Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY1576

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
11/1394
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omkering - navordering vennootschapsbelasting

Belanghebbende is opgericht naar het recht van het Verenigd Koninkrijk. De primitieve aanslag is conform de ingediende aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2004 opgelegd. Naar aanleiding van informatie uit het Verenigd Koninkrijk heeft belanghebbende de door de inspecteur gestelde vragen niet afdoende beantwoord. Omkering van de bewijslast is dan terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/375
V-N 2013/19.29.12
FutD 2013-0464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/1394

Uitspraakdatum: 6 september 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] LTD, thans gevestigd te [vestigingsplaats] (Verenigd Koninkrijk),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Roermond,

de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 31 december 2009 over het boekjaar 1 mei 2004 tot en met 31 december 2004 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 87.355, aanslagnummer [nummer] (hierna: de navorderingsaanslag). Daarbij is bij beschikking een bedrag van € 6.349 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken van 20 januari 2011 de navorderingsaanslag en beschikking inzake heffingsrente gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft bij brief van 16 februari 2011, gericht aan de inspecteur, gereageerd op de uitspraken op bezwaar. De inspecteur heeft voormelde brief aangemerkt als een beroepschrift tegen voormelde uitspraken op bezwaar en doorgestuurd naar de rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 302.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de persoon van haar bestuurder, [de bestuurder] (hierna: de bestuurder), en namens de inspecteur, [gemachtigden]. De zaken met de procedurenummers 11/1394 en 11/1482 zijn gelijktijdig behandeld. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op dezelfde dag als deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2.Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende is een vennootschap opgericht naar het recht van het Verenigd Koninkrijk. Zij houdt100% van de aandelen in [vennootschap A] Limited (hierna: [vennootschap A]), een eveneens naar het recht van het Verenigd Koninkrijk opgerichte vennootschap. Vanaf het jaar 2004 verricht belanghebbende haar activiteiten in Nederland. Zij opereert daarbij vanuit het bedrijfsadres [bedrijfsadres Nederland]. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit de verkoop en het beheer van naar buitenlands recht opgerichte vennootschappen en het verhuren van kantoorunits in Nederland. Haar afnemers wonen bijna allemaal in Duitsland. De buitenlandse vennootschappen worden alle geregistreerd op het adres [bedrijfsadres Verenigd Koninkrijk] in het Verenigd Koninkrijk. Op dat adres waren tot 31 december 2004 een zestigtal vennootschappen geregistreerd. Ook [vennootschap A] verkoopt buitenlandse vennootschappen. Belanghebbende heeft zich in mei 2004 gemeld bij de Belastingdienst en is per 1 mei 2004 ingeschreven in het handelsregister van de (Nederlandse) Kamer van Koophandel. De toenmalige gemachtigde Accountantskantoor [accountantskantoor] heeft de administratie, jaarstukken en belastingaangiften van belanghebbende verzorgd.

2.2.Op 15 oktober 2006 heeft belanghebbende, na daartoe te zijn uitgenodigd, als binnenlands belastingplichtige aangifte vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2004 (hierna: de aangifte) gedaan. Daarin is een omzet verantwoord van € 36.510 en een belastbare winst, tevens belastbaar bedrag, van € 8.370. Als kosten zijn onder meer bedragen in aftrek gebracht die [vennootschap A] aan belanghebbende in rekening heeft gebracht. In het Verenigd Koninkrijk heeft belanghebbende geen aangifte gedaan. [vennootschap A] heeft geen aangifte vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2004 gedaan en is daartoe ook niet uitgenodigd.

2.3.Met dagtekening 25 november 2006 is de primitieve aanslag vennootschapsbelasting voor het belastingjaar 2004 (hierna: de aanslag), conform de ingediende aangifte vastgesteld voor het boekjaar 1 mei 2004 tot en met 31 december 2004 berekend naar een belastbaar bedrag van € 8.370.

2.4.De aanslag is wegens verrekening met het in 2005 geleden verlies bij beschikking van 7 juli 2007 verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van € 2.465.

2.5.Op 29 mei 2009 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met de bestuurder voor het instellen van een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangifte.

