Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY6639

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
245624 FA RK 12-699
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:253a BW. De vrouw verzoekt vervangende toestemming tot verhuizing van de minderjarige kinderen van partijen. De rechtbank acht de vrouw ontvankelijk in haar verzoek, nu artikel 1:253a lid 2 BW niet uitsluit dat gedurende de echtscheidingsprocedure door een andere rechter een beslissing wordt genomen op grond van de geschillenregeling in het eerste lid van dat artikel. Het verzoek tot het gelasten van forensische mediation wordt afgewezen, nu uit het verloop van eerdere mediationgesprekken blijkt dat partijen eerst duidelijkheid dienen te verkrijgen over de toekomstige verblijfplaats van de minderjarigen, alsvorens nader overleg tussen hen over de minderjarigen mogelijk is. Het verzoek wordt toegewezen, nu is gebleken van een noodzaak tot verhuizing en de vrouw ervan blijk geeft dat zij bij haar besluit, waar het de praktische consequenties betreft, weloverwogen en met oog voor de belangen van alle betrokkenen heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Zaaknummer: 245624 FA RK 12-699

Beschikking

in de zaak van

[moeder minderjarigen]

wonende te Terneuzen, feitelijk verblijvende te Loon op Zand,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.C. Hissink,

en

[vader minderjarigen]

wonende te Loon op Zand,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. C.M.C.J. van der Sprong.

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 14 februari 2012 ingekomen verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 16;;

- het op 6 januari 2012 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewezen vonnis in kort geding (244230 KG ZA 12-9);

- het op 9 maart 2012 ingekomen verweerschrift tevens houdende zelfstandig voorwaardelijk tegenverzoek, met produkties 1 tot en met 9;

- de op 13 maart 2012 ingekomen brief van de advocaat van de vrouw, met producties

1 tot en met 8;

- de op 5 april 2012 ingekomen faxbrief van de advocaat van de vrouw;

- het op 6 april 2012 door de advocaat van de man ingediend F9-formulier, met producties, waaronder een (deels voorwaardelijk) aanvullend verzoek;

- de op 6 april 2012 ingekomen faxbrief van de advocaat van de man, met producties 10 tot en met 13;

- de processen-verbaal van de terechtzittingen van 14 maart 2012 - daarin begrepen de bij die gelegenheid door de raadslieden van partijen overgelegde pleitnotities - respectievelijk 11 april 2012.

Ter terechtzitting is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden- en West-Brabant, gevestigd Meerten Verhoffstraat 18, 4811 AS Breda, hierna te noemen de raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

2. Het geschil

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de hierna te noemen minderjarigen te verhuizen naar Terneuzen en de minderjarigen aldaar in te schrijven op een basisschool.

De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek dan wel tot afwijzing daarvan. Bij wijze van zelfstandig verzoek wordt door hem verzocht in het geval dat het verzoek van de vrouw mocht worden toegewezen:

- bepaling dat het hoofdverblijf van de minderjarigen door de vrouw niet eerder mag worden gewijzigd dan vóór aanvang van het nieuwe schooljaar (2012-2013 of

2013-2014), althans een datum die de rechtbank juist acht;

- bepaling dat tussen de man en de minderjarigen een zorgregeling geldt, als in paragraaf 78 van het verweerschrift omschreven, zulks met ingang van de datum waarop het hoofdverblijf van de minderjarigen wordt gewijzigd;

- veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

Bij brief van zijn advocaat van 5 april 2012 is namens de man aanvullend verzocht een deskundigenonderzoek te gelasten met benoeming van een forensisch mediator met de opdracht onderzoek te verrichten en aan deze ter beantwoording de navolgende vragen voor te leggen:

a. Hoe is de relatie van de ouders met elkaar, is de relatie voor verbetering vatbaar en hoe kan deze verbetering worden gerealiseerd?

b. In hoeverre zijn de ouders in staat elkaar ruimte te bieden om het gezag werkelijk uit te oefenen en elkaar de ruimte te bieden om tot uitvoering van een uitgebreide zorgregeling over te gaan?

c. Hoe zou de zorgregeling er uit moeten zien wanneer de minderjarigen in Loon op Zand wonen?

d. Is het in het belang van de minderjarigen om naar Terneuzen te verhuizen en zo ja, hoe zou de zorgregeling er dan uit moeten zien?

e. Welke haal- en brengregeling is het meest passend?

f. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde komen in voornoemde vragen, maar wel van belang zijn voor de beoordeling?

Verder verzoekt de man - bij wijze van voorwaardelijk aanvullend verzoek -

de door hem in het verweerschrift zelfstandig verzochte zorgregeling, voor zover het de weekenden betreft te wijzigen, aldus dat wordt bepaald dat - in het geval dat de door de vrouw verzochte vervangende toestemming aan haar wordt verleend - de minderjarigen bij de man verblijven telkens gedurende de ene maand eens in de veertien dagen van vrijdagmiddag 15.00 uur tot zondagavond 19.00 uur en tijdens de andere maand gedurende 3 weekenden van vrijdag 15.00 uur tot zondag 19.00 uur. Voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt verwezen naar het als productie 12 overgelegde ouderschapsplan Terneuzen.

