Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY1491

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
29-10-2012
Zaaknummer
11/5131
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemeentelijke heffingen/leges

Belanghebbende heeft in één aanvraag een omgevingsvergunning aangevraagd voor een grote hoeveelheid woningen. Zij heeft voor het in behandeling nemen van deze aanvraag een tarief aan leges per woning moeten betalen, waarbij een korting is gegeven voor een aanvraag voor meerdere woningen.

De heffingsambtenaar heeft aannemelijk gemaakt dat de geraamde baten de geraamde lasten niet overschrijden. Ook geen sprake van onredelijke of onwillekeurige belastingheffing. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2523
Belastingblad 2012/535
V-N 2012/58.21.16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/5131

Uitspraakdatum: 18 september 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [vestigingsplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Moerdijk,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar van 31 augustus 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag leges (aanslagnummer: [nummer]).

Zitting

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2012 te Breda voor een enkelvoudige belastingkamer. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [advocaat], advocaat te Breda, tot bijstand vergezeld van [gemachtigde], en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde]. De rechtbank heeft de zaak verwezen voor een behandeling door een meervoudige kamer.

Het proces-verbaal van het verhandelde tijdens de eerste mondelinge behandeling is aan partijen verzonden.

Het onderzoek ter zitting voor de meervoudige belastingkamer heeft plaatsgevonden op

4 september 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen, namens belanghebbende, [advocaat] en [gemachtigde], voornoemd, en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde], voornoemd, tot bijstand vergezeld van [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

-veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.092,50;

-gelast de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van

€ 302 aan haar te vergoeden.

2.Gronden

2.1.Belanghebbende heeft op [datum] 2010 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van 147 grondgebonden woningen en één appartementengebouw met 26 appartementen (hierna: de aanvraag). De heffingsambtenaar heeft voor het in behandeling nemen van de aanvraag aan belanghebbende met dagtekening van 4 mei 2011 een aanslag leges opgelegd van € 446.322,40. De berekening van dit bedrag is als volgt:

Leges in behandeling nemen aanvraag omgevingsvergunning bouwactiviteit € 556.368,00

20% korting voor meerdere woningen af € 111.273,60

Leges welstand € 818,00

Leges gebruiken gronden en bouwwerken in strijd met bestemmingsplan € 410,00

Totaal € 446.322,40

2.2.Belanghebbende heeft tegen de aanslag leges bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar afgewezen. In geschil is of de aanslag leges terecht en tot op het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend; de heffingsambtenaar is de tegenover gestelde opvatting toegedaan.

Formeel geschilpunt

2.3.Belanghebbende heeft in de bezwaarfase verzocht op de voet van artikel 7:2 van de Awb, te worden gehoord. Belanghebbende is niet gehoord.

2.4.Op het bestuursorgaan rust de zorgplicht de voormelde wettelijke bepaling zorgvuldig na te leven. De heffingsambtenaar heeft gesteld, maar tegenover de betwisting van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende te kennen heeft gegeven, geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Dat leidt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van schending van de hoorplicht. Belanghebbende heeft desgevraagd de rechtbank verzocht de zaak niet terug te wijzen maar zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal dat doen maar vindt in de voormelde schending aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de kosten van het beroep en van het griffierecht als hierna vermeld in 2.9.

Het materiële geschil

2.5.Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar standpunt, zakelijk weergegeven, de volgende gronden aangevoerd:

1.De aanslag maakt geen melding van de toepasselijke heffingsgrondslag en verordening.

2.De gemeente noch de heffingsambtenaar was bevoegd de aanslag op te leggen; de aanslag is niet ondertekend door de heffingsambtenaar.

3.De verordening is onverbindend omdat deze geen omschrijving bevat van het begrip “volledige woning”, omdat de dienst niet zowel in de verordening als in de tarieventabel wordt genoemd en omdat sprake is van een onduidelijke normstelling ten aanzien van de heffingsmaatstaf en de korting.

4.De verordening is onverbindend omdat, in strijd met artikel 229b van de Gemeentewet, geen bewijs is geleverd dat de baten niet de kosten overschrijden.

5.De aanslag is onjuist omdat sprake is van een onredelijk en willekeurig tarief.

6.De leges voor welstand en gebruik van gronden in strijd met bestemmingsplan hebben geen grondslag in de (3de wijziging van) de verordening.

De wettelijke grondslag

2.6.1.Ingevolge artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, voor zover hier van belang, kunnen de gemeentelijke belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

2.6.2.Ingevolge artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

2.6.3.Ingevolge artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

2.6.4.Artikel 233 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze, doch niet bij wege van afdracht op aangifte.

De verordening

2.6.5.De 2de wijziging van de verordening op de heffing en de invordering van leges gemeente Moerijk 2010 (vastgesteld op 3 juni 2010, hierna: de verordening) bepaalt, voorzover van belang:

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 6 Wijze van heffing

De leges worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

2.6.6.De in artikel 2 van de verordening genoemde tarieventabel bepaalt voor zover hier van belang:

“2.2.1. Op grond van onderdeel 2.2.3 worden leges geheven, die samenhangen met het in behandeling nemen van aanvragen tot beoordeling van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wabo.

(…)

2.2.3 Het tarief voor van het in behandeling nemen van:

(…)

2.2.3.3. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo bedraagt per volledige woning: € 3.216.

(…)

2.2.4.1. Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, en tevens sprake is van een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo en toepassing is gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1 , artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 , of van de Wabo of artikel 2.12, tweede lid van de Wabo wordt het vastgestelde bedrag op basis van 2.2 en/ of 2.5 verhoogd met: € 410.

(…)

2.11.1.2

Als de welstandscommissie hierover wel moet adviseren wordt het legesbedrag voor een:

(…)

- een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wabo met bouwkosten van € 5.000.001,- en hoger verhoogd met: € 818.

(…)

2.11.6Op de leges voor de aanvraag als bedoeld in 2.2.1.1 wordt een korting verstrekt van 20% indien meerdere woningen in één aanvraag worden aangevraagd. Deze korting geldt per vergelijkbare type woning (bijvoorbeeld twee-onder-één kap of projectbouw).

(…)”

2.6.7.De volgende artikelen in de verordening zijn bij raadsbesluit van 23 september 2010 gewijzigd (3e wijziging), voor zover hier van belang:

“2.2.1.Op grond van onderdeel 2.2.3 worden leges geheven, die samenhangen met het in behandeling nemen van aanvragen tot beoordeling van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wabo of die samenhangen met het in behandeling nemen van aanvragen tot beoordeling van een bouwvergunning op grond van de Woningwet.

2.11.6Op de leges voor de aanvraag als bedoeld in 2.2.3.3. wordt een korting verstrekt van 20% indien meerdere woningen in één aanvraag worden aangevraagd. Deze korting geldt per vergelijkbare type woning (bijvoorbeeld twee-onder-één kap of projectbouw).”

Het oordeel van de rechtbank

2.7De rechtbank oordeelt over de door belanghebbende aangevoerde gronden als volgt.

2.7.1.Inzake het niet vermelden van de toepasselijke heffingsgrondslag en verordening:

De rechtbank is van oordeel dat de aanslag op de juiste wijze is opgelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 233 van de Gemeentewet kunnen de leges geheven worden bij wege van aanslag of op andere wijze. Dit artikel is nader uitgewerkt in artikel 6 van de verordening. Geen wettelijke bepaling schrijft voor dat de aanslag de toepasselijke heffingsgrondslag of het achterliggende wetsartikel dient te vermelden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verordening met de daarbij behorende tarieventabel openbaar zijn en dat belanghebbende zich daarvan op de hoogte heeft kunnen stellen. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat onweersproken is gesteld dat belanghebbende over de opbouw van het verschuldigde bedrag per separate brief is ingelicht. Belanghebbendes beroepsgrond faalt.

2.7.2.Inzake de bevoegdheid van de heffingsambtenaar:

De rechtbank is van oordeel dat de aanslag bevoegd is opgelegd. Het aanslagbiljet vermeldt dat de aanslag is opgelegd door de heffingsambtenaar en dat tegen de aanslag bij de heffingsambtenaar bezwaren in kunnen worden gediend. Niet aannemelijk is geworden dat de aanslag door een ander dan de heffingsambtenaar is opgelegd. Het ontbreken van een handtekening onder een belastingaanslag doet aan de rechtsgeldigheid daarvan niet af. Ook deze beroepsgrond faalt.

2.7.3Inzake het begrip “volledige woning” en de normstelling:

Artikel 217 van de Gemeentewet bepaalt dat de legesverordening behalve het belastbare feit en de belastingplichtige ook de heffingsmaatstaf en het tarief dient te vermelden. Deze vereisten vormen een uitwerking van het legaliteitsbeginsel, dat onder meer inhoudt dat de burger zijn belastingverplichtingen moet kunnen opmaken uit de belastingverordening. Bepalingen die de burger onvoldoende duidelijkheid bieden omtrent het belastbare feit of tariefbepaling leiden tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dienen dan ook onverbindend verklaard te worden.

De rechtbank stelt voorop dat niet iedere fout in de regelgeving leidt tot onverbindendheid. Indien het belastbare feit geacht moet worden voldoende helder te zijn omschreven kan heffing niet achterwege blijven (Hoge Raad, 3 maart 1993, nr. 28 857, BB 1993,452). De rechtbank is van oordeel dat uit de verordening en de relevante bepalingen van de bijbehorende tarieventabel, mede gelet op de wijziging daarvan op 23 september 2010, het belastbare feit ondubbelzinnig kan worden opgemaakt.

Daaraan doet niet af dat de verleende diensten niet als zodanig in de tekst van de verordening zelf genoemd zijn. Evenmin doet daaraan af dat het begrip “volledige woning” niet nader omschreven is. De rechtbank ziet niet in dat het ontbreken van deze nadere omschrijving voor belanghebbende, werkzaam in deze sector, tot gerede twijfel ten aanzien van de te heffen leges zou kunnen leiden. Belanghebbende heeft ook overigens op geen enkele wijze aangegeven of en zo ja, in hoeverre de begripsbepaling van het object “volledige woning” voor haar onduidelijk was. De rechtbank concludeert dat de omschrijving “volledige woning” niet tot tot dusdanige twijfel aanleiding kan geven dat sprake is van strijd met artikel 217 van de Gemeentewet of met het rechtszekerheidsbeginsel (Hoge Raad 6 oktober 1954, nr. 11 925, LJN AY2976, BNB 1954/345, Hoge Raad 3 maart 1993, nr. 28 857, LJN ZC 5277, BNB 1993/142 en Hoge Raad 2 maart 1994, nr. 29 562, LJN ZC5607, BNB 1994/114). Ook deze beroepsgronden van belanghebbende falen.

2.7.4.Inzake de verbindendheid van de verordening:

Tussen partijen is niet in geschil is dat de kosten- en batentoerekening binnen de zogenoemde Wabo-kolom plaats moet vinden. De rechtbank acht dat juridisch ook geen onjuist uitgangspunt. De heffingsambtenaar, op wie de bewijslast rust, heeft een “overzicht kostendekkendheid 2010” overgelegd waaruit valt op te maken dat binnen voormelde Wabo-kolom de geraamde baten de geraamde kosten niet overschrijden. De heffingsambtenaar heeft in dit overzicht ook de werkelijke kosten en de werkelijke opbrengsten opgenomen. Ook hier overschrijden de opbrengsten de kosten niet. De heffingsambtenaar heeft ter zitting dit overzicht verduidelijkt en toegelicht. Zo wordt, aldus de heffingsambtenaar, voor de toerekening aan de diverse posten gewerkt met een kostenplaatsensysteem en werkt het personeel met een tijdschrijfsysteem waarbij medewerkers per half uur verantwoorden aan welk project of voor welke afdeling gewerkt wordt. De heffingsambtenaar heeft daarbij ook aangegeven dat de boekhouding van de gemeente jaarlijks door een accountant en door de gemeenteraad gecontroleerd wordt. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de heffingsambtenaar. Omdat belanghebbende voorts niet de juistheid van specifieke posten uit de begroting gemotiveerd heeft betwist gaat de rechtbank uit van de juistheid van het overzicht. De rechtbank concludeert dat niet aannemelijk is geworden dat de geraamde baten de geraamde kosten overschrijden. De grief van belanghebbende wordt verworpen.

2.7.5.Inzake de (on)redelijkheid en willekeur van het tarief:

Behoudens het wettelijk voorschrift uit artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet komt de gemeentelijke regelgever een grote vrijheid toe bij het bepalen van de tariefstelling in de legesverordening. Uit de relevante wettelijke bepalingen noch uit de parlementaire geschiedenis valt af te leiden dat een gemeente verplicht is een degressief tarief of een limiet aan een tarief in te stellen. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan belanghebbende betoogt, geen sprake is van een onredelijke of willekeurige belastingheffing door een tarief aan leges per volledige woning in rekening te brengen (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 23 december 2011, 11/00226, www.rechtspraak.nl, LJN: BV8230). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de bepaling voor een ieder geldt en dat de tarieventabel voorziet in een korting van 20% op het tarief in het geval waarbij de aanvraag meerdere woningen betreft. Aldus wordt op redelijke wijze rekening gehouden met minderwerk dat optreedt bij de beoordeling van bouwplannen voor meer woningen. Belanghebbendes beroep op de uitspraak van Rechtbank Zutphen van 11 november 2007 (LJN: BB5435) kan haar niet baten. In die zaak ging het om één schoolgebouw, zodat de vergelijking met de onderhavige zaak niet opgaat. Deze grief faalt ook.

2.7.6.Inzake de leges voor welstand en gebruik van gronden in strijd met bestemmingsplan:

De 3e wijziging van de verordening betreft alleen de in die wijziging genoemde artikelen met handhaving van de reeds bestaande. De bepalingen over de hiergenoemde leges stonden in de verordening en zijn niet gewijzigd. De verordening is ook niet ingetrokken. De leges voor welstand en gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan zijn derhalve geheven op basis van een rechtsgeldige verordening. Ook deze beroepsgrond faalt.

2.8.Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

2.9Zoals is overwogen in 2.4 ziet de rechtbank aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs bij de behandeling van het beroep heeft moeten maken en vergoeding van de griffierechten. De proceskostenvergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.092,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 437 en met een wegingsfactor 1). Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.

Deze uitspraak is gedaan op 18 september 2012 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. dr. A.W. Schep, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.

De griffier, de voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 1 oktober 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

d. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.