Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY6501

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
254857/HA RK 12-190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 67 Fw, art. 69 Fw, vestiging derdenpandrecht enkele weken voor faillissement, erkenning derdenpandrecht door curatoren in het kader van een vaststellingsovereenkomst. verzoek van crediteur aan RC om opdracht te geven aan de curatoren om paulianeus handelen nader te onderzoeken en vervolgens de pandrechtvestiging te vernietigen in hoger beroep afgewezen.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 42
Faillissementswet 67
Faillissementswet 68
Faillissementswet 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/25
RI 2013/30

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK BREDA

Sector Civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 254857/HA RK 12-190

Beschikking van 17 december 2012

in de zaak van

de naamloze vennootschap NV NATIONALE BORG-MAATSCHAPPIJ,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. S.A. Gijsbertsen,

tegen

MR. B. VAN LEEUWEN en MR. P.E. BUTTERMAN, in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de naamloze vennootschap ZEELAND ALUMINIUM COMPANY NV,

kantoorhoudende te Goes respectievelijk Breda,

belanghebbenden,

advocaat: mr. J.A. de Waard.

Partijen worden hierna aangeduid als NB en de curatoren.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ter griffie ingekomen op 1 oktober 2012, met 3 producties;

- het aanvullend beroepschrift met 20 producties;

- het verweerschrift;

- de mondelinge behandeling van 3 december 2012,

- de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door mr. Gijsbertsen overgelegde pleitnotitie en het door de curatoren overgelegde e-mailbericht van 21 november 2012.

1.2. Ten slotte is uitspraak bepaald.

2. Het geschil

2.1. NB verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de beschikking van de rechter-commissaris van 27 september 2012, bekend onder nummer 11-786F, vernietigt;

2. de curatoren beveelt (opnieuw) onderzoek te doen naar de rechtmatigheid en in het bijzonder naar het (on)verplichte karakter van de verpanding aan Glencore en daarover de crediteuren en in het bijzonder aan NB en ZSP verantwoording af te leggen, alsmede indien uit dit onderzoek zou volgen dat de verpanding inderdaad een paulianeus karakter heeft, de curatoren reeds nu te bevelen deze rechtshandeling te vernietigen;

3. de curatoren beveelt in het kader van hun verweer op dit verzoek de correspondentie tussen de curatoren, Glencore en/of de rechter-commissaris die voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst van 23 december 2011 tussen de curatoren en Glencore werd gevoerd en die betrekking heeft op (de erkenning van) het door Zalco ten behoeve van Glencore gevestigde derdenpandrecht in het geding te brengen;

4. de curatoren veroordeelt in de kosten van de procedure.

2.2. De curatoren concluderen tot verwerping van het beroep.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten:

- De naamloze vennootschap Zeeland Aluminium Company NV (hierna Zalco), statutair gevestigd te Vlissingen en kantoorhoudende te Ritthem, is een dochtervennootschap van de besloten vennootschap BaseMet BV (hierna BaseMet).

- Zalco hield zich bezig met de productie van aluminium en exploiteerde daartoe in de haven van Vlissingen onder meer een aluminiumsmelterij, een aluminiumgieterij en een anodefabriek.

- In 2007 heeft Zalco bijna het volledige bedrijventerrein aan de naamloze vennnootschap Zeeland Seaports NV (hierna ZSP) verkocht en geleverd, waaronder het gedeelte waarop de aluminiumsmelterij staat. ZSP heeft het terrein vervolgens in erfpacht gegeven aan Zalco. Daarnaast heeft ZSP ten behoeve van Zalco een recht van opstal gevestigd.

- Op 27 januari 2010 heeft NB voor haar vordering op Zalco een recht van eerste hypotheek verkregen op het recht van opstal en het recht van erfpacht. Daarnaast had NB nog een pandrecht.

- Omstreeks dezelfde tijd heeft ZSP voor haar vordering op Zalco een recht van tweede hypotheek verkregen op het door haar aan Zalco verleende recht van opstal en recht van erfpacht.

- De vennootschap naar Zwitsers recht Glencore AG (hierna Glencore) is een van de grootste leveranciers van grondstoffen van Zalco. Zij leverde aluinaarde voor de productie van aluminium. Deze aluinaarde werd geleverd via een zustervennootschap van Zalco, de vennootschap naar Zwitsers recht Panther Trading AG (hierna Panther).