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen staat blijkens de stellingen en overgelegde stukken het navolgende vast.

Partijen zijn met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geboren de minderjarigen:

1. [minderjarige 1],

2. [minderjarige 2].

Tussen partijen is een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 21 december 2011 (242191 FA RK 11-5299) zijn de minderjarigen aan de vrouw toevertrouwd en is een contactregeling tussen hen en de man in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld.

3.2 Bij voormeld vonnis in kort geding van 6 januari 2012 is bepaald dat:

- het de vrouw is verboden, in afwachting van een onherroepelijke beslissing van de bodemrechter, de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen, waarbij zij is veroordeeld - voor zover nodig - haar medewerking te verlenen aan herinschrijving van de minderjarigen in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Loon op Zand, zulks op straffe van een dwangsom van € 200,= per dag indien zij in gebreke mocht blijven aan dit bevel te voldoen;

- de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de bij beschikking van deze rechtbank van 21 december 2011 vastgestelde contactregeling in geval de vrouw met de minderjarigen terugkeert naar de echtelijke woning te Loon op Zand, zulks op straffe van een dwangsom van € 200,= per dag indien zij in gebreke mocht blijven daaraan te voldoen;

- aan de man de minderjarigen worden toevertrouwd in geval de vrouw besluit haar verblijfplaats in Terneuzen te handhaven;

- in geval van toevertrouwing van de minderjarigen aan de man, de vrouw en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar één maal per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de man de minderjarigen naar de vrouw zal brengen en de vrouw de minderjarigen weer bij de man zal terugbrengen.

3.3 Ter toelichting op het verzoek is ter zitting van 14 maart 2012 - samengevat - aangevoerd

dat de vrouw mede op instignatie van de man op zoek is gegaan naar zelfstandige huisvesting en naar werk. Per 1 februari 2012 heeft zij werk gevonden in Terneuzen, waardoor het voor haar noodzakelijk werd naar die gemeente te verhuizen, nu zij de dagelijkse zorg voor de minderjarigen vanuit Loon op Zand in combinatie met haar werk in Terneuzen niet kan combineren en zij het zich bovendien in financiële zin niet kan veroorloven de woning in Loon op Zand aan haar te laten toedelen. De vrouw heeft gesolliciteerd in de regio Loon op Zand, maar hierop heeft zij geen enkele baan aangeboden gekregen. In die zin verschilt de huidige arbeidsmarkt in West-Brabant aanzienlijk met die van Zeeland, waarbij komt dat de huidige functie van de vrouw te Terneuzen aansluit bij haar opleidingsniveau en daarnaast doorgroeimogelijkheden biedt. De vrouw beschikt in Terneuzen inmiddels ook over een woning, die in omgeving van haar ouders is gelegen. Voor de minderjarigen heeft zij in Terneuzen eveneens een school gevonden en heeft zij geregeld dat de minderjarigen daar op zwemles kunnen. Daarbij heeft haar werkgever in Terneuzen blijk gegeven van een flexibele opstelling, waardoor de vrouw prima in staat is haar werk aldaar te combineren met de opvang van de minderjarigen. Voor zover de vrouw een beroep dient te doen op buitenschoolse opvang geldt dat die in Terneuzen voorhanden is, hetgeen te Loon op Zand (nog) niet het geval is.

Dat de minderjarigen van haar nieuwe leef- en werksituatie deel uitmaken acht de vrouw evident. Hiertoe acht zij relevant dat zijzelf gedurende het huwelijk tussen haar en de man steeds als hoofdverzorgster belast is geweest met de dagelijkse opvoeding en verzorging en belangrijke beslissingen over de minderjarigen door haar alleen werden genomen. De man hield en houdt van zijn dochters, maar gedurende het huwelijk was hij doordeweeks en in de weekenden niet of nauwelijks beschikbaar voor het gezin. Dit hield direct verband met het gegeven dat de man zich volledig richtte op zijn werk en diens persoonlijke levensritme daarnaast, waardoor hij vrijwel doorlopend kampte met vermoeidheid en hij als vader dientengevolge niet functioneerde. In het belang van de minderjarigen acht de vrouw het dan ook aangewezen dat de voor hen vertrouwde zorgrelatie met hun moeder niet wordt doorbroken. De vrouw begrijpt dat de door haar ondernomen verhuisactie door de man als overrompelend is ervaren. Zij wijst er in dat verband echter op dat zij als gevolg van het plotselinge vertrek van de man uit het gezin in mei 2011 en diens nalaten om opties voor werk en huisvesting in de regio Loon op Zand aan te dragen voor een voldongen feit werd gesteld.

De vrouw wijst er voorts op dat de minderjarigen nog jong zijn en dat zij nog niet in Loon op Zand zijn geworteld. De minderjarigen komen in een voor hen vertrouwde omgeving te Terneuzen terecht, alwaar de grootouders (moederszijde) en de kinderen van vrienden van de vrouw wonen. Indien haar verzoek wordt gevolgd, is de vrouw bereid haar medewerking te verlenen aan de invulling van een ouderschapsplan waarin een zo ruim mogelijke contactregeling tussen de minderjarigen en de man zal zijn opgenomen.

