Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2914

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-08-2012
Datum publicatie
13-11-2012
Zaaknummer
AWB 12/116 WET en AWB 12/166 WET
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:2111, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning planschadevergoeding art. 49 WRO. Belanghebbende art. 49a, tweede lid, WRO. Reformatio in peius. Zorgvuldigheid onderzoek/deskundigheid. Waardevermindering 1,5% voldoende inzichtelijk. Voordeeltoerekening. Planvergelijking. Actieve risicoaanvaarding. Proceskosten. Schadevergoeding i.v.m. overschrijding redelijke termijn a.b.i. art. 6 van het EVRM. Beroep gegrond; zelf in de zaak voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/116 WET en AWB 12/166 WET

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 augustus 2012 in de zaak tussen

1. [naam persoon], te [woonplaats], eiser sub 1,

en

2. Aannemingsbedrijf [naam] & Zn. B.V., te [plaatsnaam],

3. [naam] Vastgoed B.V., te plaatsnaam],

4. [naam] B.V., te [plaatsnaam],

eisers sub 2 tot en met 4,

gemachtigde: mr. E. Beele,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder,

gemachtigde: [naam persoon] (Stichting Plan & Schade).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2008 (primair besluit) heeft verweerder een tegemoetkoming in planschade toegekend aan eiser sub 1 voor een bedrag van € 10.570,41.

Tegen het primaire besluit is bezwaar gemaakt door eisers 2, 3 en 4. Bij besluit van 30 november 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres sub 2 gegrond verklaard voor wat betreft de gemaakte planologische vergelijking. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en heeft in plaats daarvan een planschadevergoeding aan eiser sub 1 toegekend van € 6.500,=. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren van eiseres sub 2 ongegrond verklaard. De bezwaren van eisers sub 3 en 4 zijn niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eisers sub 3 en 4 geen belanghebbenden zijn bij het primaire besluit.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2012.

Eiser sub 1 is in persoon verschenen.

Eisers sub 2 tot en met 4 zijn verschenen bij gemachtigde. Tevens is namens eiseres sub 2 verschenen bij [naam persoon] (directeur).

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam persoon].

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Eiser sub 1 heeft sinds 19 mei 2003 in eigendom het perceel, kadastraal bekend gemeente Oisterwijk sectie A, nummer 2511, plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats].

Op 8 maart 2005 heeft verweerder met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend aan eiseres sub 2 ten behoeve van een bouwplan voor een zestal grondgebonden woningen met bijbehorende bergingen en drie appartementencomplexen, inclusief 73 parkeervoorzieningen. Eiser sub 1 heeft bij aanvraag van 27 september 2007 verzocht om een vergoeding van de door hem geleden planschade. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder advies gevraagd aan de schadebeoordelingscommissie van Gloudemans Taxatie- en Adviesbureau te Rosmalen ([naam adviesbureau]).

[naam adviesbureau] heeft verweerder op 31 juli 2008 geadviseerd aan eiser sub 1 een schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van € 10.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van het verzoek. Vervolgens heeft verweerder het verzoek om planschadevergoeding van eiser sub 1 toegewezen. Verweerder heeft een schadevergoeding aan eiser sub 1 toegekend van in totaal € 10.570,41.

Verweerder heeft in bezwaar [naam adviesbureau] om een nader standpunt gevraagd. Op 25 november 2010 heeft [naam adviesbureau] verweerder opnieuw geadviseerd om aan eiser sub 1 een schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van

€ 10.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van het verzoek. Verweerder heeft vervolgens een second opinion gevraagd aan Stichting Plan & Schade (de Stichting). De Stichting heeft verweerder geadviseerd om aan eiser sub 1 een planschadevergoeding toe te kennen van (afgerond) € 6.500,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2007. Dit advies heeft verweerder in het bestreden besluit overgenomen.