- Glencore heeft in verband met de laatste levering aluinaarde van Zalco een derdenpandrecht bedongen. Het pandrecht strekt tot zekerheid voor al hetgeen Glencore te vorderen heeft van BaseMet en/of Panther.

- Dit pandrecht is gevestigd op 21 november 2011. Volgens deze akte is het pandrecht gevestigd op ‘all moveable assets’. Blijkens de akte dient dit begrip aldus te worden uitgelegd dat daaronder alle aluminium voorraad en aluminium metaal voorraad vallen, waaronder eindproducten, halffabricaten en vloeibaar aluminium in de ovens.

- Op 13 december 2011 is Zalco bij vonnis van de rechtbank Middelburg op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mrs. Van Leeuwen en Butterman tot curator.

- Ten tijde van het faillissement was de onderneming nog vol in bedrijf. Een deel van het aluminium bevond zich nog in vloeibare toestand in de ovens van de aluminiumsmelterij. Kort na het uitspreken van het faillissement is het productieproces van Zalco stilgelegd, als gevolg waarvan het vloeibare aluminium in de ovens is gestold.

- Op 23 december 2011 hebben de curatoren met Glencore een overeenkomst gesloten. Met betrekking tot de aluinaarde hebben zij verklaard dat zij de eigendom van Glencore erkennen. Met betrekking tot de ‘Pledged goods’, het pandrecht op de goederen, hebben zij verklaard dat zij het pandrecht van Glencore erkennen zoals omschreven in de akte van pandrecht. Zij erkennen niet het pandrecht op het aluminium, geproduceerd na datum faillissement. Met betrekking tot het aluminium in de smeltovens zijn de curatoren met Glencore overeengekomen dat Glencore als pandhouder het aluminium verwijdert en dat de opbrengst in depot wordt gehouden in verband met een mogelijk geschil met de hypotheekhouders ZSP en/of NB. Aan de zijde van de curatoren is deze overeenkomst onderworpen aan instemming van de hypotheekhouders.

- Verder zijn partijen overeengekomen dat Glencore een bedrag van € 200.000,00 betaalt in verband met energieleveringen.

- Tussen Glencore, NB en ZSP is een geschil ontstaan over de vraag aan wie de inhoud van de ovens toekomt: Glencore als pandhouder of – door natrekking – NB en/of ZSP als hypotheekhouders.

- Op 17 februari 2012 heeft NB de executie aangezegd van het opstalrecht en aansluitend heeft ZSP aangezegd het opstal- en erfpachtrecht te willen executeren. Glencore heeft aangekondigd eventueel in kort geding positie op te eisen met betrekking tot het aluminium in de ovens.

- Op 4 juni 2012 heeft NB zich op de voet van art. 69 Fw tot de rechter-commissaris gewend met het verzoek de curatoren te bevelen onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van het aan Glencore verleende derdenpandrecht en, zo nodig, op grond van de pauliana daarvan de vernietiging in te roepen.

- Op 5 juni 2012 heeft de mondelinge behandeling van dit verzoek plaatsgevonden. Tevens werd het verzoek van Glencore tot verlenging van de termijn, die de curatoren haar op grond van art. 58 Fw hadden gesteld behandeld. De behandeling is geschorst, teneinde partijen – met name NB, ZSP en Glencore – in de gelegenheid te stellen om tot een regeling te komen. - Op 11 juni 2012 is er tussen de curatoren, NB, ZSP, de besloten vennootschap UTB BV en Century een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst hield in dat de aluminiumfabriek van Zalco in drie delen zou worden gesplitst. De aluminiumgieterij zou worden overgedragen aan UTB en de anodefabriek aan Century. ZSP zou de aluminiumsmelterij laten slopen en de ondergrond laten reinigen, om plaats te maken voor nieuwe (havengebonden) activiteiten op het terrein. De sloop en de sanering zouden worden uitgevoerd door UTB.

- Op 27 juni 2012 heeft Glencore aan de voorzieningenrechter te Middelburg verlof gevraagd – en gekregen – tot het leggen van beslag ex art. 496 lid 2 Rv jo art. 492 Rv.