Ten slotte acht de vrouw van belang dat tussen haar en de man momenteel behoorlijke communicatie niet mogelijk is. In het kader van de voorlopige voorzieningen zijn zij verwezen naar een mediator. De vrouw gaat ervan uit dat zij alsnog met de man goede afspraken kan maken, zodat hiervoor een basis wordt gelegd voor nader onderling overleg dat van invloed zal zijn op een definitieve invulling van een zorg- en contactregeling tussen de man en de minderjarigen. Na zes uitvoerige sessies is de mediation voorlopig geëindigd zonder resultaat.

3.4 Ter onderbouwing van zijn verweer is ter zitting van 14 maart 2012 door en namens de

man - samengevat - aangevoerd dat de vrouw amper twee weken na de beschikking voorlopige voorzieningen zónder voorafgaand overleg en zónder zijn toestemming met de minderjarigen naar Terneuzen is verhuisd. In plaats daarvan ontving de man een e-mail van de vrouw, waarin zij aangaf aldaar een baan te hebben gevonden en erg blij te zijn met deze oplossing, waaraan door haar lange tijd hard was gewerkt. De man heeft vervolgens een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt. Hierop is de situatie in die zin gewijzigd, dat de vrouw sinds 7 januari 2012 weer in de voormalige echtelijke woning verblijft en de zorgregeling overeenkomstig de beschikking voorlopige voorzieningen overeenkomstig wordt nageleefd. Wel is door de vrouw tegen het kort gedingvonnis appèl ingesteld.

In de eerste plaats stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Hiertoe acht hij relevant dat de vrouw - vooruitlopend op de echtscheidingsprocedure - tracht een beslissing te verkrijgen omtrent de vraag bij welke ouder de minderjarigen hun hoofdverblijf dienen te hebben. Tussen hem en de vrouw is echter nog op geen enkele wijze overeenstemming bereikt omtrent de inhoud van het ouderschapsplan. Nu feitelijk in twee procedures dezelfde vraag ter beoordeling aan de rechtbank voor ligt, kan dit slechts leiden tot tegenstrijdige beschikkingen. Bovendien volgt uit de wet dat de rechter in beginsel een beslissing op grond van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek dient aan te houden totdat de ouders aan de verplichting om een ouderschapsplan over te leggen hebben voldaan. De man verwijst naar de in de pleitaantekeningen genoemde jurisprudentie terzake waaruit blijkt dat de vraag bij welke ouder de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zouden moeten hebben in de echtscheidingsprocedure beantwoord dient te worden.

De vrouw verblijft in de voormalige echtelijke woning te Loon op Zand. De man huurt een tweede woning nabij de voormalige echtelijke woning. Voor de vrouw bestaat dan ook geen noodzaak om op korte termijn te verhuizen. De man heeft ook altijd aangegeven dat hij weliswaar op termijn naar de voormalige echtelijke woning wil terugkeren, maar pas wanneer de vrouw vervangende woonruimte (in Loon op Zand of omgeving) heeft. Derhalve dient de rechter in het kader van de echtscheidingsprocedure eerst te beproeven of partijen werkelijk niet tot een ouderschapsplan kunnen komen, bijvoorbeeld nadat forensische mediation heeft plaatsgevonden. Er zijn geen gegronde dringende redenen om in de onderhavige zaak reeds een beslissing te nemen over het hoofdverblijf van de minderjarigen. Indien er thans wel een beslissing wordt gegeven wordt daarmee slechts bereikt dat in het kader van de echtscheidingsprocedure de situatie als onomkeerbaar wordt aangemerkt, nu het hoofdverblijf van de minderjarigen dan feitelijk vaststaat. In dat licht wijst de man erop dat er reeds vanaf mei 2011 een voorlopige zorgregeling geldt, luidende dat de minderjarigen eens in de veertien dagen van vrijdag tot maandag en wekelijks een dag en een nacht bij hem verblijven, welke regeling in stand dient te blijven.

Indien de rechtbank de vrouw desondanks ontvankelijk acht in haar verzoek stelt de man zich op het standpunt dat dit verzoek dient te worden afgewezen. Hiertoe acht hij van belang dat de minderjarigen in Loon op Zand zijn geboren en dat zij nog nooit zijn verhuisd. Van belang is dat hun hechting niet in gevaar komt. Juist hierom is het zeer waardevol dat zij bij beide ouders doordeweeks met overnachting verblijven. Indien de minderjarigen op grote afstand gaan wonen, zal dit een negatieve invloed hebben op het contact en de band met de andere ouder. [minderjarige 1] is een erg gevoelig kind dat veel last heeft van alle gebeurtenissen. Zij is erg angstig en geeft signalen af dat zij zich in een loyaliteitsconflict bevindt. De man begrijpt dan ook niet dat de vrouw haar uit haar vertrouwde omgeving wil weghalen. [minderjarige 2] lijkt de situatie beter aan te kunnen. Zij is in februari 2012 naar de basisschool gegaan, zodat de keuze van de vrouw om nu te verhuizen voor haar wel erg ongelukkig is. De minderjarigen hebben voorts een sterke band met de ouders van de man en diens familie die in hetzelfde dorp wonen als de man. Deze band zal door een eventuele verhuizing onder druk komen te staan. Ook kan de sterke band tussen de man en de minderjarigen door een eventuele verhuizing niet in stand blijven. De afstand Terneuzen – Loon op Zand bedraagt immers 300 kilometer retour met een reistijd van circa 3,5 uur. De kinderen zijn zeer jong en daarom is het zo belangrijk dat er niet te veel tijd zit tussen de contactmomenten en de man deel uit maakt van hun dagelijks leven. Beide minderjarigen zijn aan de man gehecht, hetgeen behouden dient te blijven.

