Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2906

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-10-2012
Datum publicatie
13-11-2012
Zaaknummer
AWB 11/5146 KINDER AWB 12/4498 KINDER
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1632, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, omdat eiser niet heeft aangetoond dat kinderopvang heeft plaatsgevonden via [gastouderbureau] op basis van een schriftelijke overeenkomst. Uit het overgelegde faxvoorblad en de faxbevestiging blijkt niet dat op de datum dat eiser de ‘overeenkomst gastouderopvang’ heeft gefaxt naar verweerder deze overeenkomst aanwezig was in de administratie van het gastouderbureau. Eisers vergelijking met de uitspraak van de AbRS van 30 mei 2012 (LJN: BW6916) gaat mank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/5146 KINDER

AWB 12/4498 KINDER

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2012 in de zaak tussen

[naam persoon], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.J. Hoogendoorn,

en

Belastingdienst/Toeslagen (kantoor Utrecht), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2009 (primaire besluit I) heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 herzien tot een bedrag van € 3.335,-.

Bij besluit van 25 augustus 2011 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld (zaaknummer AWB 11/5146).

Bij besluit van 5 januari 2012 (primaire besluit II) heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 opnieuw herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 12 juni 2012 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen deels gegrond verklaard en het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 herzien tot een bedrag van € 3.335,-.

Eiser heeft ook tegen bestreden besluit II beroep ingesteld (zaaknummer AWB 12/4498).

De rechtbank heeft beide beroepen gevoegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam persoon].

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser een voorschot kinderopvangtoeslag over 2008 verleend voor gastouderopvang van zijn drie kinderen door tussenkomst van gastouderbureau [naam bedrijf] in [naam vestigingsplaats]. Vanaf 1 november 2008 maakte eiser gebruik van gastouderbureau [naam bedrijf].

2. In primair besluit I heeft verweerder het voorschot kinderopvangtoeslag 2008 herzien naar € 3.335,-, waarbij over de maanden januari tot en met oktober geen toeslag wordt verstrekt en over november en december wel.

Verweerder stelt zich in bestreden besluit I op het standpunt dat eiser geen recht op kinderopvangtoeslag heeft over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 oktober 2008, omdat eiser niet aan alle voorwaarden voor toekenning voldoet. Volgens verweerder heeft eiser met de overgelegde bewijsstukken niet aangetoond dat hij kosten heeft gemaakt voor kinderopvang.

Verweerder stelt zich in bestreden besluit II op het standpunt dat de schriftelijke overeenkomst tussen de houder van gastouderbureau [naam bedrijf] en eiser niet is gedateerd, waardoor er geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat voor de periode 1 januari 2008 tot en met 20 oktober 2008. Bovendien heeft eiser volgens verweerder met de overgelegde bewijsstukken niet aangetoond dat hij kosten heeft gemaakt voor kinderopvang. Voor de periode 1 november 2008 tot en met december 2008, waarin gebruik werd gemaakt van gastouderbureau [naam bedrijf], wordt wel aan de voorwaarden voldaan.

3. Eiser voert in beroep aan dat hij heeft aangetoond dat hij kosten heeft gemaakt voor kinderopvang voor zijn drie kinderen. Er was sprake van wederzijdse opvang, aldus dat de toeslagpartner van eiser op de kinderen van de gastouder paste, indien de gastouder werkte en de gastouder op de kinderen van eiser en zijn toeslagpartner paste, indien de toeslagpartner werkte. Er werd maandelijks contant afgerekend, waarbij feitelijk het verschil tussen de maandelijks verschuldigde betalingen werd uitgewisseld. Ten behoeve van de administratie werden door beide partijen facturen en kwitanties voor het gehele verschuldigde bedrag opgemaakt. Het resultaat van de transacties is dat de gastouder € 28.477,- heeft ontvangen en € 21.848,- heeft betaald. Na verrekening over en weer is € 6.993,- van eigenaar gewisseld. Voorts voert eiser aan dat zich in het dossier een gedagtekend contract bevindt met gastouderbureau [naam bedrijf].

4. In deze zaak zijn in het bijzonder de volgende wettelijke bepalingen van belang, waarbij het gaat om de bepalingen zoals die in 2008 luidden.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), met uitzondering van artikel 49, van toepassing.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wko heeft een ouder aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten indien het gastouderopvang betreft die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 52 van de Wko geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

AWB 11/5146

5. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, dient eerst ambtshalve te worden beoordeeld of het beroep ontvankelijk is. Een beroep is, onder andere, niet-ontvankelijk wanneer het procesbelang daarbij voor de eiser ontbreekt.

De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit I en bestreden besluit II dezelfde rechtsgevolgen hebben, namelijk dat eisers voorschot op kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 is herzien naar een bedrag van € 3.335 over de maanden november en december en dat er geen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag bestaat over de maanden januari tot en met oktober. Bestreden besluit II is dan ook feitelijk in de plaats gekomen van bestreden besluit I. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij een beoordeling van bestreden besluit I. Het beroep met zaaknummer AWB 11/5146 wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.

6. Wel ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in dit beroep. Reden hiervoor is dat verweerder in bestreden besluit II heeft erkend dat eiser ten onrechte niet is gehoord naar aanleiding van het bezwaarschrift tegen primair besluit I. Ook dient verweerder het griffierecht aan eiser te vergoeden.

