Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY1791

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
23-11-2012
Zaaknummer
12/805
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, een harmonie, was vanaf 1 januari 2008 in het bezit van een ANBI-beschikking. In geschil is of belanghebbende per 1 januari 2010 kan worden aangemerkt als een ANBI. Nu de leden van een amateurvereniging als deze slechts in beperkte mate kunnen worden verplicht tot activiteiten en optredens acht de rechtbank niet aannemelijk dat het particuliere belang van de leden (het uit plezier in groepsverband muziek maken) nagenoeg geheel ondergeschikt is aan het algemeen belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2765
V-N 2013/10.18.15
FutD 2012-2928
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 12/805

Uitspraakdatum: 11 september 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft een verzoek ingediend om als algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI) te worden aangemerkt als bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 in verbinding met artikel 41a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: UR IB 2001). Dit verzoek is door de inspecteur bij beschikking per 1 januari 2009 toegewezen.

1.2. Bij beschikking van 2 augustus 2011 heeft de inspecteur de ANBI-beschikking met ingang van 1 juli 2011 ingetrokken.

1.3. Bij brief van 10 september 2011, bij de inspecteur binnengekomen op 13 september 2011, heeft belanghebbende bezwaar aangetekend tegen de beschikking van 2 augustus 2011.

1.4. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 januari 2012 die beschikking gehandhaafd.

1.5. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 18 februari 2012, ontvangen bij de rechtbank op 22 februari 2012, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 310.

1.6. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde], en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.8. Belanghebbend heeft ter zitting een pleitnota overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Als bijlage 1 van deze pleitnota zal het door de rechtbank uitgedraaide overzicht van de website van de belastingdienst dienen. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging hiervan. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op dezelfde datum als deze uitspraak aan partijen is gezonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is in 1981 opgericht als vereniging genaamd “[handelsnaam belanghebbende bij oprichting]”. In 1999 zijn haar statuten integraal gewijzigd. In de statuten staan (onder andere) de volgende bepalingen:

“Artikel 1.

1. De vereniging draagt de naam: [belanghebbende].

2. Zij heeft haar zetel te [plaats Y], gemeente [plaats X].

Artikel 2.

1. De vereniging heeft ten doel:

de instrumentale muziek te beoefenen en mede in het belang te werken aan de morele en cultureel-muzikale vorming van haar leden en aan de verheffing van het cultureel-maatschappelijk leven.

2. De vereniging tracht dit doel onder meer te bereiken door:

a) het geven van muziekonderricht aan haar leden;

b) het opluisteren met muziek van openbare feestelijkheden en kerkelijk plechtigheden;

c) het geven van uitvoeringen;

d) het deelnemen aan muziekwedstrijden;

e) alle andere wettige middelen, welke aan het doel bevorderlijk kunnen zijn.

DUUR

Artikel 3.

De vereniging, die werd opgericht op [datum] negentienhonderd een en tachtig, is aangegaan voor onbepaalde tijd.

De harmonie voortvloeiende uit de “[handelsnaam belanghebbende bij oprichting]” werd opgericht op [datum] negentienhonderd zeven en negentig.”

2.2. In “De toekomst van [belanghebbende] 2010-2015” staat, onder andere het volgende:

“In de harmoniewereld en daar omheen zijn ontwikkelingen aan de gang die het noodzakelijk maken om he als vereniging voortdurende te bezinnen op de toekomst.

Ontwikkelingen die de toekomst van de harmonie kunnen bedreigen zoals individualisering van de maatschappij waardoor mensen (vooral jeugd) zich minder willen binden aan verenigingen, terugloop van ledenaantal waardoor de bezetting van de harmonie, percussiegroep en jeugdharmonie in het gedrang kunnen komen, terugloop van de financiële middelen om de vereniging draaiende te houden, een terugtredende overheid op het gebied van subsidies enz. In dit beleidsdocument wordt ingegaan op de kansen en bedreigingen van de verenigingen en de nabije toekomst belicht.