Relevante jurisprudentie leert dat het uitgangspunt wordt gehanteerd dat er gelijkwaardigheid tussen de ouders moet bestaan. Indien er geen contra-indicaties bestaan, ligt een

co-ouderschapsregeling voor de hand, ook in het geval dat tijdens het huwelijk minder gelijkwaardigheid bestond. De nieuwe situatie vraagt van alle betrokkenen een nieuwe plaats c.q. rol aan te nemen en te streven naar twee goedlopende gezinssystemen. De man verwijst onder meer naar een uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 31 mei 2011 (BS8880), welke een redelijk vergelijkbare casus betreft. Er wordt geen toestemming verleend om met de kinderen te verhuizen. Het hof oordeelde dat een verhuizing niet in het belang van de kinderen was, onder meer vanwege de afstand. Voorts overweegt het hof dat de man er belang bij heeft dat hij serieus wordt genomen in zijn hoedanigheid als ouder met gezag, die niet onverhoeds mag worden geconfronteerd met een inbreuk op zijn gezagsrecht. Voorts adviseerde de raad, welk advies door het hof is overgenomen, dat vooruitlopend op de procedure omtrent het hoofdverblijf en de zorgregeling, geen toestemming gegeven dient te worden.

Hoewel mediation tot tweemaal toe niet is gelukt, blijft de man van mening dat overleg tot het beste resultaat zal leiden. In dat licht heeft hij aan de vrouw voorgesteld twee ouderschapsplannen te maken, één voor de situatie dat de minderjarigen in Terneuzen zouden verblijven en een plan voor het geval ze in Loon op Zand zouden blijven. Op die manier hoopte de man dat partijen meer oog voor elkaars belangen, angsten en zorgen zouden krijgen. De vrouw heeft dit voorstel echter afgewezen.

Indien de rechtbank nochtans het verzoek van de vrouw toewijst, rekent de man erop

dat de vrouw haar medewerking zal verlenen aan verbetering van hun ouderrelatie. Immers,

indien de relatie en de communicatie goed althans beter verlopen en de vrouw respect toont

voor zijn positie als medegezagdragende ouder en het vertrouwen van de man in de vrouw is

hersteld, kunnen partijen de nadelige gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen beter

opvangen. Alsdan zullen zij ook in staat zijn een ouderschapsplan op te stellen, waarin onder

meer een zorgregeling wordt opgenomen. Voorts acht de man het in het belang van de

minderjarigen dat de verhuizing plaatsvindt vlak vóór aanvang van het nieuwe schooljaar. De

overgang voor de minderjarigen zal dan gemakkelijker gaan; bovendien kunnen de ouders in de

vakantie de minderjarigen op de verhuizing voorbereiden.

Ten slotte dient in de optiek van de man de beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad te worden

verklaard. Een ingesteld hoger beroep schorst dan de werking niet. Indien de vrouw met de

minderjarigen verhuist en het hof de vervangende toestemming alsnog zou weigeren en zou

bepalen dat de minderjarigen moeten terugverhuizen is de verwarring voor de minderjarigen

compleet.

3.5 Namens de Raad voor de Kinderbescherming is ter zitting van 14 maart 2012 naar voren gebracht dat zij, los van de aan de onderhavige zaak klevende juridische aspecten, het belang van minderjarigen centraal wenst te stellen. In die zin verlangt zij van partijen dat zij met een deskundige eraan gaan werken de communicatie tussen hen op ouderniveau zodanig te verbeteren dat zij tot een oplossingsgerichte aanpak van het tussen hen gerezen geschil kunnen komen. De leeftijd van de minderjarigen brengt immers met zich dat partijen nog jarenlang op ouderniveau met elkaar dienen te overleggen. Indien partijen hierin nalatig blijven zal dit onmiskenbaar van invloed zijn op het welbevinden en de (verdere) ontwikkeling van de minderjarigen.

Partijen hebben - reagerend op het door de raad uitgebracht advies - eensluidend aangegeven bereid te zijn met de eerder door hen aangezochte mediator drs. [naam mediator] te Oosterhout nogmaals een gezamenlijk gesprek aan te gaan.

