Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY1113

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
24-10-2012
Zaaknummer
11/6218
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De tijdelijke tariefsverlaging voor de overdrachtsbelasting van 6% naar 2% die is ingegaan op 15 juni 2011, hoeft niet terug te werken tot maximaal 6 weken voor 1 juli 2011. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever goede redenen gezien om de tariefsverlaging niet verder terug te laten werken dan tot en met 15 juni 2011. Er is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de Grondwet, de beginselen van behoorlijke wetgeving, het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM en van het gelijkheidsbeginsel waaronder de meerderheidsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2575
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/6218

Uitspraakdatum: 7 september 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 31 oktober 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door hem op aangifte voldane overdrachtsbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012 te Tilburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde, [gemachtigde] verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Amsterdam, en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Op [datum] 2011 verkreeg belanghebbende bij notariële akte de eigendom van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2. De koopsom voor de woning bedroeg volgens de notariële akte € 1.745.063.

De overdrachtsbelasting ten bedrage van € 104.703, zijnde zes procent van de koopsom, is op 19 juli 2011 voldaan.

2.3. Het tarief voor de overdrachtsbelasting was ten tijde van de verkrijging volgens artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV) (wettekst 2011) zes procent.

2.4. Bij Besluit van 1 juli 2011, nr. BLKB 2011/1290M (hierna: het Besluit) heeft de staatssecretaris van Financiën het volgende bekend gemaakt:

“(….)

1. Inleiding

In het persbericht van 1 juli 2011 is aangekondigd dat het tarief overdrachtsbelasting bij de verkrijging van woningen tijdelijk wordt verlaagd tot 1 juli 2012. Deze maatregel zal worden opgenomen in het Belastingplan 2012. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen treedt deze maatregel op 1 januari 2012 in werking en werkt terug tot en met 15 juni 2011.

2. Goedkeuring

Het is niet wenselijk dat belanghebbenden de verkrijging van een woning uitstellen tot 1 januari 2012. Daarom keur ik vooruitlopend op wetswijziging het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat een tarief overdrachtsbelasting van 2 procent wordt toegepast voor de verkrijging op of na 15 juni 2011 van een woning. (…)

(…)

4. Inwerkingtreding en vervaldatum

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug voor de verkrijging op of na 15 juni 2011 van woningen.

Dit besluit vervalt op 1 januari 2012.

(…)”

2.5. In een brief van 1 juli 2011 (Tweede Kamer 31371, nr. 364) heeft de staatssecretaris van Financiën de Tweede Kamer als volgt geïnformeerd:

“Het kabinet verlaagt het tarief van de overdrachtsbelasting van 6% naar 2% voor woningen waarvan de transportakte passeert gedurende de periode 15 juni 2011 tot en met 30 juni 2012. Met deze brief informeer ik u over de dekking van de maatregel.

(…)

Gegeven het doel van de maatregel – het geven van een impuls aan de woningmarkt – ligt het in de rede geen compenserende lastenmaatregel op het woningmarktdossier zelf te nemen. Hierbij dient bedacht te worden dat de verlaging tijdelijk is, zodat de incidentele inzet van dekkingsmaatregelen volstaat. Verder is van belang dat de voordelen van de maatregel zowel bij burgers als bedrijven neerslaan. Daarmee ligt het in de rede de noodzakelijke dekking bij beiden te vinden.

(…)

De opbrengst van deze maatregelen wordt nu eenmalig ingezet ten behoeve van de verlaging van de overdrachtsbelasting. Het gaat om het volgende pakket:

Tabel:

Dekking tijdelijke verlaging overdrachtsbelasting

in miljoenen euro’s

Derving -1200

Dekking

Bankenbelasting 300

Grondslagverbreding Vennootschapsbelasting

(w.o. reparatie Bosal-gat) 340

Fasering vitaliteitsregeling 500

Enveloppe Regeerakkoord 60

Totaal 0

(…)"

2.6. Het wetsvoorstel inzake de tijdelijke tariefs¬verlaging is als onderdeel van het Belastingplan 2012 op 17 november 2011 door de Tweede Kamer en op 20 december 2011 door de Eerste Kamer aangenomen. Het Belastingplan 2012 is als Wet van 22 december 2011 (hierna: de Wet) gepubliceerd in het Staatsblad 2011, nr. 639.

2.7. In artikel XXXVIII, tweede lid, van de Wet is bepaald dat artikel XVI van de Wet (het artikel waarin de tariefswijziging van artikel 14 van de Wet BRV is opgenomen) terugwerkt tot en met 15 juni 2011.