2.6.Naar aanleiding van de inzage in de administratie van belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 17 augustus 2009 diverse vragen aan belanghebbende gesteld over onder meer haar ondernemingsactiviteiten in Nederland. Vervolgens heeft er op 3 september 2009 een bespreking met de bestuurder plaatsgevonden op het in 2.1 genoemde adres in Nederland.

2.7.Van voormelde bespreking heeft de inspecteur in zijn brief van 21 september 2009 aan belanghebbende het volgende, voor zover hier van belang, vermeld:

“Geachte heer [de bestuurder],

Naar aanleiding van ons gesprek van 3 september jl. berichten wij u als volgt. (…)

1.Activiteiten

Op 3 september heeft de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende] Ltd. (hierna [belanghebbende]) en [vennootschap A] Ltd. (hierna “[vennootschap A]”) toegelicht. Wij hebben uit uw toelichting het volgende begrepen:

In 2004 is [belanghebbende] in Nederland begonnen met:

1.het verkopen van naar Engels recht opgerichte vennootschappen (Limiteds) aan personen, die vrijwel allen in Duitsland wonen; en

2.het verlenen van secretariaatservices aan de Limiteds.

De secretariaatservices bestaan voornamelijk uit het verschaffen van een bedrijfsadres of het correspondentieadres in [plaats Nederland], het doorzenden van post, het verlenen van telefoonservice en geven van adviezen en verlenen van bijstand, bestaande uit de inschrijving in het Handelsregister en/of de aanvraag van een fiscaalnummer. De secretariaatservice wordt onder verschillende omschrijvingen gefactureerd, zoals ‘Untervermietung eines Büroraumus” of “Mietkaution”.

Ter zake van de activiteit in onderdeel 1 kan opgemerkt worden dat aanvankelijk [belanghebbende] de Limiteds inkocht bij niet verbonden Company Formation Agents (“derden”) zoals [derden]. Sinds oktober 2004 is volgens de heer [de bestuurder] [vennootschap A] bevoegd op te treden als Company Formation Agent en vanaf dat moment worden de Limiteds, die [belanghebbende] verkoopt, opgericht door [vennootschap A]. [vennootschap A] factureert aan de Duitse opdrachtgevers de vergoeding voor de oprichting én verkoop van de Limiteds en [belanghebbende] factureert de secretariaatservices. [vennootschap A] verantwoordt de gefactureerde vergoedingen in haar jaarrekening en geeft die vergoedingen aan bij de Engelse Belastingdienst volgens de heer [de bestuurder]. Op haar beurt verantwoordt [belanghebbende] de vergoedingen voor de secretariaatservices in haar jaarrekening en geeft die vergoedingen aan bij de Nederlandse Belastingdienst.”

Tevens heeft de inspecteur in deze brief aan belanghebbende nadere vragen gesteld omtrent enkele aftrekposten en verzocht om de volledige administratie van zowel belanghebbende als die van [vennootschap A] te verstrekken. Voorts is aan belanghebbende gevraagd waarom zij geen omzetbelasting in rekening heeft gebracht aan haar klanten ten behoeve van de door haar verleende diensten.

2.8.In de brief van 29 september 2009 van belanghebbende staat het volgende vermeld:

“ich nehme Bezug auf Ihr Schreiben vom 21.09.2009. Leider bin ich der niederländischen Sprache nicht zo mächtig, dass ich Ihren Vortag vollständig verstehen kann. Ich habe daher heute eine Übersetzung anfertigen lassen und bitte um angemessene Fristverlängerung, auch unter der Berücksichtigung, dass ich in der 41 KW 2009 im kroatischen Büro, in der 42. KW im tschechischen Büro und in der 43. KW. Im englischen Büro arbeiten muss. In der 44 KW bin ich wieder im niederländischen Büro und kann mich mit der Sache befassen.”

2.9.De inspecteur heeft in zijn (in de Nederlandse taal opgemaakte) brieven van 5 november 2009 en 20 november 2009 belanghebbende erop gewezen dat het niet voldoen aan de verplichtingen zoals is neergelegd in Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) zal leiden tot een omkering van de bewijslast.