Hierop is de behandeling van de zaak aangehouden tot de nadere terechtzitting van 11 april 2012, waarbij is overwogen dat partijen de hiervóór genoemde mediator verzoeken om zo mogelijk ten aanzien van haar bevindingen naar aanleiding van de gehouden sessie schriftelijk verslag uit te brengen aan partijen, welke op hun beurt dit verslag zullen inbrengen in de procedure en de inhoud daarvan, zo partijen daartoe aanleiding zien, ter gelegenheid van de nadere meervoudige behandeling ter zitting kan worden besproken. De raadslieden van partijen is verzocht, in het geval dat een schriftelijke terugkoppeling door de mediator niet mogelijk mocht blijken, dit onverwijld schriftelijk aan de rechtbank kenbaar te maken, opdat de voortgang van de onderhavige procedure kan worden heroverwogen.

3.6 Blijkens de schriftelijke berichtgeving van de raadslieden heeft het nadere gesprek met de

mediator niet geresulteerd in overeenstemming.

3.7 Namens de man is door zijn advocaat schriftelijk - refererend aan het niet-geslaagde mediationtraject - een aanvullend verzoek gedaan strekkende tot benoeming van een forensisch mediator tot deskundige, alsmede een voorwaardelijk aanvullend verzoek tot wijziging van de door hem zelfstandig verzochte zorgregeling, als hiervóór nader omschreven.

3.8 Ter zitting van 11 april 2012 is namens en door de vrouw in de eerste plaats - waar het de ontvankelijkheid betreft ten aanzien van haar verzoek - gewezen ter aanvulling naar een beschikking van de rechtbank te Middelburg van 11 augustus 2010 (BQ6337), waarbij een verzoek van de vrouw - gedaan terwijl er al een voorlopige voorzieningenprocedure aanhangig was - tot vervangende toestemming om te mogen verhuizen naar de provincie Limburg is gehonoreerd. Verder is namens en door de vrouw - samengevat - aangevoerd dat de tot nog toe gehouden mediationsessies hebben uitgewezen dat het overleg continu in een cirkel ronddraait, waardoor partijen elkaar in geen enkel opzicht zijn genaderd. De vrouw heeft vergeefse pogingen ondernomen om de man meer bij haar voorgenomen verhuizing naar Terneuzen te betrekken door hem in staat te stellen de woning en de school aldaar te bezichtigen teneinde daarbij (gevoelsmatig) een beter beeld te krijgen. Dit bij elkaar maakt dat, ofschoon de vrouw geen belangrijke bezwaren heeft tegen de geformuleerde vragen, zij

- specifiek met het oog op de factor tijd - het aanvullend verzoek van de man tot benoeming van een forensisch mediator niet kan ondersteunen. Daarbij speelt met name een rol dat haar werkgever in Terneuzen haar - bij wijze van uitstel - een termijn heeft toegestaan eindigend op

1 augustus om met haar werkzaamheden aan te vangen, terwijl met het volgen van een forensisch mediationtraject in de regel een langere periode is gemoeid. De vrouw moet op grond daarvan concluderen dat de situatie sinds de laatste zitting ongewijzigd is gebleven en zij zich daardoor thans als het ware in een gijzelingssituatie bevindt. Ten aanzien van het door de man gememoreerde gelijkwaardigheidsaspect, waar het de gezamenlijke gezagsuitoefening betreft, acht de vrouw van belang dat een echtscheiding in het algemeen voor de niet-verzorgende ouder een beperking met zich brengt in de contactmogelijkheden. Dit neemt niet weg dat zij de man oprecht serieus neemt als mede gezagdragende ouder en zij, ook in het geval dat aan haar vervangende toestemming tot verhuizing mocht worden verleend, de man bij belangrijke zaken de minderjarigen betreffende zal blijven betrekken. De vrouw wenst nogmaals te benadrukken dat bij haar onverminderd de bereidheid aanwezig is om binnen haar mogelijkheden mee te werken aan een ruime contactregeling tussen de man en de minderjarigen.

3.9 Namens en door de ter zitting van 11 april 2012 verschenen man is - samengevat - aangevoerd dat sinds de laatste zitting in zijn optiek de noodzaak om een forensisch mediationtraject te starten is toegenomen. Tijdens de laatste mediationsessies heeft hij ervaren dat het respect dat van de vrouw zou mogen worden verwacht voor zijn positie als mede gezagdragende en tot contact gerechtigde ouder van de minderjarigen voor een belangrijk deel nog steeds ontbreekt. Hij erkent dat de vrouw steeds de hoofdverzorgster en opvoedster van de minderjarigen is geweest en dat nog steeds is, terwijl hij in het gezin voornamelijk als kostwinner fungeerde. Dit rechtvaardigt volgens de man echter geenszins dat er onder tijdsdruk beslissingen worden genomen die direct op de toekomst van de minderjarigen van invloed zijn. Meer in het belang van de minderjarigen is om door middel van gezamenlijke deelname aan een forensisch mediationtraject met open vizier de beschikbare mogelijkheden te bespreken. Dit klemt temeer, nu een verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar Terneuzen voor de man als directe consequentie heeft dat intensief contact tussen hem en de minderjarigen tot het verleden zal behoren. Daarbij handhaaft de man zijn eerdere standpunt dat de noodzaak tot de door de vrouw beoogde verhuizing ontbreekt. Ter staving hiervan wordt verwezen naar de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 31 mei 2011 (BS8880). Op basis van deze beslissing geniet het ouderschapsplan dat ziet op een woon- en leefsituatie van de minderjarigen te Loon op Zand nog steeds de voorkeur van de man, als zijnde de enige reële mogelijkheid om als ouder een rol van betekenis in het leven van de minderjarigen te kunnen (blijven) vervullen. Daarbij speelt tevens dat een verhuizing van de man naar de regio Terneuzen financieel - gezien de huidige marktwaarde van de echtelijke woning - alsook bezien vanuit persoonlijk oogpunt op dit moment voor hem geen optie is.

