Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY8399

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-08-2012
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
12/917
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing van de 30%-regeling in de inkomstenbelasting in principe mogelijk als deze in de loonbelasting niet is toegepast. Belanghebbende brengt bij zijn aangifte inkomstenbelasting een bedrag in mindering op zijn bruto loon als onbelaste kostenvergoeding. Belanghebbende maakt echter niet aannemelijk dat met zijn werkgever afspraken zijn gemaakt over de door hem gestelde onbelaste vergoeding. De aftrek is dan niet mogelijk. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt ook.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 629 met annotatie van deZeeuw
FutD 2013-0189

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 12/961 en 12/917

Uitspraakdatum: 24 augustus 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 7 februari 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar over het jaar 2006 en 2008 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummers [nummer].H66 en [nummer].H86).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2012 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Spaubeek, en namens de inspecteur, [gemachtigde].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is inwoner van Nederland en als militair werkzaam bij het ministerie van Defensie. Zij is van [datum] 2005 tot en met [datum] 2006 door haar werkgever (118 dagen) uitgezonden naar Bosnië en van 31 juli 2008 tot en met 17 december 2008 (140 dagen) naar Afghanistan.

2.2. Volgens de jaaropgave over 2006 bedroeg het loon van belanghebbende € 34.413 en was er een onbelaste (reiskosten)vergoeding van € 691. Over 2008 bedroeg het loon € 41.838 en de onbelaste (reiskosten)vergoeding bedroeg € 236.

2.3. Belanghebbende heeft over de betreffende jaren als volgt aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan:

2006

Belastbaar loon uit dienstbetrekking € 34.413

Af: uitzending Bosnië Nedeco € 3.378

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 31.035

2008

Belastbaar loon uit dienstbetrekking € 41.838

Af: uitzending Afghanistan Nedeco € 4.686

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 37.152

2.4. De inspecteur heeft de aftrek van € 3.378 en € 4.686 niet geaccepteerd en de aanslag over 2006 vastgesteld naar een tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.413 en over 2008 naar een van € 41.838.

2.5. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of tot de in 2.3. vermelde bedragen van € 3.378 en € 4.686 sprake is van onbelaste vergoedingen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat die bedragen op grond van de zogenaamde 30% regeling, zoals opgenomen in artikel 15a, eerste lid, aanhef, en onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet lb 1964) en artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: de 30% regeling), niet tot het belastbaar loon uit werk en woning en daarmee ook niet tot het belastbaar inkomen uit werk en woning behoren. De inspecteur is van mening dat de 30% regeling toepassing mist.

2.6. Op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UB lb 1965), in verbinding met artikel 15, eerste lid, aanhef, en onderdeel j, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden: “Vergoedingen en verstrekkingen aan extraterritoriale werknemers van kosten……in elk geval beschouwd als vergoeding voor extraterritoriale kosten tot (bewijsregel):

a. 30% van de grondslag………”

2.7. In de toelichting op artikel 9 van het UB lb 1965 (hierna: Toelichting) is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Artikel 9, eerste lid, bevat de bewijsregels als zodanig. Deze houdt in dat vergoedingen aan extraterritoriale werknemers van kosten van verblijf buiten het land van herkomst in elk geval worden beschouwd als vrije vergoeding voor extraterritoriale kosten tot een bedrag ter omvang van de som van 30% van de grondslag en het bedrag van de schoolgelden. (…)

Het gaat hier om vergoedingen van extraterritoriale kosten. Dit houdt in dat een dergelijke vergoeding afzonderlijk van het loon moet zijn overeengekomen. Administratieve splitsing van het loon in een deel loon en een deel vergoeding is dus niet mogelijk. (…)”

(Toelichting, besluit van 20 december 2000 tot aanpassing van enige uitvoeringsbesluiten, Stb.2000, 640)

2.8. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een extraterritoriale (uitgezonden) werknemer is in de zin van de wet. Voorts stelt de rechtbank voorop dat de omstandigheid dat de 30% regeling in de loonbelasting niet is toegepast, niet aan de weg hoeft te staan aan toepassing ervan in de inkomstenbelasting (Hoge Raad, 27 april 2012, nr 11/01873, www.rechtspraak.nl, LJN BU8932).

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de duidelijke tekst van de hiervoor genoemde bepalingen en op de Toelichting, alleen recht bestaan op toepassing van de 30% regeling als een belastingplichtige en zijn werkgever daarover arbeidsrechtelijke afspraken gemaakt hebben. Belanghebbende stelt, onder verwijzing naar een brief van de staatssecretaris van Defensie van 28 januari 2008, gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer dat met haar werkgever die afspraken gemaakt zijn en dat in ieder geval met andere militairen die in dezelfde positie verkeren, de 30% regeling is overeengekomen. Met dit laatste doet belanghebbende een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat zij en haar werkgever een dergelijke arbeidsrechtelijke afspraak hebben gemaakt. De verwijzing naar bovengenoemde brief van de staatssecretaris van defensie van 28 januari 2008 is daarvoor onvoldoende. In die brief wordt door de staatssecretaris in algemene bewoordingen aangegeven dat militairen die in het kader van een vredes- of humanitaire operatie worden uitgezonden een belastingvrije tegemoetkoming ontvangen van € 26,13 per dag en dat die vergoeding op grond van de fiscale regelgeving onbelast wordt toegekend. De staatssecretaris verwijst in dat verband naar de 30% regeling. Naar het oordeel van de rechtbank is deze brief te algemeen van aard om daarin een afspraak over toepassing van de 30% regeling in het geval van belanghebbende en haar werkgever te onderkennen. De rechtbank merkt daarbij op dat belanghebbende, onvoldoende weersproken, heeft gesteld dat zij geen recht had op een onbelaste vergoeding van € 26,13, zodat zij blijkbaar in een andere positie verkeerde dan die militairen waarop de staatssecretaris het oog had. Om die reden kan in dit kader een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen, nu immers niet aannemelijk gemaakt is dat sprake is van gelijke gevallen die anders worden behandeld. Ook de verwijzing van belanghebbende naar het Besluit van 20 december 2000, Staatsblad 640, leidt niet tot een ander oordeel, nu daar slechts de algemene regelgeving wordt weergegeven. De aangevoerde beroepsgronden falen.

2.11. Belanghebbende heeft in het kader van een beroep op het gelijkheidsbeginsel tevens aangevoerd dat de inspecteur in een achttal met name genoemde vergelijkbare gevallen in de inkomstenbelasting de 30% regeling heeft toegestaan. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien a. de inspecteur een begunstigend beleid voert, b. ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk tot begunstiging of c. de inspecteur een meerderheid van met belanghebbende vergelijkbare gevallen door een fout gunstiger heeft behandeld dan belanghebbende zelf (de zogenoemde meerderheidsregel).

Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat in de door haar aangevoerde gevallen sprake is geweest van begunstigend beleid of een oogmerk tot begunstiging. Voor zover belanghebbende zich met het voorgaande op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van het achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen geldt het volgende.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 december 1998, nr. 33 327, onder meer gepubliceerd BNB 1999/165c bepaald dat bij toepassing van de meerderheidsregel alleen die gevallen meetellen die onder de competentie van de betreffende eenheid vallen. Nu de inspecteur onbestreden heeft gesteld dat de door belanghebbende genoemde gevallen alle onder de competentie van een andere eenheid vallen, is van schending van de meerderheidsregel geen sprake. Derhalve faalt ook dit beroep op het gelijkheidsbeginsel.

2.12. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 24 augustus 2012 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.

De griffier, de rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 7 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.