2. Eiser sub 1 heeft aangevoerd dat verweerder zich niet op de second opinion van de Stichting heeft kunnen beroepen. De waardevermindering is door de Stichting te laag ingeschat, mede doordat zij de woning van eiser sub 1 niet heeft bezocht. Volgens eiser sub 1 heeft de Stichting niet inzichtelijk gemaakt hoe zij tot een waardevermindering van 1,5% is gekomen. Eiser sub 1 wijst er voorts op dat hij met het bestreden besluit in een slechtere positie is gebracht. Reeds daarom kan het bestreden besluit volgens eiser sub 1 niet in stand blijven.

Eisers sub 2 tot en met 4 hebben aangevoerd dat verweerder de bezwaren van eisers sub 3 en 4 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij menen dat zij door het primaire besluit rechtstreeks in hun belangen zijn getroffen nu zij onder de planschadeovereenkomst door de gemeente Oisterwijk kunnen worden aangesproken tot vergoeding c.q. vrijwaring van de uit te keren bedragen aan planschadevergoeding.

Verder kunnen eisers sub 2 tot en met 4 zich niet vinden in de door verweerder toegekende proceskostenvergoeding van

€ 966,=. Eisers sub 2 tot en met 4 wijzen erop dat de zaak door verweerder ten onrechte is gekwalificeerd als ‘een zaak van gemiddeld gewicht’. Voorts wijzen eisers erop dat zij tot driemaal toe zienswijzen hebben ingediend. Dat leidt ertoe dat er naar de mening van eisers sprake is van 3,5 procespunt per zaak.

Eisers sub 2 tot en met 4 hebben tevens aangevoerd dat de termijn, die verweerder heeft nodig heeft gehad om op de bezwaarschriften te beslissen, onredelijk lang is geweest en dat de termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) ruimschoots is overschreden. Zij maken dan ook aanspraak op een vergoeding van € 500,= voor elk half jaar dat vanaf september 2008 is verstreken.

Eisers sub 2 tot en met 4 stellen zich op het standpunt dat de door verweerder verleende vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO voor eiser ook tot voordeel heeft geleid en dat dit voordeel dient te worden verrekend met het door eiser gestelde nadeel. Eisers sub 2 tot en met 4 wijzen er in dat verband op dat de desbetreffende gronden werden gebruikt ten behoeve van een horecabedrijf/seksinrichting (parenclub). Voorts stellen eisers sub 2 tot en met 4 dat er bij eiser sub 1 sprake is van actieve risicoaanvaarding. Eiser sub 1 heeft zijn woning gekocht op 5 maart 2003 en op dat moment was de planologische wijziging voorzienbaar. Verweerder heeft voorts ten onrechte geoordeeld dat de op grond van de verleende vrijstelling gegeven bouwmogelijkheden niet op een lijn zijn te stellen met die welke op grond van de in het vigerende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheden hadden kunnen worden gerealiseerd. Eisers sub 2 tot en met 4 hebben tot slot opgemerkt dat het vrijstellingsbesluit nog steeds de mogelijkheid onverlet laat om op de desbetreffende gronden een horecafunctie te realiseren.

3. De rechtbank ziet zich in eerste instantie voor de vraag gesteld, of verweerder het bezwaar van eisers sub 3 en 4 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dat verband dient te worden beoordeeld of eisers sub 3 en 4 als belanghebbenden in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

In artikel 49a, eerste lid, van de WRO is bepaald dat voor zover schade, die op grond van artikel 49 voor vergoeding in aanmerking zou komen, haar grondslag vindt in een besluit op een verzoek om ten behoeve van de verwezenlijking van een project bepalingen in een bestemmingsplan op te nemen of te wijzigen dan wel om vrijstelling te verlenen, anders dan bedoeld in artikel 31a of 31b, burgemeester en wethouders met de verzoeker kunnen overeenkomen, dat die schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening komt.

In artikel 49a, tweede lid, van de WRO is bepaald dat de verzoeker, die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, belanghebbende is bij een besluit van burgemeester en wethouders op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel 49 terzake van de wijziging van het bestemmingsplan dan wel de verle-ning van de vrijstelling waarom hij heeft verzocht.

