Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2018

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
12/2139
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvangen vergoeding als vrijwilliger. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat voor het volledige bedrag sprake was van onkostenvergoeding. Gelet op het verschil tussen de opbrengsten en de aannemelijk gemaakte werkelijke kosten, kon belanghebbende in redelijkheid verwachten dat de opbrengsten het totaal van deze kosten zou overtreffen. De verrichte werkzaamheden vormen een bron van inkomen. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 216 met annotatie van Verstijnen
FutD 2012-2751
V-N Vandaag 2012/2597
V-N 2012/58.21.21
Belastingadvies 2012/24.3

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 12/2139

Uitspraakdatum: 16 augustus 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Terneuzen,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 3 april 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar over het jaar 2010 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.579 (aanslagnummer [nummer]H.06).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2012 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, ter bijstand vergezeld van haar echtgenoot, [echtgenoot], en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar vrijwilligerswerk verricht voor Stichting [stichting] en de RGC te [woonplaats] en heeft daarvoor vergoedingen ontvangen van in totaal € 1.908,89. De vergoedingen werden geadministreerd door de salarisadministratie van de stichting [stichting]. Tot de stukken van het geding behoort een verklaring van deze stichting, waarin wordt vermeld dat de hiervoor ontvangen vergoedingen betrekking hebben op de door belanghebbende gemaakte kosten ten behoeve van het vrijwilligerswerk voor de cliëntenraad.

2.2.Het aangiftebiljet inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) over het jaar 2010 is in 2011 aan belanghebbende uitgereikt. In de aangifte IB/PV heeft belanghebbende onder protest een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 1.579. Met dagtekening 30 december 2011 is aan belanghebbende een aanslag IB/PV over het onderhavige jaar opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.579, conform de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PV. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt en gesteld dat sprake is van aftrekbare kosten van afgerond € 497. In de uitspraak op bezwaar zijn de opgevoerde kosten tot een bedrag van afgerond € 454 geaccepteerd, met uitzondering van de kosten voor afscheid van collega’s van € 42,40. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is daarbij vastgesteld op € 1.454.

2.3.Tot de stukken van het geding behoort een door belanghebbende opgesteld kostenoverzicht van afgerond € 497, dat verband houdt met de werkzaamheden die zij voor de stichting heeft verricht. Dit bedrag is door belanghebbende als volgt gespecificeerd:

- reiskosten 732 km * € 0,19 € 139,08

- kantoorbenodigdheden (€ 58,09 plus € 12,75 plus € 6,90) € 77,74

- kopieerkosten jaarverslagen incl. kopiekaart

(€ 20 plus € 45,60 plus € 71,96 plus € 55,97) € 193,53

- telefoonkosten € 20,00

- kaartjes CR € 23,66

- afscheid collega’s € 42,40

Belanghebbende heeft ter zake van dit overzicht nog opgemerkt dat daarnaast nog geen rekening is gehouden met de door haar in verband met de werkzaamheden gemaakte kosten, zoals computerkosten, printkosten bij documenten boven de 10 bladzijden, abonnementen vakliteratuur en bijwonen symposia. Ter onderbouwing van die kosten heeft belanghebbende geen bescheiden overgelegd.

2.4.In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1) Is de door belanghebbende ontvangen vergoeding terecht door de inspecteur aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van artikel 3.94 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?

2) Tot welk bedrag kunnen de door belanghebbende opgevoerde kosten in aanmerking worden genomen?

3) Is de heffingsrente terecht in rekening gebracht?

Met betrekking tot de ontvangen vergoeding

2.5.Belanghebbende heeft primair gesteld dat de ontvangen vergoeding volledig als onkostenvergoeding moet worden aangemerkt en dat zij niet verplicht is om dat bedrag in de aangifte IB/PV te vermelden.

2.6.Van (een bron van) inkomen is alleen sprake als redelijkerwijze verwacht kan worden dat de inkomsten de daarop drukkende kosten zullen overtreffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat voor het volledige bedrag van € 1.908,89 sprake was van een onkostenvergoeding. Zij heeft slechts een gespecificeerd overzicht verstrekt van kosten tot een bedrag van € 497. Met de enkele stelling van belanghebbende dat daarnaast sprake was van aftrekbare kosten zoals computerkosten, printkosten bij documenten boven de 10 bladzijden, abonnementen vakliteratuur en bijwonen symposia, maakt zij de kosten onvoldoende aannemelijk. Zij heeft ter onderbouwing van de kosten onvoldoende bescheiden overgelegd. Gelet op het verschil tussen de opbrengsten (€ 1.908,89) en de aannemelijk gemaakte werkelijke kosten (€ 497) kon belanghebbende in redelijkheid verwachten dat de opbrengsten het totaal van de kosten zou overtreffen, zodat de verrichte werkzaamheden een bron van inkomen vormen. De omstandigheid dat de vergoeding per gewerkt uur slechts zeer gering is, doet hieraan niet af.

2.7.De rechtbank stelt vast dat de inkomsten onder het resultaat uit een werkzaamheid vallen. Ingevolge artikel 3.94 van de Wet IB 2001 wordt als resultaat uit een werkzaamheid aangemerkt het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid. Hieronder vallen ook de onkostenvergoedingen.

