Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2011

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
12/96
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

12/96

Inkomstenbelasting box 3

Belanghebbende heeft sinds 2007 met de inspecteur een afspraak over de waardering van een vakantiewoning op erfpachtgrond voor het inkomen uit sparen en beleggen.

Vanwege een wetswijziging per 1 januari 2010 is geen beroep meer mogelijk op deze afspraak. Sindsdien wordt het waardedrukkend effect van de erfpacht forfaitair bepaald door de in dat jaar betaalde erfpachtcanon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2593
V-N 2012/58.21.18
FutD 2012-2762
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 12/96

Uitspraakdatum: 6 september 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Goes,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 30 november 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende over het jaar 2010 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ([nummer]H06).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2012 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], en namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende is genothebbende krachtens een zakelijk recht van een vakantiewoning op het adres [adres], waarop een erfpachtsrecht rust. De waarde van het recht valt onder het box-3 inkomen en wordt aldus ook steeds zo aangegeven. Voor het jaar 2007 is met de inspecteur overeengekomen voor de woning, in verband met het waardedrukkend effect van een aangekondigde verhoging van de erfpachtcanon in 2011, een waarde per 31 december 2007 te hanteren van € 70.000. Over het jaar 2008 is (na bezwaar) deze waarde ook gevolgd evenals over het jaar 2009.

2.2.Belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting over 2010 voor de vakantiewoning een waarde van € 86.041 aangegeven. De inspecteur heeft de aangifte gevolgd en de aanslag inkomstenbelasting opgelegd.

2.3.Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag en verzocht om bijstelling van de waarde van de vakantiewoning naar € 70.000. De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de waarde en de aanslag gehandhaafd.

2.4.In geschil is het antwoord op de vraag welke waarde voor de vakantiewoning in aanmerking moet worden genomen.

2.5.Belanghebbende heeft gesteld dat hij mocht vertrouwen op de sinds 2007 bestendige gedragslijn van de inspecteur. Hij heeft immers steeds de waarde van € 70.000 geaccepteerd, aldus belanghebbende.

2.6.1.Artikel 5.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) luidde vanaf 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009:

“1.De waarde van een woning die een belastingplichtige in belangrijke mate ter beschikking staat, wordt, in afwijking van artikel 5.19, eerste lid, gesteld op de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. (…….)

2.Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een woning verstaan een woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, aanhef, die de belastingplichtige niet anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.”

2.6.2.Vanaf 1 januari 2010 luidde dit wetsartikel, voor zover hier van belang:

“1.De waarde van een woning, wordt, in afwijking van artikel 5.19, eerste lid, gesteld op de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. (….)

(…)

4.In geval van erfpacht wordt voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen het in het eerste of tweede lid bedoelde waardegegeven verminderd met een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen waarde van de erfpachtcanon.”

2.6.3.Vanaf 1 januari 2010 is de volgende bepaling in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 opgenomen:

“Artikel 17b.

De waarde van de erfpachtcanon als bedoeld in artikel 5.20, vierde lid, van de wet wordt gesteld op het zeventienvoud van het jaarlijkse bedrag.”

2.7.In algemene zin kan met betrekking tot een onderdeel in de aangifte gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend aan afspraken die in het verleden gemaakt zijn met betrekking tot ditzelfde onderdeel, een en ander mits de feiten ongewijzigd zijn gebleven. De rechtbank is echter van oordeel dat door voornoemde wetswijziging per 1 januari 2010, die vanaf dan in gevallen waarbij sprake is van een erfpachtcanon een bindende forfaitaire wijze van waardevaststelling voorschrijft, de inspecteur niet meer gehouden was zich te conformeren aan de voorafgaande geaccepteerde waarde. Eventueel opgewekt vertrouwen wordt, met andere woorden, door een wetswijziging automatisch opgezegd (vgl onder andere Hoge Raad, 21 april 1993, 28.726, BNB 1993/205).

2.8.De inspecteur is bij de vaststelling van de waarde van de vakantiewoning uitgegaan van de WOZ-waarde (€ 112.000) en het voor 2010 geldend bedrag aan erfpachtcanon van

€ 1.527. Dit acht de rechtbank juist. De opvatting van belanghebbende dat de erfpachtcanon van 2011 tot uitgangspunt genomen moet worden vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de wet. Nu gesteld noch gebleken is dat de aanslag overigens onjuist is, is het gelijk aan de inspecteur.

2.9.Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.10.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 6 september 2012 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier. De rechter is verhinderd dit proces-verbaal mede te ondertekenen.

De griffier, de rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 19 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.