- Op 30 juni 2012 heeft Glencore pandhoudersbeslag gelegd op het gestolde aluminium in de smeltovens van ZSP.

- Bij dagvaarding van 17 augustus 2012 heeft Glencore bij de rechtbank Middelburg een kort geding aanhangig gemaakt tegen UTB, ZSP en de curatoren, waarin zij – kort gezegd – vordert UTB te verbieden de ovens te slopen en de inhoud te verwijderen en ZSP en de curatoren te laten gehengen en gedogen dat Glencore de inhoud van de ovens verwijdert en verkoopt.

- Op 20 en 27 augustus 2012 is de behandeling van het verzoek ex art. 69 Fw van NB door de rechter-commissaris voortgezet.

- Op 5 september 2012 heeft Glencore aangekondigd op 10 september 2012 tot executie van haar pandrecht op het gestolde aluminium in de ovens over te gaan. Bij kort geding dagvaarding van 8 september 2012 heeft NB als lasthebber van ZSP gevorderd deze executie te verbieden. Bij vonnis van 10 september 2012 heeft de voorzieningenrechter te Middelburg dat verbod toegewezen.

- Bij beschikking van 10 september 2012 heeft de rechter-commissaris op het verzoek van Glencore tot verlenging van de termijn ex art. 58 Fw beslist dat de termijn is verlengd tot 10 september 2012 en de verdere verlenging afgewezen.

- Bij vonnis van 11 september 2012 heeft de voorzieningenrechter te Middelburg de vordering van Glencore afgewezen, onder opheffing van het door Glencore gelegde beslag. Overwogen is dat voorshands niet is gebleken dat de vestiging van het pandrecht ten behoeve van Glencore als paulianeus moet worden betiteld, omdat de curatoren de verpanding niet hebben vernietigd met een beroep op art. 42 Fw jo art. 43 lid 1 sub 1 en 2 Fw en er nog niet is beslist op het verzoek ex art. 69 Fw om de curatoren te bevelen de pandrechten van Glencore te vernietigen. Vervolgens is overwogen dat het aluminium op grond van art. 3:4 lid 2 BW door de ovens is nagetrokken en dat, nu de ovens als onroerend te kwalificeren zijn, het aluminium ook onroerend is. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat Glencore geen pandrecht heeft.

- Bij beschikking van 27 september 2012 heeft de rechter-commissaris op het verzoek ex art. 69 Fw van NB beslist. Het verzoek is afgewezen.

3.2. Ingevolge art. 67 Fw is gedurende vijf dagen hoger beroep op de rechtbank mogelijk van alle beschikkingen van de rechter-commissaris. NB heeft tegen de beschikking van 27 september 2012 van de rechter-commissaris tijdig beroep ingesteld, aangezien haar verzoekschrift op 1 oktober 2012 ter griffie is ingekomen. Zij kan dan ook in zoverre in haar verzoek worden ontvangen.

3.3. De curatoren hebben voor het eerst ter zitting in beroep het verweer opgeworpen dat NB haar vordering niet ter verificatie heeft ingediend, zodat NB niet-ontvankelijk is. Daarnaast hebben de curatoren de vraag opgeworpen of NB nog wel een vordering heeft, nu zij een aantal zekerheden heeft uitgewonnen. NB heeft ter zitting aangevoerd dat zij aan het begin van het faillissement weldegelijk haar vordering ter verificatie heeft ingediend en dat zij ook na uitwinning van haar zekerheden nog een vordering heeft van ruim EURO 6.000.000,00. Zodra bekend is hoe hoog die vordering precies is, zal de definitieve vordering bij de curatoren worden ingediend, aldus NB.