De rechtbank stelt vast dat eiseres sub 2 de bouwaanvraag heeft ingediend. Met toepassing van artikel 46, derde lid, van de Woningwet heeft verweerder die bouwaanvraag mede opgevat als een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan. In die zin moet eiseres sub 2 als verzoeker in de zin van artikel 49a, eerste lid, van de WRO worden beschouwd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat alleen die verzoeker als belanghebbende in de zin van artikel 49a, tweede lid, van de WRO kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat een te strikte interpretatie van artikel 49a van de WRO. Vaststaat dat ook eisers sub 3 en 4 partij zijn geweest in de met de gemeente Oisterwijk gesloten planschadeovereenkomst en dat eisers sub 2, 3 en 4 (hoofdelijk) aansprakelijk kunnen worden gesteld voor vergoeding van planschade ten gevolge van het in geding zijnde bouwplan. Een redelijke uitleg van artikel 49a, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, leidt naar het oordeel van de rechtbank ertoe, dat ook eisers sub 3 en 4 op basis van het voorgaande in dit geval een rechtstreeks belang hebben bij het primaire besluit en dat zij derhalve in deze procedure als belanghebben-den moeten worden aangemerkt. Dat betekent dat verweerder de bezwaren van eisers sub 3 en 4 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4. Eiser sub 1 heeft erop gewezen, dat hij met het bestreden besluit in een slechtere positie is gekomen. Hij beroept zich, zo neemt de rechtbank aan, op het verbod van reformatio in peius. Dat beroep kan niet slagen, omdat er derde belanghebbenden bij de besluitvorming betrokken zijn, die bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit. Dat verweerder op basis van dat bezwaarschrift (gedeeltelijk) het primaire besluit heeft herroepen, is een consequentie van een bezwaarprocedure, die niet in strijd met het verbod van reformatio in peius of anderszins onrechtmatig kan worden geacht.

Eiser sub 1 heeft ter zitting opgemerkt dat hij de uitbetaalde schadevergoeding waarschijnlijk voor een deel moet terugbetalen en dat dit grote financiële consequenties voor hem heeft. Dat is een feitelijk gevolg van het bestreden besluit en de bestuursrechter is niet bevoegd om daarover te oordelen.

5. Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening ingetrokken. Gelet op artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor 1 juli 2008. De aanvraag om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO is in het onderhavige geval ingediend op 27 september 2007; gelet hierop is op deze aanvraag de WRO van toepassing.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, sub b, van de WRO – voor zover relevant – kennen burgemeester en wethouders belanghebbende op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

6. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO moet worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, waardoor hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is voor wat betreft het oude planologisch regime niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt geldt evenzeer voor de vaststelling van de eventuele waardevermindering. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevon-den om van voormeld uitgangspunt af te wijken.

Verweerder heeft voorafgaand aan het bestreden besluit twee adviesbureaus ingeschakeld: [naam] Taxatie- en Adviesbureau en de Stichting Plan & Schade. De rechtbank stelt voorop dat de beide adviesbureaus te beschouwen zijn als onafhankelijke deskundigen op het gebied van planschade. Verweerder heeft het advies van de Stichting aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Verweerder heeft aangegeven dat hij een second opinion aan de Stichting heeft gevraagd, omdat er twijfel is gerezen over de steekhoudendheid van het advies van [naam]. Verweerder heeft in dat verband verwezen naar de door de bezwaarschriftencommissie geconstateerde gebreken en de door verweerder gemaakte opmerkingen. De keuze van verweerder om het advies van de Stichting aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, acht de rechtbank in beginsel niet onjuist of onredelijk. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiser sub 1 ook geen reden om te veronderstellen, dat het advies van de Stichting onzorgvuldig tot stand is gekomen. Ter zitting is gebleken dat de Stichting de situatie ter plaatse heeft beoordeeld. De Stichting heeft in haar advies tevens blijk gegeven van een zorgvuldige dossierstudie, waaronder de advisering van [naam adviesbureau], en heeft haar advies deugdelijk gemotiveerd. Onder de gegeven omstandigheden was het opnemen van de situatie in de woning van eiser sub 1 niet nodig voor een zorgvuldig onderzoek. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking, dat de door [naam adviesbureau] getaxeerde waarde van de woning voor de peildatum in bezwaar niet is betwist. De rechtbank zal hierna beoordelen of aan het advies van de Stichting inhoudelijk ernstige gebreken kleven, op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verweerder dit advies niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

6.1. De Stichting heeft 10 maart 2005 als peildatum gehanteerd, zijnde de datum waarop de planologische mutatie in werking is getreden. Rekening houdend met de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan “Woongebied West”, heeft de Stichting geconcludeerd dat voor eiser sub 1 als gevolg van de planologische mutatie een planologisch nadeliger situatie is ontstaan. De Stichting heeft die waardevermindering als ‘enigszins nadelig’ gekwalificeerd. Zij is van mening dat een waardevermindering van 1,5% in overeenstemming is met de mate waarin de planologische wijziging van invloed is op de waarde van de woning onmiddellijk na de peildatum. Omdat de waarde van de woning voor de peildatum, zoals getaxeerd door [naam adviesbureau], in bezwaar niet is betwist, is de Stichting uitgegaan van een waarde voor de peildatum van € 425.000,=.

6.2. Eiser sub 1 heeft zich op het standpunt gesteld dat de Stichting onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zij tot een waardevermindering van 1,5% is gekomen.

De Stichting heeft in haar reactie van 20 oktober 2011 hangende bezwaar verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 14 juli 2010 (LJ-nummer: BU8052), waarin de AbRS heeft aanvaard dat de ernst van een inbreuk op het woongenot kan worden gekwalificeerd in ‘enigszins nadelig’, ‘zwaar’ en ‘bovenmatig zwaar’. De kwalificatie ‘enigszins nadelig’ kan daarbij worden vertaald in een waardevermindering van 1 tot 5%. De Stichting heeft de situatie in dit geval gekwalificeerd als licht nadelig. De Stichting heeft daarbij in aanmerking genomen de planvergelijking, de mate waarin er sprake is van een planologisch nadeliger situatie, de omstandigheid dat er sprake is van één schadefactor en de omstandigheid dat het perceel van eiser sub 1 is gesitueerd in een binnenstedelijke omgeving waardoor van volledig ongestoord woongenot geen sprake is. De waardevermindering is door de Stichting gewaardeerd op 1,5%.

Vooropgesteld dat een waardebepaling altijd een zekere mate van subjectiviteit in zich heeft, heeft de Stichting met bovenvermelde onderbouwing naar het oordeel van de rechtbank voldoende geobjectiveerd ofwel inzichtelijk gemaakt, hoe zij tot een waardevermindering van 1,5% is gekomen.

Dat betekent, dat op basis van de beroepsgronden niet is gebleken dat aan het advies van de Stichting inhoudelijk ernstige gebreken kleven. Verweerder heeft dit advies dan ook aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

7. De beroepsgronden van eiser sub 1 zijn met het bovenstaande besproken. Het beroep van eiser sub 1 zal ongegrond worden verklaard.

8. Eisers sub 2 tot en met 4 hebben zich op het standpunt gesteld, dat in het bestreden besluit ook een voordeeltoerekening had moeten plaatsvinden. Met het verdwijnen van de seksinrichting heeft eiser sub 1 immers ook voordeel genoten. De rechtbank volgt eisers sub 2 tot en met 4 daarin niet. Immers is, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5 al is aangegeven, niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd. De Stichting heeft naar het oordeel van de rechtbank een correcte planvergelijking toegepast.

9. Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS komt aan een wijzigingsbevoegdheid, die in het oude planologisch regime niet is verwezenlijkt, bij een te maken planvergelijking geen betekenis toe, noch bij de beantwoording van de vraag of de planologische mutatie voorzienbaar was. Eisers sub 2 tot en met 4 hebben zich op het standpunt gesteld, dat de wijzigingsbevoegdheid wel degelijk is verwezenlijkt. Door toe te staan dat er appartementen worden gebouwd op een bestemming ‘Detailhandelsdoeleinden (D)’ is – zo begrijpt de recht-bank – (impliciet) gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de bestemming ‘Detailhandelsdoeleinden (D)’ te wijzigen in ‘Woondoeleinden (W)’. De verleende vrijstelling moet in zoverre op een lijn worden gesteld met de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de planvoorschriften. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen. Voor de vraag of een wijzigingsbevoegdheid is verwezenlijkt is bepalend de situatie voor de peildatum. Op dat moment was de vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO nog niet verleend; dat is de situatie op en na de peildatum. Voor de rechtbank staat vast dat de wijzigingsbevoegdheid voor de peildatum niet was verwezenlijkt. De vraag of de verleende vrijstelling wel of niet op een lijn moet worden gesteld met het gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid acht de rechtbank in dat licht dan ook niet relevant.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Stichting de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, van de planvoorschriften terecht niet meegenomen in de planvergelijking. Ook hiervoor geldt derhalve dat de Stichting een correcte planvergelijking heeft toegepast.

10. Eisers sub 2 tot en met 4 hebben aangevoerd dat er bij eiser sub 1 sprake is geweest van actieve risicoaanvaarding. De rechtbank volgt eisers sub 2 tot en met 4 daarin niet. Relevant is of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient volgens vaste jurisprudentie rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de datum van aankoop van de woning door eiser sub 1 – 5 maart 2003 – geen punt van geschil is. Verweerder heeft aangegeven dat hij eerst op 16 juni 2003 met het bouwplan in de openbaarheid is getreden. Op 5 maart 2003 was er dus nog geen sprake van voorzienbaarheid. Eisers sub 2 tot en met 4 hebben geen bewijs geleverd van hun stelling, dat het eiser sub 1 ook al voor 5 maart 2003 duidelijk kon zijn dat er een planologische wijziging zou komen.

11. Verweerder heeft het verzoek van eisers sub 2 tot en met 4 om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten bij het bestreden besluit afgewezen, omdat verweerder in een gelijksoortige zaak de proceskosten heeft vergoed tot een bedrag van € 966,=. De rechtbank stelt vast dat eisers sub 2 tot en met 4 met hun bezwaarschrift bezwaar hebben gemaakt tegen acht primaire besluiten betreffende de toekenning van planschadevergoeding naar aanleiding van het hiervoor omschreven bouwproject. Zij hebben tegen die acht besluiten met één brief bezwaar gemaakt en die bezwaren zijn op

6 november 2008 gevoegd behandeld op één hoorzitting. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te oordelen, dat in alle zaken een afzonderlijke vergoeding van kosten had moeten plaatsvinden.

Voorts valt in het Besluit proceskosten bestuursrecht geen steun te vinden voor het standpunt van eisers sub 2 tot en met 4, dat er 3,5 procespunten hadden moeten worden toegekend aan hun bezwaarschrift. Volgens de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht leveren alleen het bezwaarschrift en het verschijnen bij een hoorzitting een procespunt op en niet – zoals eisers sub 2 tot en met 4 hebben betoogd – het indienen van ziens-wijzen of het reageren op deskundigenrapporten.

De rechtbank volgt eisers sub 2 tot en met 4 ook niet in hun standpunt, dat hun zaak ten onrechte is gekwalificeerd als een zaak van gemiddeld gewicht. Dat in de bezwaarfase een nader advies en een second opinion is gevraagd, maakt nog niet dat hier sprake is van een zware of complexe zaak.

Samengevat is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten om voor de bezwaarfase in de acht samenhangende zaken één bedrag aan proceskostenvergoeding aan eisers sub 2 tot en met 4 toe te kennen van

€ 966,=.