AWB 12/4498

7. In het kader van de inhoudelijke beoordeling van dit beroep dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder zich terecht op standpunt heeft gesteld dat geen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag bestaat voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 oktober 2008, omdat eiser niet aan de voorwaarden daarvoor heeft voldaan.

8. De rechtbank bespreekt eerst de eerste afwijzingsgrond in bestreden besluit II, te weten het ontbreken van een gedagtekende overeenkomst met gastouderbureau [naam bedrijf].

8.1 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer de uitspraak van 19 oktober 2011 (LJN: BT8568), bestaat geen recht op een voorschot kinderopvangtoeslag indien geen sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko die de basis vormt voor de kinderopvang. Dit betekent, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, van de Awir, dat degene die stelt recht te hebben op een voorschot kinderopvangtoeslag dat aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met de houder moet aantonen, aldus de AbRS.

8.2 De rechtbank stelt vast dat de zich in het dossier bevindende overeenkomst met gastouderbureau [naam bedrijf] die betrekking heeft op 2008, niet is voorzien van een datum van ondertekening. Volgens vaste rechtspraak (onder andere de hiervoor genoemde uitspraak) kan een niet gedagtekende overeenkomst niet als bewijs voor kinderopvang dienen.

8.3 Ter zitting heeft eiser een ‘overeenkomst gastouderopvang’ overgelegd. Eiser heeft verklaard deze overeenkomst te hebben opgevraagd bij de gastouder, omdat hij zelf niet meer beschikte over pagina 2 van de overeenkomst. De eerste pagina van deze overeenkomst is ondertekend door vier personen, te weten de houder van het gastouderbureau, eiser, zijn toeslagpartner en de gastouder, en heeft betrekking op de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008. De tweede pagina van de overeenkomst, waarop de verplichtingen van partijen (de ouders, de oppas en [naam bedrijf]) staan vermeld, is ondertekend door eiser, zijn toeslagpartner en de gastouder en is voorzien van een handgeschreven datum, te weten 19 december 2007.

Onder verwijzing naar deze overeenkomst heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat op 1 januari 2008 sprake was van een gedagtekende overeenkomst.

De rechtbank constateert dat pagina 2 van de ter zitting overgelegde ‘overeenkomst gastouderopvang’, waarop de dagtekening is geschreven, niet is ondertekend door de houder van het gastouderbureau. Voorts is de datum onder de vakjes voor de handtekeningen er los bijgeschreven en valt niet uit te sluiten dat dit pas (geruime tijd) na de ondertekening is gebeurd. Tot slot heeft eiser dit contract pas in een zeer laat stadium van de procedure overgelegd. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat er op 1 januari 2008 een schriftelijke, gedagtekende overeenkomst met de houder van het gastouderbureau bestond op basis waarvan kinderopvang heeft plaatsgevonden.

Dit standpunt van eiser wordt verworpen.

8.4 Subsidiair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat er in ieder geval op 7 juli 2008 een schriftelijke overeenkomst was op basis waarvan kinderopvang plaatsvond. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 30 mei 2012, LJN: BW6916. Daarbij heeft eiser een faxvoorblad en een faxbevestiging overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij op 7 juli 2008 zijn eigen ‘overeenkomst gastouderopvang’ naar verweerder heeft gefaxt. Het faxvoorblad en de faxbevestiging zijn voorzien van een stempel met de tekst “Fotokopie gelijk aan origineel FIOD/vestiging Arnhem”.

Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van eiser overweegt de rechtbank als volgt.

In de door eiser genoemde uitspraak van 30 mei 2012 heeft de AbRS overwogen: “hoewel de betreffende overeenkomst niet is gedagtekend en derhalve niet als bewijs kan dienen dat de kinderopvang naar gesteld vanaf 1 april 2008 geschiedde op basis van een schriftelijke overeenkomst, was dit wel het geval vanaf de datum van inbeslagneming later in 2008 van het gastouderbureau”. Gelet op het ter zitting overgelegde faxvoorblad en de faxbevestiging en eisers verklaring ter zitting acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat eiser op 7 juli 2008 zijn eigen overeenkomst naar verweerder heeft gefaxt. Echter, hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat op die datum in de administratie van het gastouderbureau een overeenkomst aanwezig was. In die zin gaat de vergelijking met de uitspraak van 30 mei 2012 mank. Het subsidiaire standpunt van eiser slaagt daarom ook niet.

8.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat de kinderopvang via [naam bedrijf] heeft plaatsgevonden op basis van een schriftelijke overeenkomst. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op kinderopvangtoeslag voor de periode 1 januari 2008 tot en met 31 oktober 2008.

9. De overige beroepsgronden, gericht tegen de tweede afwijzingsgrond in het bestreden besluit II (het niet aan¬nemelijk maken van gemaakte kinderopvangkosten), behoeven geen bespreking.

10. Het beroep met zaaknummer AWB 12/4498 is ongegrond. In deze zaak is er dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

11. Zoals onder 6. is overwogen dient verweerder de proceskosten van eiser in het beroep met zaaknummer AWB 11/5146 te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1). Tevens zal verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep met zaaknummer AWB 11/5146 KINDER niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep met zaaknummer AWB 12/4498 KINDER ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.P.J. Tillie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2012.

mr. M.P.J. Tillie, griffier mr. M. Breeman, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.