3.4. Met betrekking tot het beroep van de curatoren op niet-ontvankelijkheid merkt de rechtbank op dat als uitgangspunt heeft te gelden dat voor een schuldeiser die op de voet van art. 69 Fw is opgekomen tegen een handeling van de curator, op grond van art. 67 lid 1 Fw tegen de daarop volgende beschikking van de rechter-commissaris hoger beroep open staat. De ontvankelijkheid van de schuldeiser in het hoger beroep vloeit dan ook niet voort uit de omstandigheid dat hij schuldeiser is in het faillissement, maar uit de omstandigheid dat hij degene is die het tot de beschikking leidende verzoek aan de rechter-commissaris heeft gedaan. Aangezien NB partij is bij de beschikking waartegen het beroep zich richt, is NB ontvankelijk in haar beroep. Voor zover de curatoren hebben willen stellen dat NB ten onrechte door de rechter-commissaris ontvankelijk is verklaard in haar verzoek ex art. 69 Fw, wordt dit verweer verworpen. De rechter-commissaris heeft NB ontvankelijk verklaard in haar verzoek. Van deze beslissing zijn de curatoren niet in beroep gekomen en zij kunnen daartegen nu niet mondeling ter zitting grieven aandragen.

3.5. Overigens merkt de rechtbank met betrekking tot het beroep van de curatoren op de niet-ontvankelijkheid van NB op dat tussen partijen nimmer in geschil is geweest dat NB een van de schuldeisers is van Zalco. Of NB haar vordering al ter verificatie heeft ingediend kan in het midden worden gelaten, nu ter zitting duidelijk is gebleken dat voor zover er al geen vordering is ingediend, NB deze alsnog zal indienen. NB kan dan ook als een schuldeiser worden beschouwd als bedoeld in art. 69 Fw. Zij is dan ook terecht door de rechter-commissaris ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

3.6. De grieven strekken ertoe het verzoek ex art. 69 Fw in volle omvang aan de rechtbank voor te leggen, zodat deze hieronder niet afzonderlijk zullen worden behandeld.

3.7. Het aan het verzoek ten grondslag liggende standpunt van NB komt er in de kern op neer dat de vestiging van het derdenpandrecht een paulianeuze rechtshandeling is en dat de curatoren het door Zalco aan Glencore verleende derdenpandrecht dan ook niet hadden mogen erkennen. De curatoren hebben als verweer aangevoerd dat de overeenkomst van 23 december 2011, waarbij zij onder meer het pandrecht van Glencore hebben erkend, is gesloten in het belang van de boedel.

3.8. De rechtbank neemt bij de beoordeling als uitgangspunt dat in het verzoek ex art. 69 Fw, waarmee NB aan de rechter-commissaris in feite de vraag heeft voorgelegd of de curatoren het pandrecht van Glencore wel hadden mogen erkennen, de vraag besloten ligt of de curatoren hun taak ex art. 68 Fw naar behoren hebben vervuld. Art. 69 Fw biedt schuldeisers immers de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het beheer en de vereffening van de boedel door de curator. Door bij de rechter-commissaris op te komen tegen een handeling van de curator en van de rechter-commissaris een bevel uit te lokken de curator op te dragen iets te doen of na te laten, kan een schuldeiser laten toetsen of de curator zijn taak ex art. 68 Fw wel op juiste wijze vervult.

3.9. In het onderhavige geval is NB bij de rechter-commissaris opgekomen tegen de erkenning van het pandrecht door de curatoren door de rechter-commissaris te vragen de curatoren te bevelen nader onderzoek te verrichten naar de rechtmatigheid van het door Zalco aan Glencore verleende derdenpandrecht, daarvan verantwoording af te leggen aan de schuldeisers, in het bijzonder aan NB, en – indien mocht blijken dat de vestiging van dit pandrecht paulianeus is – het pandrecht te vernietigen met een beroep op art. 42 Fw.