(…)

[belanghebbende] heeft in haar bestaan vooral veel aandacht gekregen door de jonge uitstraling van de vereniging. Vooral de sfeer en de ruimte voor informeel samenzijn heeft ot voor kort tot de belangrijkste uitgangspunten geteld. Inmiddels heeft de vereniging een fase bereikt waarbij de samenstelling van de leden in de harmonie redelijk stabiel is gebleven en de vraag naar oudere muzikanten toeneemt. Om aan de harmonie wat meer stabiliteit qua niveau te geven is vooral de doorstroom van de jeugd naar de harmonie in uitgangspunten wat aangescherpt. (…)

Een uitgebreide enquête onder de leden heeft uitgewezen dat men vooral behoefte heeft aan sfeer (gezelligheid en kameraadschap) maar ook toe is aan het verhogen van de muzikale kwaliteit. Daar wil men zich ook voor gaan inzetten, maar niet ten koste van alles. Dat maakt het voor bestuur en dirigent tot een extra uitdaging om de vereniging alert te houden.”

2.3. Belanghebbende is aangesloten bij de landelijke muziekfederatie Verenigde Nederlandse Muziekbonden (VNM). Belanghebbende is ingedeeld in de afdeling vijfde divisie. Belanghebbende doet mee aan concoursen om de muzikale kwaliteit te laten toetsen.

2.4. Belanghebbende bestaat uit een harmonie, een jeugdharmonie en een percussiegroep. Alle drie hebben ze een dirigent met gekwalificeerde docent. De leden van belanghebbende volgen, naast de (ongeveer) 40 repetities bij belanghebbende, ook muziekles bij [muziekschool], een door het Rijk erkende muziekschool tot in ieder geval het behalen van het B-diploma. Belanghebbende is bij de opleiding aan de muziekschool betrokken.

2.5. In 2010 heeft belanghebbende, naast de reguliere repetities, de hieronder volgende activiteiten gehad.

4 februari [activiteit]

26 maart [activiteit]

27 april [activiteit]

29 april [activiteit]

1 mei [activiteit]

1 mei [activiteit]

2 mei [activiteit]

15 mei [activiteit]

15 mei [activiteit]

28 mei [activiteit]

6 juni [activiteit]

10 juni [activiteit]

1 juli [activiteit]

13 juli [activiteit]

16 juli [activiteit]

6 augustus [activiteit]

7 augustus [activiteit] [plaats Z]

8 augustus [activiteit] [plaats Z]

10 oktober [activiteit]

31 oktober [activiteit]

11 november [activiteit]

28 november [activiteit] [plaats Z]

18 december [activiteit] [plaats Z]

26&27 december [activiteit] [plaats Z]

2.6. In 2011 heeft belanghebbende, naast de reguliere repetities, de volgende activiteiten gehad:

10 maart [activiteit]

2 april [activiteit]

15 april [activiteit]

16 april [activiteit] Rimburg

28 april [activiteit]

22 mei [activiteit]

26 mei [activiteit]

2 juni [activiteit]

6 juni [activiteit]

18 juni [activiteit]

3 juli [activiteit]

7 juli [activiteit]

13 augustus [activiteit] [plaats Z]

14 augustus [activiteit] [plaats Z]

9 september [activiteit]

11 september [activiteit]

17 september [activiteit]

8 oktober [activiteit]

30 oktober [activiteit]

11 november [activiteit]

27 november [activiteit] [plaats Z]

29 november [activiteit]

10 december [activiteit]

17 december [activiteit] [plaats Z]

27 december [activiteit] [plaats Z]

2.7. Op 27 april 2011 heeft de inspecteur een voornemen tot intrekking van de ANBI-beschikking per 1 juli 2011 naar belanghebbende gezonden. Belanghebbende heeft hierop bij brieven van 11 en 22 mei 2011 gereageerd.

2.8. Bij brief met dagtekening 12 juli 2011, heeft de inspecteur aangegeven dat de ANBI-beschikking met ingang van 1 juli 2011 wordt ingetrokken. Bij beschikking van 2 augustus is de ANBI-beschikking per 1 juli 2011 ingetrokken.