3.10 De vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting van

11 april 2012 opgemerkt dat zij het betreurt dat partijen op ouderniveau sinds de laatste zitting niet nader tot elkaar zijn gekomen. Ofschoon kinderen in de regel flexibel zijn, geldt dat zij

- zeker in de leeftijdsfase waarin de minderjarige kinderen van partijen verkeren - erg afhankelijk zijn van hun ouders. Met het oog hierop mag van partijen worden verwacht dat zij in staat zijn oog te hebben voor elkaars belangen en - niet in de minste plaats - voor die van de minderjarigen en dat daarover overleg plaatsvindt. In haar optiek geldt, zonder enig onderscheid te willen maken tussen het wonen van de kinderen te Loon op Zand en te Terneuzen, dat partijen ervoor dienen te zorgen dat het contact tussen hen beiden daaromtrent uit de verwijtende sfeer wordt gehaald. Indien partijen daarin niet slagen zullen de minderjarigen daarvan immers op latere leeftijd onmiskenbaar last gaan krijgen. Partijen dienen zich te realiseren dat een forensisch mediationtraject, zo daartoe mocht worden besloten, geen sluitende oplossing biedt indien zij niet in staat zijn als ex-partners op basis van gelijkwaardigheid met elkaar gesprekken aan te gaan.

3.11 De rechtbank overweegt op grond van de inhoud van de gedingstukken en het

verhandelde ter zitting als volgt.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vrouw in haar verzoek

Artikel 1: 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering schrijft voor dat een verzoekschrift tot echtscheiding van echtgenoten die één of meer minderjarige kinderen hebben, een ouderschapsplan omvat. In een ouderschapsplan worden in ieder geval afspraken opgenomen over de wijze waarop de echtgenoten de zorg- en opvoedingstaken zullen verdelen, over de wijze waarop zij elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen en over de kosten van verzorging en opvoeding. Het echtscheidingsverzoekschrift vermeldt over welke van de gevraagde voorzieningen overeenstemming tussen de ouders is bereikt en over welke van de gevraagde voorzieningen verschil van mening bestaat, met de gronden daarvoor.

Het voorschrift van artikel 1:815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering leidt ertoe dat de rechter in de echtscheidingsprocedure een regeling als bedoeld in het tweede lid van art. 1:253a Burgerlijk Wetboek treft: bij voorkeur overeenkomstig een ouderschapsplan waarover de ouders onderling overeenstemming hebben bereikt, maar als er voorzieningen nodig zijn waarover tussen de ouders een verschil van mening bestaat, dan beslist de rechter.

De bevoegdheid van de rechter in de echtscheidingsprocedure om een regeling vast te stellen als bedoeld in het tweede lid van art. 1:253a BW sluit niet uit dat gedurende de echtscheidingsprocedure door een andere rechter een beslissing wordt genomen op grond van de geschillenregeling in het eerste lid van dat artikel. Er kunnen zich immers gevallen voordoen waarin een beslissing wordt gewenst over één concreet geschilpunt tussen de ouders, zoals die in de onderhavige zaak aan de orde is. Het ontbreken van een door beide ouders ondersteund en als zodanig ondertekend ouderschapsplan doet daaraan niet af, nu het in de lijn der verwachting ligt dat, indien in de onderhavige zaak een eindbeslissing zal zijn gevolgd, die beslissing aan partijen in die mate houvast en duidelijkheid zal bieden, dat alsnog tot een door beiden ondersteund ouderschapsplan kan worden gekomen.

Het vorenstaande leidt er derhalve toe dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek.

Ten aanzien van het - aanvullend - verzoek van de man tot het gelasten van een deskundigenonderzoek in de vorm van een forensisch mediationtraject

Partijen hebben reeds meerdere malen tevergeefs geprobeerd om middels mediation-gesprekken te komen tot overeenstemming over de contactregeling en de verblijfplaats van de minderjarigen. Uit het door partijen geschetste verloope van het nog zeer recent gehouden mediationgesprek is de rechtbank gebleken dat er eerst duidelijkheid moet komen over de verblijfplaats van de minderjarigen, alvorens er bij partijen ruimte ontstaat om zich met elkaar te verstaan teneinde (verder) te gaan werken aan daadwerkelijk herstel van het vertrouwen in elkaar en tot nadere uitwerking van randvoorwaarden. De rechtbank zal het verzoek van de man tot het gelasten van forensische mediation dan ook afwijzen.