3.10. De curatoren hebben als verweer aangevoerd dat de erkenning van het pandrecht onderdeel uitmaakt van een meer omvattende overeenkomst met Glencore en dat het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011 als een goed beheer van de boedel kan worden beschouwd. Ter toelichting op de overeenkomst van 23 december 2011 hebben de curatoren ter zitting aangevoerd dat zij met deze overeenkomst een aantal rechten hebben willen vaststellen, waaronder de rechten van Glencore ten aanzien van de door Glencore aan Panther geleverde grondstoffen en het door Zalco ten behoeve van Glencore gevestigde derdenpandrecht, de rechten ten aanzien van de onroerende en roerende zaken, de positie van de hypotheekhouders en de vraag hoe om te gaan met de verkoop van het (na datum faillissement nog te produceren) aluminium. De curatoren hebben aangevoerd dat de boedel er groot belang bij had dat aluminiumproduct, dat van de in de ovens aanwezige vloeibare aluminium nog geproduceerd kon worden, werd afgenomen tegen een marktconforme prijs. De boedel zag zich immers gesteld voor grote uitgaven en geen der belanghebbende partijen was bereid gelden aan de boedel te fourneren. Glencore was alleen bereid de voor de boedel zo belangrijke afspraken te maken, wanneer haar pandrecht erkend zou worden. De overeenkomst van 23 december 2011 is dan ook een packagedeal, die de boedel aanzienlijk bedragen zou opleveren, en ook heeft opgeleverd, en waardoor de curatoren in staat waren om de boedel op een efficiënte wijze te vereffenen zonder in langlopende procedures betrokken te raken. Zo was Glencore bereid om aan de boedel een bedrag van EURO 200.000,00 te betalen voor de energiekosten en heeft de verkoop aan Glencore van het na datum faillissement geproduceerde aluminium de boedel een bedrag van EURO 7.000.000,00 à EURO 8.000.000,00 opgeleverd. Daarnaast waren de curatoren door deze overeenkomst in staat om het complex in stand te houden, waardoor zij, na splitsing, twee onderdelen hebben kunnen verkopen tegen een goede prijs. Dit heeft de boedel een bedrag van EURO 500.000,00 aan boedelbijdrage opgeleverd. Bovendien hebben zij daardoor aan de koper van een van de onderdelen roerende zaken kunnen verkopen voor een bedrag van EURO 950.000,00. Dat deze roerende zaken de boedel op een veiling aanzienlijk minder zouden hebben opgeleverd, blijkt wel uit het feit dat deze roerende zaken de koper, die de aan hem verkochte roerende zaken op een veiling heeft verkocht, maar een bedrag van EURO 250.000,00 heeft opgeleverd, aldus de curatoren.

3.11. Met betrekking tot het onderzoek naar de rechtmatigheid van het verleende pandrecht hebben de curatoren desgevraagd ter zitting verklaard dat zij het begrijpelijk vonden dat Glencore voor een levering van zo’n EURO 3.000.000,00 zekerheid verlangde in de vorm van een derdenpandrecht, zeker gezien de aanzienlijke financiering die Glencore eind 2010/begin 2011 had verleend voor de uitbreiding van de productiecapaciteit van Zalco door van ongeveer 200 ovens naar ruim 500 ovens te gaan. Gevoegd bij het feit dat alle handelingen in 2011 gericht waren op de continuïteit van de onderneming (uitbreiding van het productieproces), de directie van Zalco vertrouwen had in de onderneming (getuige de forse investering van EURO 11.500.000,00 op 21 november 2011 door een aandeelhouder van Zalco), Zalco begin 2011 nog een kleine winst had geboekt en Glencore oprecht verrast was door het faillissement, waren de curatoren van mening dat van wetenschap van benadeling geen sprake was. Het belang van de boedel bij het inroepen van de pauliana en de daaraan verbonden procesrisico’s afwegend tegen het belang van de boedel bij het treffen van een regeling met Glencore, zoals neergelegd in de overeenkomst van 23 december 2011, heeft de curatoren tot de conclusie gebracht dat de erkenning van het pandrecht in het belang van de boedel zou zijn. Dat dit een terechte conclusie is geweest blijkt wel uit wat deze regeling de boedel aan activa heeft opgeleverd. Daar komt nog bij dat nu Glencore de haar gestelde termijn ex art. 58 Fw voorbij heeft laten gaan, de curatoren tot verkoop over kunnen gaan en de uitkering aan Glencore via de boedel verloopt, zodat Glencore bijdraagt aan de faillissementskosten, aldus de curatoren.