3. Geschil

3.1. In geschil is of belanghebbende per 1 januari 2010 kan worden aangemerkt als een ANBI.

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend. Hiertoe stelt zij dat haar activiteiten voor minstens 90% het algemeen belang dienen van de regio, doordat zij veelvuldig buiten de eigen kring en leefgemeenschap optredens verzorgt. Ook stelt zij dat er sprake is van ongelijkheid doordat steunstichtingen de ANBI-status wel behouden hebben.

3.3. De inspecteur beantwoordt de vraag ontkennend. De inspecteur stelt hiertoe dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar activiteiten voor 90% het algemeen belang dienen nu de activiteiten van belanghebbende bijna uitsluitend in de eigen leefgemeenschap en eigen ledenkring plaats vinden.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.5. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en toekenning van de ANBI-status. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4..1. Wil een instelling als ANBI worden aangemerkt, dan dient zij aan verschillende eisen te voldoen. Het kernvereiste vindt men in artikel 6.33 Wet inkomstenbelasting 2001 (tekst 2010 e.v.) en artikel 41a, lid 1, onderdeel b, van de UR IB 2001. Dit vereiste houdt in, dat uit de regelgeving van de instelling en de feitelijke werkzaamheid moet blijken dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt.

4.2. In casu is niet in geschil dat uit de statuten en het beleidsplan van belanghebbende blijkt dat zij het algemeen nut beoogt en dat die niet in de weg staan aan aanmerking van belanghebbende als ANBI. De vraag die hier beantwoord moet worden is of de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende voor tenminste 90 percent het algemeen belang dienen. Deze vraag dient te worden beantwoord met betrekking tot de activiteiten in hun totaliteit. De bewijslast daarvoor rust op belanghebbende.

4.3. Aan de wetsgeschiedenis van artikel 41a UR IB 2001 ontleent de rechtbank het volgende (Wetsvoorstel 31930, nr. F, Nadere memorie van Antwoord Eerste Kamer):

“(…) het enige dat hoort te tellen voor het in aanmerking komen van de ANBI-status is of het algemeen nut wordt nagestreefd. Zolang dit algemeen belang voorop staat, doet het plezier van de mensen dat zij beleven bij het nastreven van het algemeen belang, niet af aan de doelstelling van algemeen nut. Maar dat plezier mag, zoals ik in het voorgaande te kennen heb gegeven – overigens geheel in lijn met de jurisprudentie – niet een doel op zichzelf zijn, maar slechts een zijdelings effect.

Bij verenigingen zal het doel van de vereniging doorgaans primair bestaan uit het behartigen van de belangen van de leden. Deze belangenbehartiging is de reden waarom de vereniging is opgericht, de bestaansreden. Juist omdat de regering aan dergelijke verenigingen wel een grote maatschappelijke waarde toekent en zij vanwege het feit dat zij niet primair een algemeen nut dienen maar het particulier belang van de leden, niet in aanmerking komen voor de ANBI status met de bijbehorende fiscale faciliteiten, is een nieuwe categorie in het leven geroepen – de SBBI – die eveneens in aanmerking komt voor de faciliteiten van de schenk- en erfbelasting.

Ook voor de doorsnee muziekvereniging zal gelden dat de behartiging van de persoonlijke belangen van haar leden, bijvoorbeeld door het samen muziek maken, het voorzien in de behoefte aan vrijetijdsbesteding en het bieden van een gezellig verenigingsleven, het primaire doel is. Het maatschappelijk belang van de vereniging voor de gemeenschap is hier een zijdelings effect. Op dat punt wijkt een plaatselijke muziekvereniging of een harmonie niet af van bijvoorbeeld de biljartvereniging of de voetbalclub. Al deze verenigingen vallen onder het SBBI-regime.