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming tot verhuizing

Ingevolge artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek - welk artikel de rechtbank in deze zaak van toepassing acht - kunnen in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen de ouders en neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Hieruit mag niet worden afgeleid dat het belang van de minderjarige bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder wegen dan andere belangen: de rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen. Dit brengt met zich dat de rechter niet kan volstaan met het uitsluitend kijken naar de belangen van de minderjarigen, maar ook de belangen van de ouders in haar oordeel dient te betrekken en alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, te weten:

- het recht en belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om zijn/haar leven opnieuw in te richten;

- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren;

- de mate waarin partijen in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op onverminderd contact met elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de leeftijd van de minderjarigen, de mening en de mate waarin het geworteld is in z ijn/haar omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;

- de extra kosten van de omgang na de verhuizing.

In het licht van voormelde aspecten acht de rechtbank het in de eerste plaats van belang op te merken dat het de vrouw valt aan te rekenen, dat zij heeft nagelaten de man over haar voorgenomen besluit om met de minderjarigen naar Terneuzen te verhuizen tijdig te informeren en hem op essentiële onderdelen daarvan vooraf te consulteren.

Daar staat tegenover dat het voor de actuele en toekomstige ontwikkeling van de minderjarigen specifiek van belang is dat het goed gaat met de persoon op wie zij uit oogpunt van hun verzorging en opvoeding in hoofdzaak tot nog toe steeds waren aangewezen, zijnde in dit geval de vrouw.

Naar het oordeel van de rechtbank is door de man onvoldoende gesteld dan wel onderbouwd dat hij in werkelijkheid de hoofdopvoeder van de minderjarigen kan worden. Dit klemt temeer nu door zijn advocaat twee concept-ouderschapsplannen zijn overgelegd die in beide afzonderlijke gevallen zien op situaties waarin de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben. In die zin geeft de man er blijk van diens zowel tijdens de kort gedingprocedure als in de gedingstukken betrekking hebbend op de echtscheiding ingenomen standpunt, luidende dat hij bereid en in staat is de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarigen ter hand te nemen, in de onderhavige zaak te hebben laten varen.

Gebleken is dat de vrouw met het oog op de door haar voorgenomen verhuizing naar Terneuzen - hetgeen voor haar persoonlijk een terugkeer inhoudt naar haar voormalige sociale netwerk - al het nodige voor zichzelf en voor de minderjarigen tot in detail heeft geregeld.

Dat door de vrouw, zoals door haar gesteld, teneinde voor zichzelf en voor de minderjarigen een alleszins perspectiefbiedende woon- en leefomgeving te vinden ook in de regio Loon op Zand serieus naar mogelijkheden is gezocht, is door de man niet althans onvoldoende weersproken.

Gebleken is dat de minderjarigen te Loon op Zand nog maar kort naar school gaan en dat ook hun leeftijd - respectievelijk 4 en 5 jaar - met zich brengt dat zij in hun huidige woon- en leefomgeving te Loon op Zand nog niet geworteld zijn, althans niet in die mate, dat dit ten aanzien van de door de vrouw voorgenomen verhuizing naar Terneuzen een contra-indicatie oplevert.

Bijzonder gewicht kent de rechtbank toe aan de wijze waarop de vrouw er - ondanks de huidige economische recessie - in is geslaagd in de regio Terneuzen een dienstbetrekking te vinden en aldaar de voor zichzelf en voor de minderjarigen voor het overige van belang zijnde voorzieningen te treffen.

Alle omstandigheden en de belangen van alle betrokkenen - als hiervóór weergegeven - tegen elkaar afgewogen acht de rechtbank door de vrouw aangetoond dat voor haar afdoende noodzaak bestaat om met de minderjarigen naar Terneuzen te verhuizen, dat zij daarbij

- afgezien van het vooraf informeren en consulteren van de man hieromtrent - haar besluit waar het de praktische consequenties van de verhuizing betreft weloverwogen met oog voor de belangen van alle betrokkenen heeft genomen. Voorts is genoegzaam gebleken dat de vrouw door serieuze initiatieven te ondernemen om een baan in de regio Loon op Zand te krijgen voldoende inspanningen heeft verricht - bij wijze van alternatief - om de gevolgen van een verhuizing voor de minderjarigen en de man te verzachten althans te compenseren.

Met inachtneming van het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw

aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen te verhuizen naar Terneuzen toewijzen, zij het onder de hierna nader beargumenteerde voorwaarde.

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw ertoe strekkende de minderjarigen te doen inschrijven op een basisschool te Terneuzen, alsmede het zelfstandig verzoek van de man tot bepaling dat het hoofdverblijf van de minderjarigen door de vrouw niet eerder mag worden gewijzigd dan vóór aanvang van het nieuwe schooljaar.