3.12. De rechtbank is van oordeel dat de curatoren de rechtmatigheid van het pandrecht van Glencore onvoldoende hebben onderzocht. Zo hebben de curatoren niet onderzocht hoe lang Glencore al grondstoffen leverde, of Glencore voor eerdere leveringen ook zekerheid verlangde en, zo niet, waarom zij deze zekerheid voor deze laatste levering op 23 november 2011 wel verlangde. Evenmin hebben de curatoren onderzocht voor welke vorderingen van Glencore op Panther en BaseMet het pandrecht werd verleend, met andere woorden welke bestaande vorderingen onder dit pandrecht vielen, noch waarom Glencore niet eerder zekerheid voor deze vorderingen had verlangd. Evenmin is onderzocht welke vorderingen nog openstonden, hoe oud deze vorderingen waren en waarom deze niet waren voldaan. Ook met betrekking tot de vraag wat de financiële positie van Zalco was ten tijde van de verlening van het pandrecht en in hoeverre Glencore daarvan op de hoogte was is geen onderzoek gedaan en ook de oorzaak van het faillissement was op dat moment niet bekend bij de curatoren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de curatoren op het moment waarop zij het pandrecht van Glencore hebben erkend niet in staat waren te beoordelen of Zalco en/of Glencore rekening hadden behoren te houden met de mogelijkheid dat Zalco failliet zou gaan en daarmee ook niet of er sprake was van wetenschap van benadeling. De rechtbank begrijpt het verweer van de curatoren dan ook aldus, dat zij het risico hebben genomen dat achteraf, na gedegen onderzoek, zou blijken dat de vestiging van het pandrecht paulianeus was, nu daartegenover een veel groter belang van de boedel stond, namelijk het belang om zoveel mogelijk opbrengst voor de boedel te genereren. Dit zou pas mogelijk zijn wanneer Glencore bereid zou zijn om het nog te produceren aluminium tegen een marktconforme prijs af te nemen en de curatoren op korte termijn over voldoende inkomsten voor de boedel zouden kunnen beschikken om het complex in stand te houden om vervolgens de onderneming – al dan niet in onderdelen – tegen een zo hoog mogelijke prijs te verkopen.

3.13. NB heeft niet weersproken dat het sluiten van de overeenkomst van 23 december 2011 het belang van de boedel heeft gediend, een en ander zoals door de curatoren ter zitting nader geconcretiseerd en hierboven weergegeven. Evenmin heeft NB de curatoren verweten dat zij in dit opzicht hun taak niet naar behoren hebben vervuld. Zij is alleen van mening dat de curatoren het pandrecht niet hadden mogen erkennen. De rechtbank is van oordeel dat ook indien – na nader onderzoek – zou komen vast te staan dat NB daarin gelijk heeft, de rechter-commissaris terecht het verzoek van NB om de curatoren op te dragen nader onderzoek te verrichten heeft afgewezen, zij het dat de rechtbank op andere gronden dan de rechter-commissaris tot dit oordeel komt. Volgens de curatoren hebben zij op 23 december 2011 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Steun voor deze stelling kan worden gevonden in de aanhef van de overeenkomst, waarin staat dat Glencore en de curatoren ‘in ending an ongoing discussion on the seperate points listed herunder’ een aantal afspraken hebben gemaakt. Ook NB gaat ervan uit dat deze overeenkomst een vaststellingsovereenkomst is. Dat betekent dat de curatoren, naar zij terecht stellen, niet meer op de erkenning van het pandrecht terug kunnen komen, ook niet wanneer na nader onderzoek zou blijken dat de curatoren het pandrecht van Glencore ten onrechte hebben erkend. De curatoren hebben immers aan de discussie of aan Glencore een rechtsgeldig pandrecht is verleend met deze overeenkomst een einde gemaakt. Overigens ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het verweer van de curatoren, dat er sprake is geweest van een goed beheer van de boedel door op 23 december 2011 een regeling met Glencore te treffen, die onder meer inhield dat het pandrecht van Glencore zou worden erkend.

3.14. Het vorenstaande leidt ertoe dat de verzoeken onder 1 en 2 zullen worden afgewezen. Zulks heeft tot gevolg dat bespreking en beoordeling van het verzoek onder 3 achterwege kan blijven. NB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten aan de zijde van de curatoren worden begroot op:

- vast recht EURO 267,00

- salaris advocaat (2 punten) EURO 904,00

totaal EURO 1.171,00

De rechtbank zal deze kostenveroordeling op de voet van art. 288 Rv ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1. wijst het verzoek in hoger beroep af;

4.2. veroordeelt NB in de kosten van het geding deze voor zover aan de zijde van de curatoren gevallen tot op heden begroot op EURO 1.171,00;

4.3. verklaart bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Poerink, Hermans en Van de Wetering en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op maandag 17 december 2012.