2.10.Bij brief van 1 december 2009 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag aangekondigd. De inspecteur heeft het hiervoor in 2.4 vermelde belastbare bedrag van € 2.465 verhoogd met € 84.890 tot en een bedrag van € 87.355. Dit heeft de inspecteur, voor zover hier van belang, als volgt gemotiveerd:

“Activiteiten [belanghebbende]

De activiteiten van [belanghebbende] Ltd bestaan met name uit de verkoop van rechtsvormen, secretariaatsservice/verhuur van kantoorruimte, nominee shareholder services alsmede andere incidentele diensten. Onder incidentele leveringen en diensten wordt bijvoorbeeld verstaan het verstrekken van een current appointments report, certificate of good standing of bijvoorbeeld het verzorgen van de wijziging van de naam van een vennootschap.

De financiële administratie van [belanghebbende] is ter beschikking gesteld. De administratie die is overgelegd heeft betrekking op de periode mei 2004 tot het eerste kwartaal 2009. Volgens mededeling van de heer [de bestuurder] betreft het de administratie van de vaste inrichting [belanghebbende] te Nederland. Het hoofdkantoor en feitelijke vestigingsplaats van [belanghebbende] is volgens mededeling van de heer [de bestuurder] in Engeland gelegen. Volgens de facturen van de vaste inrichting [belanghebbende] worden de navolgende diensten in rekening gebracht:

 TABEL OMSCHRIJVING DIENSTEN OP DE FACTUUR <

Ter zake van bovenstaande activiteiten kunnen de volgende opmerkingen geplaatst worden. Aan de hand van de gegevens uit het verkoopboek alsmede een query uit de Companies House op het registered office adres [bedrijfsadres Verenigd Koninkrijk] blijkt dat er tot 31 december 2004 een 60 tal vennootschappen bestaan die direct of indirect in relatie staan tot [belanghebbende] ltd. Op dit moment vindt nog onderzoek plaats naar de vestigingsplaats van [belanghebbende].

Op basis van het aantal van deze vennootschappen alsmede de activiteiten verricht door [belanghebbende] Ltd komen wij op een theoretische omzetberekening voor 2004 van € 114.915. Voor de berekening van de soll-positie inzake de omzet (de uitkomst van de theoretische omzetberekening) verwijzen wij naar bijlage 1.

Bij de berekening van de soll-position is slechts uitgegaan van de verkochte vennootschappen opgericht naar het Engels recht. Niet bekend is of dit een juiste uitgangspositie is en of [belanghebbende] Ltd naast de naar Engels recht opgerichte vennootschappen ook naar ander recht opgerichte vennootschappen verkoopt.(…)

NAVORDERING VENNOOTSCHAPSBELASTING 2004

Aangegeven belastbare winst € 8.370

Correctie omzet € 78.405

Correctie kosten:

Reis- en verblijfkosten € 1.620,40

Gelieerde transacties € 4.865,91

€ 6.486

Op te leggen navorderingsaanslag Vpb 2004

tegen een belastbare winst € 93.260”

2.11.Bij brief van 11 januari 2010 heeft de inspecteur op grond van artikel 25 van het de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar inkomen en naar vermogenswinsten aan de bevoegde autoriteit, HM Revenue & Customs, verzocht om informatie te verstrekken omtrent de belastingplicht van belanghebbende en [vennootschap A] in het Verenigd Koninkrijk. Uit de door HM Revenue & Customs verstrekte stukken blijkt dat belanghebbende in het onderhavige jaar als ‘dormant’ staat geregistreerd in het Verenigd Koninkrijk. Tevens heeft HM Revenue & Customs onder andere de jaarrekening over het jaar 2004 van [vennootschap A] aan de inspecteur verstrekt. In deze jaarrekening heeft [vennootschap A] over het jaar 2004 een omzet verantwoord van € 28.207.

2.12.Bij brief van 9 augustus 2010 heeft de inspecteur belanghebbende wederom verzocht haar volledige administratie en die van [vennootschap A] aan hem te verstrekken. Tevens heeft de inspecteur aanvullende vragen gesteld die verband houden met de correctie van de omzet en de correctie van de kosten.

2.13.De inspecteur heeft in zijn uitspraken, voor zover hier van belang, het volgende beslist:

“In de brief van 9 augustus 2010 ben ik nader ingegaan op de totstandkoming van onderhavige navorderingsaanslag vennootschapsbelasting. In deze brief heb ik de correctie benoemd en uitgewerkt. Ook ben ik in deze brief ingegaan op het door de Belastingdienst ingenomen standpunt ten aanzien van de vestigingsplaats van [belanghebbende]. Verder heb ik u in deze brief de nog openstaande vragen gesteld en u verzocht deze te beantwoorden. Uw antwoord is van belang voor de beoordeling van het bezwaar. Tenslotte heb ik u in deze brief medegedeeld dat ik correspondeer in de Nederlandse taal en het voor mij aannemelijk is dat u deze taal voldoende machtig bent.

De brief van 9 augustus 2010 is gestuurd naar [bedrijfsadres Nederland]. U of een van de medewerkers uit uw onderneming heeft deze brief echter geretourneerd waarbij op de envelop is aangegeven dat het bedrijf verhuisd is naar [adres Verenigd Koninkrijk] United Kingdom. Daarop heb ik op 6 oktober 2010 de brief van 9 augustus 2010 zowel naar het adres in Engeland gestuurd als (nogmaals) naar [bedrijfsadres Nederland] als ook naar uw thuisadres in Duitsland. Ook hierop heb ik helaas geen inhoudelijke reactie mogen ontvangen. (…)

In een brief van 1 december 2010, waarvan ik u drie exemplaren heb doen toekomen (gericht aan de drie bekende adressen), heb ik nu aangegeven dat ik bij gebrek aan een inhoudelijke reactie van u genoodzaakt ben om de aanslag te handhaven en uw bezwaar af te wijzen. Ik heb u aangegeven dat in geval u beroep aantekent de omkering van de bewijslast op u van toepassing is. Ook het exemplaar van deze brief dat gestuurd was naar [bedrijfsadres Nederland] is wederom door u dan wel een van uw medewerkers geretourneerd.

Ik constateer op grond van bovenstaande gang van zaken dat u blijkbaar van mening bent dat, door [belanghebbende] te verplaatsen naar Engeland dan wel door de onderneming over te dragen aan [vennootschap A], u niet gehouden bent de gestelde vragen over het jaar 2004 te beantwoorden. U realiseert zich daarbij m.i. ten onrechte niet dat [belanghebbende] in onderhavig jaar in Nederland was gevestigd. Het is mij zodoende volstrekt onduidelijk op grond waarvan u niet overgaat tot beantwoording van de gestelde vragen en verstrekking van openheid van zaken. Niet alleen ten aanzien van de onderhavige aanslag staan nog openstaande vragen open, maar ook ten aanzien van de huidige gang van zaken omtrent [belanghebbende] bestaan onduidelijkheden. Zo staat het m.i. geenszins vast dat [belanghebbende] naar Engeland is verhuisd aangezien zij daar als “dormant” is aangemerkt.

Zodoende handhaaf ik de aanslag en wijs u nogmaals op het volgende. U hebt niet voldaan aan artikel 47 Algemene wet rijksbelastingen. Dit houdt in dat bij een mogelijk door u in te stellen beroep de omkering van bewijslast ex artikel 27 e Algemene wet rijksbelastingen in werking treedt.”

3.Geschil

3.1In geschil is, naar de rechtbank verstaat, of de inspecteur de navorderingsaanslag tot het juiste bedrag heeft vastgesteld.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3.Belanghebbende concludeert, naar de rechtbank verstaat, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.De rechtbank heeft geen vertaling van de in de Engelse of Duitse taal gestelde brieven van belanghebbende verlangd. Een dergelijke vertaling acht de rechtbank voor een goede behandeling van het beroep niet noodzakelijk (artikel 6.5, derde lid, van de Awb).