2.8. In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp Belastingplan 2012 (Tweede Kamer 33 003, nr. 3) is op pagina 36 vermeld:

“5.1. Tijdelijke verlaging tarief overdrachtsbelasting

De woningmarkt hapert en het vertrouwen is laag. Het aantal transacties is de laatste twee jaar fors afgenomen. Mensen kunnen hun huis niet kwijt, wat in sommige gevallen tot financiële problemen leidt. Het kabinet stelt daarom voor het tarief van de overdrachtsbelasting voor de verkrijging van woningen te verlagen van 6 naar 2 procent voor de periode van één jaar. Dit past binnen het kabinetsbeleid dat erop is gericht om het vertrouwen in de woningmarkt te ondersteunen, mede door de hypotheekrenteaftrek ongemoeid te laten en daarbij wel de financiële risico’s te beperken. De rem op het aantal transacties doet vooral pijn in slechte tijden. De maatregel wordt nu ingevoerd om een tijdelijk probleem te adresseren: de diepste neergang op de woningmarkt sinds begin jaren tachtig. Met de tariefsverlaging wordt beoogd om het aantrekkelijker te maken om nu een huis te kopen en daarmee een impuls te geven die de woningmarkt op dit moment goed kan gebruiken. De gedachte is dat starters in deze periode tegen gunstigere voorwaarden en lagere financiële risico’s kunnen instappen en doorstromers kunnen profiteren omdat de verkoopbaarheid van de oude woning verbetert. De impuls tot het kopen van een woning wordt daarbij vergroot door het tijdelijke karakter van de maatregel. Een positief effect van de beoogde betere doorstroming is bovendien dat het de arbeidsmobiliteit ondersteunt. Mensen kunnen gemakkelijker dicht bij hun werk gaan wonen. In de huidige fase van herstel na de crisis is dit van bijzonder belang. Ten slotte levert de maatregel een bijdrage in het proces van herstel van de financiële stabiliteit na de kredietcrisis. Er hoeft minder geld geleend te worden voor de hypotheek, wat (ook op lange termijn) in het belang is van consumenten en hypotheekverstrekkers.

Om uitsteleffecten te voorkomen, is reeds eerder bij beleidsbesluit […] goedgekeurd dat, vooruitlopend op de aanvaarding van deze wet, het tarief van de overdrachtsbelasting van 2 procent bij de verkrijging van woningen al met ingang van 15 juni 2011 kan worden toegepast. De maatregel vervalt per 1 juli 2012.”

2.9. In de Nota naar aanleiding van het verslag Belastingplan 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33003, nr. 10) is omtrent de ingangsdatum voor de tariefsverlaging het volgende medegedeeld:

“Om uitstelgedrag te voorkomen heeft het kabinet, vooruitlopend op de aanvaarding van deze wet, ervoor gekozen dat het tarief van de overdrachtsbelasting van 2% bij de verkrijging van woningen al met ingang van 15 juni 2011 kan worden toegepast. De reden waarom voor 15 juni is gekozen houdt verband met uitlatingen van het kabinet over de woningmarkt met de bedoeling het vertrouwen in de woningmarkt te versterken. Het hiermee opgewekte consumentenvertrouwen noopte het kabinet ertoe de maatregel met terugwerkende kracht tot deze dag in te laten gaan. Voor woningen die tussen 15 juni 2011 en 1 juli 2011 zijn verkregen is er derhalve in het kader van de rechtszekerheid voor gekozen de tariefsverlaging in deze situaties te laten gelden.”

2.10. Na afloop van de ministerraad op 17 juni 2011 is door minister-president Rutte een persconferentie gehouden. De persconferentie is letterlijk vastgelegd (Radio- en TV-tekst, 17 juni 2011, gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl). Aan die vastlegging is de volgende passage ontleend:

“VAN BEEK (BNR)

(onverstaanbaar, red.) de woonvisie die nog komt. Is toegezegd aan de Kamer, gaat de overdrachtsbelasting daar deel van uit maken?

RUTTE

We komen met een woonvisie en echt, daar hebben we nog helemaal niet eens over gesproken, dus ik ga echt niets over die woonvisie zeggen.

VAN BEEK

Maar als je nu een startend stelletje bent en …

RUTTE

Dan moet je gewoon een huis kopen, als je een huis wilt kopen.

BERGHUIS (RTL)

Dan heb je niet straks in september van goh, had ik maar een paar maanden gewacht, want nou…

RUTTE

Als jij graag een huis wilt kopen dan moet je dat gewoon doen. Dan kijk ik recht in de camera, dat is ook heel goed nieuws voor heel Nederland. We hebben echt die woningmarkt nodig. En dat een kabinet met een woonvisie komt dat zal voor een heel groot deel natuurlijk ook over de huurmarkt gaan. We hebben daar natuurlijk allerlei voorstellen voor gedaan in het RA die we verder aan het uitwerken zijn.

