbij geen concrete datum voor deze taxatie vastgesteld is. Daarom heb ik met belastingplichtige afgesproken (…) om bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van de WOZ-waardes.

(…)

7. Slotopmerkingen

(…)

Belastingplichtige gaat akkoord met de correcties, met uitzondering van de correctie onder punt 5.1 van dit rapport. (…) Inmiddels is de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999/vermogensbelasting 2000 ingediend. De conclusies uit dit boekenonderzoek zullen ook gevolgen hebben voor die aangifte.

7.1. Afspraak

Met belastingplichtige is afgesproken om bij het vaststellen van de aanslag vermogensbelasting voor de waarde van het overig onroerend goed uit te gaan van de WOZ-waarde. Ik ben bereid om ambtshalve deze waardes te verminderen tot door onze afdeling waardebepaling vastgestelde waardes. Belastingplichtige dient daartoe wel tijdig (binnen 6 weken) na datering van de aanslag bezwaar te maken.”

2.3. Namens de inspecteur heeft [taxateur], taxateur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Breda op 5 oktober 2005 de panden door middel van een zichttaxatie getaxeerd. In zijn taxatierapporten van 25 januari 2006 heeft de taxateur de volgende panden per onder meer 1 januari 2004 en 1 januari 2005 getaxeerd en wel op de volgende bedragen:

1 januari 2004 1 januari 2005

€ €

[adres 1] 127.000 130.000

[adres 2] 108.000 110.000

[adres 3] 342.000 350.000

[adres 5] 76.000 78.000

[adres 4] garages 234.000 238.000

Totaal 887.000 906.000

[adres 4] is enkel getaxeerd per 1 januari 2001 en wel op € 315.000.

2.4. De rechtbank heeft in de door belanghebbendes echtgenote gevoerde procedure tegen de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2003 de waarde per 31 december 2003 van het pand [adres 6] vastgesteld op € 251.000. In hoger beroep noch in cassatie is dit oordeel vernietigd.

2.5. In hun aangiften inkomstenbelasting 2004, 2005, 2006 en 2007 hebben belanghebbende en zijn echtgenote als onderdeel van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen de volgende bedragen voor de onroerende zaken aangegeven:

1 januari 2004 31 december 2004 en 1 januari 2005 31 december 2005 en 1 januari 2006 31 december 2006 en 1 januari 2007 31 december 2007

€ € € € €

[adres 1] 46.285 46.285 49.380 50.220 50.274

[adres 2] 68.067 68.067 62.895 63.964 64.033

[adres 3] 149.747 149.747 137.746 140.087 140.244

[adres 4] 164.172 245.033 321.234 326.695 327.067

[adres 6] 94.272 94.272 100.718 102.430 264445

Totaal 522.543 603.404 671.973 683.396 846.063

2.6. De inspecteur is afgeweken van de aangiften. Volgens de inspecteur dienen de volgende waardes te worden meegenomen in het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. De inspecteur heeft de aanslagen overeenkomstig deze waardes vastgesteld:

1 januari 2004 31 december 2004 en 1 januari 2005 31 december 2005 en 1 januari 2006 31 december 2006 en 1 januari 2007 31 december 2007

€ € € € €

[adres 1] 127.000 130.000 139.000 144.000 151.000

[adres 2] 108.000 110.000 118.000 122.000 127.000

[adres 3] 342.000 350.000 376.000 391.000 410.000

[adres 4] 336.000 341.000 345.000 350.000 355.000

[adres 5] 76.000 78.000 83.000 86.000 90.000

[adres 4] garages 234.000 238.000 255.000 265.000 277.000

[adres 6] 251.000 256.000 275.000 285.000 298.000

Totaal 1.474.000 1.503.000 1.591.000 1.643.000 1.708.000

2.7. De inspecteur heeft bij zijn uitspraken op bezwaar de aanslagen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. Het onderhavige beroep richt zich tegen de uitspraken op het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005, waarin het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 74.985 en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente.

2.8. In geschil is of de inspecteur de juiste waardes van de onroerende zaken in het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft betrokken. Tevens zijn “de heffings- en invorderingsrente” in geschil.