2.8.Belanghebbende heeft betoogd dat in het onderhavige geval heffing over de ontvangen vergoedingen achterwege dient te blijven omdat de zogenaamde “vrijwilligersregeling” van artikel 3.96, aanhef, en onderdeel c, van de Wet IB 2001, op haar van toepassing is. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

2.9.Op grond van artikel 3.96, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 behoren niet tot het resultaat voordelen die door de belastingplichtige als vrijwilliger, bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet LB 1964, worden behaald, waarbij het gezamenlijke bedrag van de vergoedingen en verstrekkingen niet meer bedraagt dan € 150 per maand en € 1.500 per kalenderjaar. De vergoedingen die deze persoon ontvangt, zijn dan onbelast. In artikel 2, zesde lid, van de Wet LB 1964 wordt onder vrijwilliger verstaan degene die niet bij wijze van beroep arbeid verricht voor een privaatrechtelijk of publiekrechtelijk lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting dan wel voor een sportorganisatie. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende vrijwilliger is in vorenbedoelde zin.

Zodra één van de twee genoemde maximumbedragen te boven wordt gegaan, is de wettelijke uitzondering niet meer van toepassing.

2.10.Ter vaststelling of de in 2.9 vermelde drempels zijn overschreden dienen alle vergoedingen, dus ook de kostenvergoedingen, in aanmerking genomen te worden. Het gezamenlijke door belanghebbende in het onderhavige jaar ontvangen bedrag van de vergoedingen en verstrekkingen bedraagt meer dan € 1.500. Hierdoor is de vrijstelling van artikel 3.96, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001 niet van toepassing.

2.11.Belanghebbende heeft voorts gesteld dat andere belastingplichtigen, die bij de inspectie in Terneuzen bekend zijn en die ook lid van de cliëntenraad zijn, in het verleden wel in het gelijk zijn gesteld. In dit kader doet belanghebbende een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Schending van het gelijkheidsbeginsel kan slechts aan de orde zijn indien sprake is van meerdere gelijke gevallen, waarbij die andere gevallen voordeliger behandeld zijn dan belanghebbende. Belanghebbende heeft haar stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet verder onderbouwd. Ook is niet door belanghebbende aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. De enkele stelling van belanghebbende dat het niet fatsoenlijk is om de namen van die personen te noemen, is daartoe onvoldoende. Het gelijkheidsbeginsel is dan ook niet geschonden.

Met betrekking tot de kosten

2.12.Subsidiar heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat naast de reeds in aftrek toegelaten kosten door de inspecteur van € 454 ook nog een bedrag van € 42,40 aan gemaakte kosten in verband met afscheid van collega’s, in aftrek dient te komen.

2.13.Ingevolge artikel 3.15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 komen, onverminderd het bepaalde in artikel 3.14 daarvan, bij het bepalen van de winst tot een bedrag van € 4.300 (tekst 2010), niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met onder meer representatie, waaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de kosten ter zake van het afscheid van collega’s onder deze categorie gerangschikt te worden. Ingevolge het vijfde lid van artikel 3.15 van de Wet IB 2001 komen, als de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat artikel genoemde posten voor 73,5% (tekst 2010) in aftrek. Deze artikelen zijn conform artikel 3.95 van de Wet IB 2001 tevens van toepassing bij resultaat uit overige werkzaamheden.

2.14.De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat door belanghebbende bij aangifte een verzoek is gedaan op de voet van artikel 3.15, vijfde lid, van de Wet IB 2001. Daaromtrent is door haar niets gesteld. Ook overigens blijkt daarvan niets uit de stukken. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat de drempel voor aftrek in artikel 3.15, aanhef en eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 van € 4.300 onverkort van toepassing is in het onderhavige jaar. Nu het bedrag van € 42,40 lager is dan het genoemde drempelbedrag, komen die kosten naar het oordeel van de rechtbank niet voor aftrek in aanmerking.

2.15.Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de bij aangifte opgevoerde kosten van € 329,69 (€ 1.908,89 min € 1579,20) in mindering moeten komen op het belastbaar inkomen uit werk en woning, faalt deze stelling van belanghebbende. Immers, naast de in 2.3 gespecificeerde kosten heeft belanghebbende geen stukken overgelegd, zodat zij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat ook voor het hiervoor genoemde bedrag sprake is van kosten die voor aftrek in aanmerking komen. Het bedrag van € 1.454 is dan terecht als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen.

Met betrekking tot de heffingsrente

2.16.De rechtbank is van oordeel dat de heffingsrente is berekend met in achtneming van het bepaalde in artikel 30f van de AWR. Tekst en strekking van artikel 30f voornoemd bieden geen ruimte in een geval als het onderhavige het in rekening brengen van heffingsrente achterwege te laten of te matigen. Onder omstandigheden kunnen het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel er weliswaar toe leiden dat de berekening van heffingsrente achterwege blijft of beperkt wordt, maar belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat één van voornoemde beginselen is geschonden.

2.17.Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft gesteld, kan niet tot een ander oordeel leiden. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.18.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 16 augustus 2012 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 31 augustus 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.