Bij bepaalde verenigingen kan dit echter anders liggen. Voorwaarde is dat zij, conform hun dan geldende doelstelling, veelvuldig naar buiten treden, bijvoorbeeld bij regionale en landelijke evenementen, en zich daarbij richten op een publiek buiten hun eigen ledenkring of leefgemeenschap. Bij muziekverenigingen zou het dan kunnen gaan om het geven van concerten. Dan behartigen zij wél een algemeen belang. Die activiteiten geven haar de status van culturele instelling (kwalitatief criterium). Het is voorts afhankelijk van de omstandigheden of de muziekvereniging dan uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt (kwantitatief criterium). In gevallen waarin de doelstellingen en de feitelijke activiteiten van de vereniging vrijwel niet gericht zijn op de particuliere belangen van de leden en het verzorgen van optredens bij de eerdergenoemde gelegenheden het belangrijkste doel van de vereniging vormt, en wel zodanig dat sprake is van een culturele instelling, kan deze nog steeds kwalificeren als ANBI.”

4.4. Uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever van oordeel is dat activiteiten van een muziekvereniging als belanghebbende die rechtstreeks betrekking hebben op de plaatselijke gemeenschap (in casu de kern [plaats W]) niet het algemeen belang kunnen dienen. De wetgever is er echter blijkbaar vanuit gegaan dat dan ook in belangrijke mate de persoonlijke belangen van de leden worden gediend waardoor niet aan het 90%-criterium wordt voldaan. In dat kader is ook de opmerking te plaatsen dat muziekverenigingen wel als ANBI kunnen worden aangemerkt indien de feitelijke activiteiten “vrijwel niet gericht zijn op de particuliere belangen van de leden”.

4.5. Personen die lid worden van een amateurvereniging als deze, zullen dat in het algemeen doen omdat zij het prettig vinden om in groepsverband muziek te maken. Het uit plezier in groepsverband muziek maken, dient het privébelang van deze verenigingsleden. Dat daarbij tevens het algemeen belang wordt gediend door muziekoptredens ten algemene nutte, neemt niet weg dat primair de particuliere belangen van de leden worden gediend.

4.6. De leden van een amateurvereniging als deze kunnen slechts in zeer beperkte mate worden verplicht tot activiteiten en optredens waaraan zij geen plezier beleven; bij de planning van activiteiten zal (het bestuur van de) vereniging dus tevens in betekende mate rekening moeten houden met de wensen en daarmee met het particuliere belang van de leden. Dat klemt te meer indien statuten of huishoudelijk reglement van de vereniging de leden weinig of geen verplichtingen opleggen – zoals de situatie is bij belanghebbende.

4.7. De rechtbank acht aannemelijk dat een vereniging in het algemeen, naarmate het algemeen belang meer wordt nagestreefd, minder rekening zal houden met het belang van de leden en meer eisen zal stellen aan de leden. Als het zwaartepunt immers ligt bij het algemeen belang, zal het particulier belang hieraan ondergeschikt worden gemaakt. Het in de Wet vervatte 90%criterium houdt in, dat het particuliere belang nagenoeg geheel ondergeschikt moet zijn aan het algemeen belang. De rechtbank acht, mede gezien hetgeen zij onder 4.5. en 4.6. heeft overwogen, niet aannemelijk dat daarvan in de situatie van belanghebbende sprake is.

4.8. Belanghebbende heeft tevens gesteld dat een aantal stichtingen en verenigingen die vooral gericht zijn op de particuliere belangen van de leden wel de ANBI-status hebben behouden. Voorzover belanghebbende met deze stelling een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel heeft willen doen, is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Belanghebbende heeft geen enkel concreet geval genoemd waarin de wet niet juist is toegepast.

4.9. Hetgeen hiervoor is overwogen laat onverlet dat de rechtbank een sociaal belang zeker aanwezig acht zodat belanghebbende wel als SBBI kan worden aangemerkt, maar de wetgeving voorziet niet in het afgeven van een beschikking hieromtrent.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 september 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr.dr. N.C.G. Gubbels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 21 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.