2.9. Voor het jaar 2004 zijn de correcties volledig bij de echtgenote van belanghebbende in aanmerking genomen. In de jaren 2005, 2006 en 2007 zijn de correcties volledig bij de belanghebbende in aanmerking genomen. Ter zitting hebben partijen eenduidig verklaard dat zij deze verdeling zijn overeengekomen. De rechtbank zal deze verdeling dan ook volgen.

Afspraak

2.10. Volgens belanghebbende mocht hij erop vertrouwen dat de inspecteur ook voor het onderhavige jaar zich zou houden aan de afspraak zoals die is opgenomen onder 2.2.

Deze stelling van belanghebbende is ook in de voorgaande procedures aan bod geweest. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (AWB 08/00565) heeft deze stelling van belanghebbende verworpen en de Hoge Raad (nr. 10/01668) heeft het daaropvolgend cassatieberoep met toepassing van artikel 81 RO ongegrond verklaard. De rechtbank verwijst hiernaar en is van oordeel dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Dat, zoals belanghebbende stelt, de waarderingsgrondslag van het onroerend goed in het onderhavige jaar dezelfde is – namelijk waarde in het economische verkeer – als bij de waardering voor de vermogensbelasting in de jaren 1998 en 1999 (waarover de afspraak gaat), doet daaraan niet af. Ook het feit dat in het rapport van het boekenonderzoek is opgenomen dat dezelfde conclusies voor het jaar 2000 zullen gelden, maakt niet dat de afspraak voor onbepaalde duur is gaan lopen. Deze stelling van belanghebbende faalt.

Waardering onroerend goed

2.11. Met betrekking tot het pand [adres 6] overweegt de rechtbank het volgende. Nu de door de rechtbank per 31 december 2003 op € 251.000 vastgestelde waarde onherroepelijk is komen vast te staan en de rechtbank niet aannemelijk acht dat de waarde per 1 januari 2004 van dit pand een andere is dan per 31 december 2003, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank de waarde van voornoemd pand per 1 januari 2004 terecht op € 251.000 vastgesteld. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat voor de waardering van de onroerende zaken op het einde van het jaar, de waardes kunnen worden geïndexeerd zoals door de inspecteur is berekend. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de waardes van voornoemde onroerende zaak per 1 januari 2005 en 31 december 2005 juist heeft vastgesteld.

2.12. Met de in 2.3 vermelde taxatierapporten, de hierop gegeven toelichting en de indexering acht de rechtbank de inspecteur eveneens geslaagd de door hem bepleite waardes per 1 januari 2005 en 31 december 2005 van de overige onroerende zaken aannemelijk te maken. Belanghebbende heeft gesteld dat bij de waardering van de onroerende zaken uitgegaan moet worden van de huurwaardekapitalisatiemethode. De rechtbank merkt hierover op dat er meerdere methoden van waardebepaling zijn die in het algemeen geschikt worden geacht om de waarde in het economische verkeer van verhuurde panden te bepalen, waaronder de door de inspecteur gebruikte methode in de taxatierapporten. Dat de huurwaardekapitalisatiemethode tot een lagere waardering zou leiden heeft belanghebbende wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt. Deze stelling kan belanghebbende dan ook niet baten.

2.13. Belanghebbende heeft nog gesteld dat voor de [adres 4] een waarde in aanmerking moet worden genomen van € 200.000. Hij heeft daarvoor verwezen naar het proces-verbaal van de zitting van 19 november 2007 met betrekking tot de eerdere procedures bij de rechtbank Breda, dat behoort tot de stukken van het geding. Volgens belanghebbende is de inspecteur blijkens het proces-verbaal uitgegaan van een jaarlijkse huur van € 25.000 en dient deze huurwaarde met een factor 8 te worden vermenigvuldigd. Belanghebbende verwijst voor de factor naar de Kluwer belastinggids, waarin volgens belanghebbende is opgenomen dat uitgegaan kan worden van een kapitalisatiefactor van 6 tot 10. Een factor van 8 is dan gemiddeld. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

2.14. Uit het proces-verbaal van de zitting van 19 november 2007 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur de huurwaarde van € 25.000 in het kader van een voorstel aan belanghebbende heeft voorgelegd. Partijen zijn kennelijk dit bedrag overeengekomen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze huurwaarde juist is of dat de inspecteur aan deze waarde is gebonden voor de in aanmerking te nemen waarde in latere jaren. Evenmin volgt daaruit dat de inspecteur gehouden is in latere jaren een waarde vast te stellen die in een logische of goede verhouding staat tot de gekapitaliseerde waarde van vorenbedoelde huur.

2.15. Voor zover belanghebbende met deze stelling een beroep doet op schending van het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank het volgende. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden beoordeeld of belanghebbende aan de uitlatingen van de inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de onroerende zaak lager zou worden gewaardeerd. Nu de Kluwer belastinggids geen overheidspublicatie is, heeft belanghebbende, op wie de last rust hiervoor het (begin van) bewijs bij te brengen, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een afspraak, toezegging of anderszins schending van in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen. De door belanghebbende aangehaalde omstandigheid dat medewerkers van de Belastingdienst een bijdrage hebben geleverd aan de Kluwer belastinggids, kan niet worden opgevat als een bewuste standpuntbepaling in de procedure van belanghebbende. Deze stelling kan belanghebbende niet baten.

2.16. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat bij andere belastingplichtigen de inspecteur de waarde van de verhuurde onroerende zaken voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen heeft gesteld op een percentage van de WOZ-waarde. Dit zou volgens belanghebbende een waarde tot gevolg hebben die lager is dan de waarde in het economische verkeer en voorts tot lagere waardes leiden dan de door de inspecteur vastgestelde waardes. De inspecteur heeft dit betwist. Belanghebbende beroept zich op schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende wel heeft gesteld, maar niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hanteren van de WOZ-waarde of een percentage daarvan inhoudt dat die waarde niet de waarde in het economische verkeer vertegenwoordigt maar een waarde die lager is dan de waarde in het economisch verkeer. Belanghebbende heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een begunstiging door de inspecteur in met belanghebbende vergelijkbare gevallen. Ook dat sprake is van het achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. In het onderhavige jaar volgt immers niet uit de wet dat de waarde van de betreffende onroerende zaken moet worden bepaald op (een percentage van) de WOZ-waarde. Gelet hierop dient het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel te worden verworpen.

Heffingsrente

2.17. De inspecteur dient ingevolge artikel 30f van de AWR heffingsrente in rekening te brengen nu er sprake is van een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Uit de uitspraken op bezwaar blijkt dat de inspecteur het bedrag aan heffingsrente overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/13362, heeft verminderd. Niet is gesteld of gebleken dat het aldus berekende bedrag van de heffingsrente onjuist is vastgesteld.

Invorderingsrente

2.18. Ingevolge artikel 28, eerste lid, Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) wordt bij overschrijding van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn aan de belastingschuldige rente - invorderingsrente - in rekening gebracht over het op de belastingaanslag openstaande bedrag, met dien verstande dat voor het gehele tijdvak waarover de rente wordt berekend dit bedrag wordt verlaagd ingeval de belastingaanslag wordt verminderd en die vermindering leidt tot een terugbetaling. De betalingstermijn van een belastingaanslag is geregeld in artikel 9 IW 1990. De hoofdregel is dat een belastingaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen invorderbaar is twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet (artikel 9, eerste lid, IW 1990). Voor het tijdvak waarover invorderingsrente wordt berekend, geldt ingevolge het vijfde lid van artikel 28 van de IW 1990 als hoofdregel dat het tijdvak aanvangt op de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag van betaling. De omvang van de in rekening te brengen invorderingsrente kan dus pas worden bepaald nadat betaling op de belastingaanslag heeft plaatsgevonden. Of en op welk moment de aanslag is betaald, is gesteld noch aannemelijk geworden. Gelet hierop moet belanghebbendes grief tegen de invorderingsrente worden verworpen.

Conclusie

2.19. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard. Al hetgeen belanghebbende verder nog heeft gesteld, kan niet tot een ander oordeel leiden.

2.20. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 14 augustus 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 28 augustus 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.