12. Eisers sub 2 tot en met 4 hebben een verzoek tot (immateriële) schadevergoeding gedaan, omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. De rechtbank heeft in het beroep onder zaaknummer 12/172 WET verweerder veroordeeld tot vergoeding van de door eisers 2 tot en met 4 geleden immateriële schade van

€ 1.000,= per rechtspersoon, in totaal € 3.000,=.

Nu eisers sub 2 tot en met 4 met één bezwaarschrift bezwaar hebben gemaakt en met één beroepschrift beroep hebben ingesteld tegen acht samenhangende besluiten, ziet de rechtbank geen reden om in iedere afzonderlijke zaak een schadevergoeding aan eisers sub 2 tot en met 4 toe te kennen. Het verzoek om schadevergoeding wordt in deze zaak daarom afgewezen.

13.1. Op basis van hetgeen onder rechtsoverweging 3 is overwogen, kan het bestreden besluit rechtens niet standhouden. Het beroep van eisers sub 2 tot en met 4 zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Omdat naar aanleiding van de bezwaren van eiseres sub 2 wel een volledige heroverweging van het primaire besluit heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank ruimte om zelf in de zaak te voorzien. Doende wat verweerder had moeten doen, zal de rechtbank daarbij handelen alsof eisers sub 2 tot en met 4 allen ontvankelijk zijn verklaard. Dat betekent dat de bezwaren van eisers sub 2 tot en met 4 gegrond worden verklaard voor wat betreft de gemaakte planologische vergelijking, dat het primaire besluit in zoverre wordt herroepen en dat in de plaats daarvan aan eiser sub 1 een vergoeding van planschade wordt toegekend tot een bedrag van € 6.500,=. Voor het overige worden de bezwaren van eisers sub 2 tot en met 4 ongegrond verklaard. Het verzoek om vergoeding van de door eisers gemaakte proceskosten in de bezwaarfase wordt, gelet op hetgeen onder rechts-overweging 11 is overwogen, afgewezen.

De rechtbank bepaalt, dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

De rechtbank heeft in het beroep onder zaaknummer 12/172 WET verweerder veroordeeld tot vergoeding van de door eisers sub 2 tot en met 4 gemaakte proceskosten. Nu eisers sub 2 tot en met 4 met één beroepschrift beroep hebben ingesteld tegen acht samenhangende besluiten en deze acht samenhangende zaken gevoegd zijn behandeld op een zitting, gaat de rechtbank ervan uit dat eisers sub 2 tot en met 4 niet voor acht zaken proceskosten verschuldigd zijn geweest. De proceskostenveroordeling in het beroep onder zaaknummer 12/172 WET wordt derhalve geacht te gelden voor de acht samenhangende zaken gezamenlijk.

Vanwege de samenhang met de andere beroepszaken, zijn eisers sub 2 tot en met 4 in deze procedure geen griffierecht verschuldigd geweest. Er hoeft door verweerder in deze procedure dan ook geen griffierecht te worden vergoed.

13.2. Het beroep van eiser sub 1 is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

? verklaart het beroep van eiser sub 1 ongegrond;

? verklaart het beroep van eisers sub 2 tot en met 4 gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

? verklaart het bezwaarschrift van eisers sub 2 tot en met 4 ontvankelijk;

? verklaart het bezwaarschrift van eisers sub 2 tot en met 4 gegrond voor wat betreft de gemaakte planologische vergelijking, herroept het primaire besluit in zoverre en kent in de plaats daarvan aan eiser sub 1 een vergoeding van planschade toe tot een bedrag van € 6.500,=;

? verklaart het bezwaarschrift van eisers sub 2 tot en met 4 voor het overige ongegrond;

? bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

? wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling en schadevergoeding van eisers sub 2 tot en met 4 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Lagas, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. C.A.F. van Ginneken, leden, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De uitspraak is ondertekend door mr. T. Peters, in verband met afwe-zigheid van de voorzitter. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2012.

N.A. D’Hoore, griffier mr. T. Peters, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.