De rechtbank overweegt dat door de man geen inhoudelijk verweer is gevoerd specifiek ten aanzien van de door de vrouw gekozen basisschool te Terneuzen. Daarmee ligt met de aldus te geven beslissing houdende vervangende toestemming aan de vrouw tot verhuizing ook dit onderdeel van het verzoek van de vrouw voor toewijzing gereed. Nochtans ziet de rechtbank aanleiding daaraan uit oogpunt van de belangen van de minderjarigen als voorwaarde te verbinden dat de inschrijving op de door de vrouw beoogde basisschool en daarmee de verhuizing naar Terneuzen niet eerder dan na afsluiting van het huidige schooljaar

2011 – 2012 zal plaatsvinden.

Ten aanzien van het verzoek van de man tot vaststelling van een contactregeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Een inperking van het contact tussen de minderjarigen en de niet-verzorgende ouder - in dit geval de man - is in meer of mindere mate inherent aan situaties waarin van een echtscheiding sprake is. In dit concrete geval wordt naar het oordeel van de rechtbank de praktische uitvoerbaarheid van een contactregeling bemoeilijkt bij een verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar Terneuzen, gelet op de langere reistijd en de verhoogde reis- en contactkosten. Een beperking van de contactregeling hoeft evenwel niet automatisch te betekenen dat aan de kwaliteit van het contact wordt ingeboet. Dit klemt temeer nu een gedetailleerde regeling - opgenomen in de bijlage bij het conceptouderschapsplan Terneuzen - namens de man in het geding is gebracht, waarvan door de man vaststelling is verzocht en de vrouw de bereidheid heeft uitgesproken zich ten aanzien van de feitelijke uitvoering daarvan in de praktijk flexibel op te stellen. Het meest actuele verzoek van de man op dit punt zal derhalve overeenkomstig worden toegewezen.

Gezien het gegeven dat de minderjarigen op vrijdag tot 15.00 uur op school zitten, is de in het ouderschapsplan opgenomen aanvangstijd op dat tijdstip niet realiseerbaar. Om die reden zal het aanvangstijdstip worden aangepast aan de praktische gang van zaken en worden bepaald op 18.00 uur, waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt. De man brengt de minderjarigen vervolgens op zondag om 19.00 uur weer bij de vrouw.

De rechtbank overweegt dat de hierna te geven beslissing op alle voormelde onderdelen uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. Daartoe wordt overwogen dat een eventueel aanhangig te maken appèlprocedure alsnog tot onduidelijkheid en onzekerheid kan leiden voor de minderjarigen, hetgeen in strijd is met de belangen van laatstgenoemden.

De hierna te geven beslissing van de rechtbank zal aan partijen in die zin houvast bieden dat er duidelijkheid bestaat met betrekking tot het (toekomstige) hoofdverblijf van de minderjarigen en een contactregeling tussen hen en de man. Die situatie zal er wellicht toe leiden dat er meer ruimte ontstaat bij partijen om zich met elkaar te verstaan teneinde (verder) te gaan werken aan daadwerkelijk herstel van het vertrouwen in elkaar en - waar nodig - tot nadere uitwerking van randvoorwaarden te komen. Ondersteuning in de vorm van een mediationtraject - niet noodzakelijk forensisch - kan daarbij onmiskenbaar uitkomst bieden. Niettemin zal het daartoe strekkend verzoek van de man worden afgewezen, nu naar het oordeel van de rechtbank het initiatief om (alsnog) op een mediator een beroep te doen bij partijen dient te liggen.

Ten aanzien van het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten

In aanmerking genomen de aard van het geschil en het processuele verloop daarvan ziet de rechtbank geen aanleiding op de voet van het in artikel 289 Rechtsvordering bepaalde af te zien van de gebruikelijke compensatie van de door partijen gemaakte proceskosten.

4. De beslissing

De rechtbank

verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man, aan de vrouw toestemming om met de minderjarigen

1. [minderjarige 1],

2. [minderjarige 2],

naar de gemeente Terneuzen te verhuizen en genoemde minderjarigen te doen inschrijven op De Irisschool te Terneuzen, zij het met ingang van een datum die niet eerder gelegen is dan na afsluiting van het huidige schooljaar 2011 – 2012;

bepaalt dat voornoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot contact met de man als volgt:

- telkens gedurende de ene maand eens in de veertien dagen van vrijdagmiddag 18.00 uur tot zondagavond 19.00 uur en tijdens de andere maand gedurende 3 weekenden van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de vrouw de minderjarigen naar de man brengt en de man de minderjarigen vervolgens op zondag om 19.00 uur weer bij de vrouw brengt;

- gedurende de schoolvakanties, de algemeen erkende feestdagen en bijzondere dagen, op de wijze en onder de condities, vermeld in het aan deze beschikking gehecht door de griffier gewaarmerkt overzicht, waarvan de inhoud als hier overgenomen en herhaald dienen te worden beschouwd;

verkaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het over en weer door partijen meer dan wel anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Graaf, Schoonen en Bogaert, kinderrechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van Baremans, griffier, zijnde deze beschikking bij afwezigheid van

mr De Graaf, voorzitter, namens haar ondertekend door mr Schoonen.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: