Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY1827

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
31-10-2012
Zaaknummer
12/1168
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op 29 juni 2010 heeft belanghebbende aan de inspecteur verklaard in het bezit te zijn van vermogen in Zwitserland. Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen met boetes opgelegd. Met betrekking tot het boete-aspect doet belanghebbende een beroep op het 'oude', voor belanghebbende gunstiger, artikel 67n van de AWR (inkeerregeling). De rechtbank oordeelt dat de omstandigheid dat de inkeerregeling in 2009 door de wetgever is aangescherpt niet inhoudt dat de strafbepaling in artikel 67e AWR is verzwaard. Inkeer en strafwaardigheid van het beboetbare feit dienen los van elkaar gezien te worden. De boetes acht de rechtbank, in overeenstemming is met de ernst van het gepleegde vergrijp, zowel absoluut als relatief passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2552
V-N 2012/58.21.11
FutD 2012-2723
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 12/1158 tot en met AWB 12/1168

Uitspraakdatum: 20 september 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Venlo,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 2 februari 2012 op de bezwaren van belanghebbende tegen de volgende aan hem opgelegde navorderingsaanslagen:

-Vermogensbelasting 1999, aanslagnummer [nummer]K.98, met een boete van € 377;

-Vermogensbelasting 2000, aanslagnummer [nummer]K.08, met een boete van € 415;

-Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1998, aanslagnummer [nummer]H.88, met een boete van € 1.826;

-Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1999, aanslagnummer [nummer]H.98, met een boete van € 2.227;

-Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2000, aanslagnummer [nummer]H.08, met een boete van € 1.937;

-Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2001, aanslagnummer [nummer]H.17, met een boete van € 1.003;

-Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2002, aanslagnummer [nummer]H.27, met een boete van € 1.054;

-Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003, aanslagnummer [nummer]H.37, met een boete van € 1.090;

-Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2004, aanslagnummer [nummer]H.47, met een boete van € 1.132;

-Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2005, aanslagnummer [nummer]H.57, met een boete van € 1.235;

-Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2006, aanslagnummer [nummer]H.67, met een boete van € 1.268.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2012 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] FB vergezeld door [gemachtigde] RA, beiden verbonden aan [accountants/belastingadviseurs], en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende heeft eerst op 29 juni 2010 aan de inspecteur verklaard dat hij in het bezit is van buitenlands vermogen in Zwitserland. Tevens heeft hij verklaard dat hij dat vermogen en de inkomsten daaruit nimmer in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en de aangifte vermogensbelasting heeft verantwoord. Belanghebbende heeft met betrekking tot het boete-aspect een beroep gedaan op artikel 67n van de AWR (de inkeerregeling).

2.2.De inspecteur heeft naar aanleiding van het voormelde aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslagen met boetes opgelegd. De boete bedraagt voor elk van de jaren 15% van de nagevorderde belasting.

2.3.In geschil is of de boetes terecht en zo ja, tot het juiste bedrag, aan belanghebbende zijn opgelegd.

2.4.In artikel 67e, eerste lid, van de AWR (tekst vanaf 1998) wordt bepaald dat indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete. Het tweede lid bepaalt, voor zover hier van belang, dat de grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de navorderingsaanslag

2.5.Ingevolge artikel 67n van de AWR (tekst tot 2 juli 2009) wordt aan de belastingplichtige geen vergrijpboete opgelegd indien hij alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Vanaf 2 juli 2009 wordt op grond van het gewijzigde artikel 67n van de AWR aan de belastingplichtige geen vergrijpboete opgelegd wanneer hij uiterlijk twee jaar nadat hij een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan of aangifte had moeten doen, alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. Ook na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn van twee jaar is het alsnog doen van een juiste en volledige aangifte, dan wel het verstrekken van juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen door de belastingplichtige vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, een omstandigheid die aanleiding geeft tot matiging van de vergrijpboete.

2.6.Ingevolge artikel XV, eerste lid, van de Wet van 1 juli 2009, houdende Fiscaal

stimuleringspakket en overige fiscale maatregelen, Stb. 2009, 280 blijft artikel 67e van de AWR zoals deze luidde op de dag vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op vergrijpen die zijn begaan vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet. In het tweede lid wordt onder andere bepaald dat met betrekking tot de aangiften die vóór 1 januari 2010 hadden moeten zijn gedaan, artikel 67n van de AWR, zoals dit luidde op 30 juni 2009, van toepassing is tot 1 januari 2010. Uit de parlementaire behandeling, Amendement-Tang c.s., Kamerstukken II 2008/09, nr. 34, toelichting, blijkt dat de strekking van het voorgaande is om een overgangsregeling van een half jaar te treffen voor belastingplichtigen die tussen 1 juli 2009 en 31 december 2009 alsnog willen inkeren voor aangiften die reeds langer dan twee jaar geleden zijn gedaan of hadden moeten zijn gedaan. Men wilde belastingplichtigen nog een half jaar de tijd geven om van de oude inkeerregeling (zonder boete) gebruik te maken.

2.7.Niet in geschil is dat belanghebbende voor de onderhavige jaren opzettelijk onjuiste aangifte heeft gedaan en dat hij in 2010, dat is meer dan twee jaar na het doen van onjuiste aangiften, is overgegaan tot het vrijwillig verstrekken van gegevens die hebben geleid tot de onderwerpelijke navorderingsaanslagen. Gelet op de in 2.6. vermelde wettelijke overgangsregeling heeft de inspecteur de wettelijke regels juist toegepast door aan belanghebbende boetes op te leggen wegens het opzettelijk onjuist doen van aangiften. Belanghebbende heeft zich primair op het standpunt gesteld dat deze wettelijke regeling in strijd is met artikel 7, eerste lid, van het EVRM en artikel 15, eerste lid, van het IVBPR. Immers, op grond van die bepalingen mag geen zwaardere straf worden opgelegd dan die welke van toepassing was ten tijde van het begaan van de overtreding. Nu toen bij vrijwillige inkeer geen boete werd opgelegd, moet volgens belanghebbende ook in de onderhavige situatie afgezien worden van het opleggen van een boete.

2.8.De rechtbank verwerpt de visie van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank vormt artikel 67e van de AWR een zelfstandige boetebepaling (strafbepaling) die omschrijft welke gedraging leidt tot het vaststellen van het beboetbaar vergrijp en tot welke boete die vaststelling ten hoogste kan leiden. Dat de inkeerregeling in 2009 door de wetgever is aangescherpt houdt niet in dat de strafbepaling in artikel 67e AWR is verzwaard. Inkeer en strafwaardigheid van het beboetbare feit dienen los van elkaar gezien te worden. Het inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het beboetbaar vergrijp is blijkens het vermelde in 2.4. niet gewijzigd, in ieder geval niet in die zin dat het vergrijp minder strafbaar zou worden geacht. Derhalve kan de inspecteur op grond van voornoemd artikel aan belanghebbende een boete opleggen. Omdat de inkeer pas plaatsgevonden heeft in 2010 dient de dan geldende wettekst van artikel 67n te worden toegepast. Het arrest Hoge Raad van 2 mei 2001, BNB 2001/319 is naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing. Dat arrest ziet op de situatie dat de nieuwe wettelijke regeling soepeler is dan de oude. In dat geval moet volgens de Hoge Raad de nieuwe, gunstiger regeling worden toegepast, ook al had inkeer plaatsgevonden onder de eerdere, ongunstiger regeling. In het voorliggende geval is echter van een gunstiger regeling geen sprake, zodat hier sprake is van een niet vergelijkbare situatie.

2.9.Ook belanghebbendes verwijzing naar het beleid van de belastingdienst, inhoudende dat beleidsregels van toepassing blijven, zoals deze luidden ten tijde van het begaan het beboetbare feit, heeft niet tot gevolg dat geen boetes kunnen worden opgelegd. Immers, nu de vrijwillige inkeer pas in 2010 heeft plaatsgevonden, dienen met betrekking tot artikel 67n van de AWR naar het oordeel van de rechtbank de dan geldende wettelijke regeling en de daarbij behorende beleidsregels als uitgangspunt te worden genomen.

2.10.De inspecteur heeft aan belanghebbende op basis van paragraaf 7, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst van 24 december 2009, nr. CPP2009/2156M, Stcr.2009, nr. 20226 (BBBB, een boete van 5% van het wettelijk maximum, zijnde 15% (5% van 300%)) opgelegd. Belanghebbende heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat slechts een boete van per saldo 5% opgelegd kan worden nu artikel 67e van de AWR, zoals dat luidde ten tijde van het begaan van het beboetbaar feit, een maximum boete vermeldde van 100%. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

2.11.Met ingang van 2 juli 2009 geldt ingevolge het per die datum ingevoerde art. 67e, zesde lid, AWR een boetepercentage van 300 voor zover de navorderingsaanslag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op belastbaar inkomen als bedoeld in art. 5.1 Wet IB 2001 (box 3 inkomsten). Ingevolge de in artikel XV, eerste lid, van de in 2.6. vermelde wettelijke overgangsregeling geldt dit maximum van 300% niet voor de onjuiste aangiften over 1998 tot en met 2006, nu deze zijn ingediend in de periode dat een maximum boete van 100% gold. Dit is in lijn met artikel 7, eerste lid, EVRM en artikel 15, eerste lid, IVBPR op grond waarvan geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke van toepassing was ten tijde van het begaan van de overtreding.

2.12.Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet in strijd met artikel 7, eerste lid, EVRM en artikel 15, eerste lid, IVBPR gehandeld door als uitgangspunt voor de berekening van de boete het maximum van 300% te nemen. Immers, de inspecteur heeft slechts een boete van 15% opgelegd en dat is niet hoger dan het maximum van 100% dat gold ten tijde van het begaan van de beboetbare feiten. Tevens is dit lager dan het boetepercentage van 50% dat normaliter werd opgelegd indien sprake was van opzet. Er heeft dus geen zwaardere beboeting plaatsgevonden dan toen (mogelijk was). De omstandigheid dat de inspecteur bij de berekening van de boete is uitgegaan van het maximum van 300% doet daaraan niet af.

2.13. De hoogte van de nagevorderde belasting is als zodanig niet in geschil. Tevens leidt de rechtbank uit de stukken van het geding af dat de nagevorderde belasting gebaseerd is op de door belanghebbende verstrekte gegevens met betrekking tot de in het buitenland aangehouden rekeningen. Voor zover daarbij sprake is geweest van geschatte bedragen neemt de rechtbank in overweging dat die schattingen dan zowel te laag als te hoog kunnen zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat een boete van 15% van de na te vorderen belasting, zijnde respectievelijk € 377, € 415, € 1.826, € 2.227, € 1.937, € 1.003, € 1.054, € 1.090, € 1.132, € 1.235 en € 1.268, in overeenstemming is met de ernst van het gepleegde vergrijp en de omstandigheden van het geval. De boetes zijn dan ook zowel absoluut als relatief passend en geboden.

Gelijkheidsbeginsel

2.14.Verder heeft belanghebbende, door te verwijzen naar een tweetal inkeerders waarbij de Belastingdienst Randmeren de boete op 5% van de na te vorderen belasting heeft vastgesteld, een beroep gedaan op de meerderheidsregel als vorm van het gelijkheidsbeginsel. Dit betoog faalt reeds omdat de Hoge Raad in zijn arresten van 29 mei 2009, nr. 43632, LJN: BI5110, BNB 2009/184 en 15 oktober 2010, nr. 09/00907, LJN: BM8179, BNB 2011/19, heeft geoordeeld dat voor de toepassing van de meerderheidsregel bij de heffing van rijksbelastingen geldt dat slechts gevallen in aanmerking worden genomen ten aanzien waarvan de voorzitter van het managementteam, in het onderhavige geval Belastingdienst Limburg, bevoegd is.

2.15.Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond verklaard.

2.16.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 20 september 2012 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 01 oktober 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.