4.2.De bestuurder heeft de rechtbank in de Engelse taal bij brieven van 30 maart 2011 en 2 mei 2001 bericht dat hij de Nederlandse taal niet beheerst en dat hij graag de correspondentie in het Duits of het Engels ontvangt. Bij brieven van 12 april 2011 en 10 mei 2011 heeft de rechtbank belanghebbende in de Engelse taal uitgelegd dat de rechtbank verder alleen in de Nederlandse taal correspondeert. Vervolgens heeft de rechtbank op 12 augustus 2011 een fax van [advocaat], advocaat te Heerlen, ontvangen. Daarin staat vermeld dat belanghebbende zich door hem laat vertegenwoordigen. De rechtbank heeft voorts de volmacht en een vertaling van het beroepschrift in het Nederlands, per fax, ontvangen op 12 september 2011. Ter zitting is belanghebbende niet bijgestaan door de gemachtigde of een tolk. Belanghebbende heeft aldaar in de Duitse taal toegelicht dat zij vanwege de besparing van de kosten [advocaat] niet heeft meegenomen en evenmin zelf een tolk heeft ingeschakeld. Tevens heeft zij de rechtbank wederom verzocht de zaak over te dragen aan een gerecht in het Verenigd Koninkrijk dan wel aan het Hof van Justitie.

4.3.De rechtbank wijst het verzoek van belanghebbende af nu de wet niet in de mogelijkheid tot de verzochte overdracht voorziet. Voor zover belanghebbende met haar verzoek tevens bedoeld heeft te stellen dat de rechtbank ten onrechte bij de behandeling van de zaak niet heeft voorzien in een tolk, overweegt de rechtbank als volgt. Als regel geldt dat de overheid in de landstaal communiceert (vergelijk artikel 2:6, eerste lid van de Awb). Indien een belanghebbende die taal onvoldoende machtig is en hulp nodig heeft bij de behandeling van zijn zaak, ligt het op zijn weg zich daarvan te voorzien en rust op hem het risico als hij dat nalaat. Feiten en omstandigheden waaraan de gevolgtrekking is te verbinden dat er reden is voor het maken van een uitzondering op voornoemde regel zijn gesteld noch gebleken. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op dat hier geen sprake is van een beboeting (‘criminal charge’). De rechtbank heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld ter zitting haar standpunt in de Duitse taal toe te lichten en de inspecteur heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Daarvan uitgaande en in aanmerking genomen dat de rechtbank van oordeel was zelf de Duitse taal voldoende te beheersen, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven zelf een tolk te benoemen en daartoe de behandeling van de zaak ter zitting te schorsen. Daarbij verdient opmerking dat belanghebbende ter zitting ook geen verzoek tot schorsing heeft gedaan om haar zelf in de gelegenheid te stellen zorg te dragen voor bijstand door een tolk.

Omkering bewijslast

4.4.Vaststaat dat belanghebbende in de onderhavige periode in Nederland beschikte over een kantoorruimte en dat van daaruit activiteiten werden ontplooid die tot opbrengsten hebben geleid. Tevens staat vast dat aan belanghebbende een aangiftebiljet voor de vennootschapsbelasting is uitgereikt en dat naar aanleiding van het ingevulde aangiftebiljet een aanslag vennootschapsbelasting is vastgesteld.

4.5.Naar aanleiding van de controle van belanghebbendes administratie heeft de inspecteur vragen gesteld aan belanghebbende. Op deze vragen is in de Duitse taal antwoord gegeven. De inspecteur heeft blijkens zijn brief van 4 december 2009 dat antwoord niet voldoende geacht en belanghebbende alsnog in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens aan te leveren. Hierbij is belanghebbende gewezen op zijn verplichtingen en de gevolgen als zij daaraan niet voldoet. Belanghebbende heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

4.6.Gezien in samenhang met de door de inspecteur uit het Verenigd Koninkrijk verkregen gegevens heeft belanghebbende de door de inspecteur gestelde vragen niet afdoende beantwoord. Van een aantal van de door belanghebbende opgerichte vennootschappen dat ultimo 2004 op het in 2.1 vermelde adres in het Verenigd Koninkrijk was geregistreerd en waarbij belanghebbende als aandeelhouder is vermeld, heeft belanghebbende geen omzet verantwoord. Aan de verklaring van belanghebbende dat vanaf oktober 2004 niet zij, maar [vennootschap A] de activiteiten verricht, hecht de rechtbank voor het onderhavige jaar geen geloof. De rechtbank acht een overdracht van de activiteiten door belanghebbende onwaarschijnlijk nu belanghebbende geen tegenprestatie wegens overdracht van de activiteiten heeft verantwoord. Ook de omzetverantwoording door [vennootschap A] in het Verenigd Koninkrijk biedt geen steun voor de verklaring van belanghebbende. De rechtbank gaat gelet op het voorgaande ervan uit dat de activiteiten niet zijn beëindigd en evenmin voor rekening en risico van een ander dan belanghebbende zijn verricht. De rechtbank acht de inspecteur derhalve erin geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende haar omzet en winst tot een aanzienlijk te laag bedrag heeft verantwoord in haar aangifte. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende aldus niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De rechtbank acht voornoemd verzuim in dit geval van voldoende gewicht om daaraan de conclusie te verbinden dat op grond van het bepaalde in artikel 27e, aanhef en onderdeel a, van de AWR, het beroep ongegrond moet worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslag en beschikking inzake heffingsrente onjuist zijn.

4.7.Met de stellingname van belanghebbende dat enkele van de vennootschappen niet in Nederland zijn gevestigd en dat de afnemer van een van de vennootschappen niet heeft betaald, zonder het nodige bewijs daarvan over te leggen, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet het bewijs geleverd dat en in hoeverre de uitspraken onjuist zijn. Belanghebbende heeft tevens gesteld dat haar toenmalige gemachtigde verantwoordelijk is voor de te weinig geheven belasting. Voor de heffing van belasting zijn de gevolgen van het handelen van een gemachtigde echter voor rekening en risico van de belastingplichtige.

Redelijke schatting

4.8.De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de navorderingsaanslag niet naar willekeur is vastgesteld, maar berust op een redelijke schatting. Aan de hand van de aanwezige facturen in de administratie van belanghebbende heeft de inspecteur de activiteiten van belanghebbende in kaart gebracht. Uit de aanwezige facturen kan, overeenkomstig de in 2.10 vermelde opvatting van de inspecteur, worden afgeleid dat belanghebbende de volgende tarieven, exclusief omzetbelasting, heeft gehanteerd:

- Verkoop van een bestaande vennootschap (ongeacht hun rechtsvorm) € 1.500

- Het optreden als aandeelhouder van vennootschappen (per jaar) € 205/€ 380

- Het verhuren van kantoorruimten aan vennootschappen (per maand) € 100

De inspecteur heeft uit een databestand, Lexis Nexis (dat onder andere informatie verzamelt uit de Companies House en de Kamer van Koophandel) gegevens van vennootschappen, die op het adres [bedrijfsadres Verenigd Koninkrijk] staan ingeschreven, verzameld. Van nagenoeg elke in 2004 opgerichte vennootschap heeft de inspecteur het tarief van € 1.500 tot de omzet gerekend, telkens vermeerderd met het tarief van maximaal € 380 indien belanghebbende als aandeelhouder van die vennootschap is geregistreerd. Ter zake van de vennootschappen die (mede) op het bedrijfsadres van belanghebbende zijn geregistreerd, heeft de inspecteur het tarief € 100 per maand tot de omzet gerekend voor het verhuren van haar kantoorruimte aan die vennootschap. Aldus heeft de inspecteur de omzet op € 114.915 bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van willekeur en heeft de inspecteur de hoogte van de omzet in redelijkheid bepaald.

Kostenaftrek

4.9.De inspecteur heeft met betrekking tot de door hem niet in aftrek aanvaarde posten gesteld dat niet duidelijk is tot welke bedragen uitgaven door belanghebbende zijn gedaan en op haar drukken. In deze procedure ligt het op de weg van belanghebbende overtuigend aan te tonen dat de door haar gestelde uitgaven zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming en dat deze uitgaven op haar drukken. Belanghebbende heeft geen enkel stuk overgelegd waaruit de juistheid van de aftrek van die kosten blijkt en dat ook niet op enige andere wijze aangetoond. Daarom kan niet worden gezegd dat belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat zij recht heeft op de geclaimde aftrek ter zake van de betreffende kosten.

Heffingsrente

4.10.Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). Belanghebbende heeft tegen de heffingsrente geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is ook het beroep met betrekking tot de beschikking inzake heffingsrente ongegrond.

5.Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 september 2012 door mr. J.W.M. Tijnagel, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 14 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.