BERGHUIS

Dus geen cadeautjes voor starters?

RUTTE

Cadeautjes doen we al helemaal nooit.

BERGHUIS

Lagere overdrachtsbelasting.

RUTTE

U kent ons, cadeautjes is niets voor het kabinet.”

2.11. Op vrijdag 1 juli 2011 heeft de minister-president Rutte wederom op een persconferentie na het wekelijks kabinetsberaad vragen beantwoord (Radio- en TV-tekst, 1 juli 2011). Daarbij is onder meer het volgende genotuleerd:

“WESTER (RTL NIEUWS)

Het feit dat de maatregel met terugwerkende kracht twee weken geleden in gaat, heeft dat er ook mee te maken dat u twee weken geleden riep als u een huis wil kopen moet u dat vooral doen.

RUTTE

Ja, zeker, het heeft ook daarmee te maken, en met het feit dat de meeste – en trouwens Verhagen ook een week later haast ik mij er aan toe te voegen – Maxim [e], ja, nee, maar allebei hebben we er uitspraken over gedaan. De tweede reden is dat de meeste juridische overdrachten ook plaatsvinden tegen het eind van een kalendermaand, dus wil je meteen ook effect hebben kan het maar beter iets met terugwerkende kracht.”

2.12. In geschil is het van toepassing zijnde overdrachtsbelastingtarief. Belanghebbende bepleit een tarief van 2%, de inspecteur van 6%.

2.13. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld – kort weergegeven – dat de wetgever en de besluitgever onrechtmatig en onvoldoende gemotiveerd de ingangsdatum voor de tariefsverlaging op 15 juni 2011 hebben gesteld. In belanghebbendes visie is er vóór 1 juli 2011, de dag waarop de tariefsverlaging bekend is gemaakt, geen aanknopingspunt te vinden voor enig opgewekt consumentenvertrouwen. Hierbij doelt belanghebbende met name op de uitlatingen van Rutte tijdens de persconferentie van 17 juni 2011 dat starters gewoon een huis moesten kopen en er geen cadeautjes werden gegeven. Belanghebbende bepleit daarom dat kopers van een woning met een op 1 juli 2011 nog niet onherroepelijk vaststaande verschuldigde overdrachtsbelasting recht hebben op het verlaagde overdrachtsbelastingtarief. De terugwerkende kracht had derhalve zes weken moeten beslaan in plaats van de nu gehanteerde twee weken. Belanghebbende beroept zich in dat verband op de termijn die de Staatssecretaris van Financiën heeft gehanteerd in zijn besluit van 10 juni 2009, nr. CPP2009/1076M, naar aanleiding van de uitspraak van het Gerechtshof

’s-Gravenhage van 1 mei 2009 inzake de monumentenvrijstelling voor natuurlijke personen (onder andere gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN:BI3637). Belanghebbende concludeert voorts dat hij ook op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in aanmerking komt voor het verlaagde overdrachtsbelastingtarief.

2.14. Naar het oordeel van de rechtbank vindt belanghebbendes visie omtrent de ingangsdatum van het verlaagde overdrachtsbelastingtarief geen steun in het recht. De rechtbank overweegt dat voor de Wet BRV de verkrijging en niet het onherroepelijk worden van de voldoening het belastbaar feit vormt. De rechtbank overweegt voorts dat vooropgesteld moet worden dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of, voor de toepassing van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), alsmede artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, indien dit het geval is, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vergelijk: EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, gepubliceerd in BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, VN 2003/52.2).

2.15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever gegronde redenen gegeven waarom hij de tariefsverlaging niet verder heeft laten terugwerken dan tot en met 15 juni 2011. Uit de in 2.5 vermelde brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer blijkt dat budgettaire motieven hebben meegespeeld. Bovendien blijkt uit de in 2.9 weergegeven passage uit de Nota naar aanleiding van het verslag Belastingplan 2012 dat het rechtszekerheidsbeginsel is meegewogen bij de keuze van 15 juni 2011 als ingangsdatum van de tariefsverlaging van de overdrachtsbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de wetgever daarbij buiten de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid is getreden.

2.16. Naar het oordeel van de rechtbank is noch de wetgever noch de besluitgever gehouden te kiezen voor een zodanige ingangsdatum dat verkrijgers van woningen wier transportakte maximaal 6 weken vóór 1 juli 2011 is gepasseerd in aanmerking komen voor de tariefsverlaging. Dat de Staatssecretaris bij het bepalen van de reikwijdte van zijn goedkeuring om de monumentenvrijstelling verruimd toe te passen in het in 2.13 genoemde besluit, belang heeft toegekend aan het al dan niet onherroepelijk vaststaan van de voldoening van overdrachtsbelasting op de datum waarop Hof 's-Gravenhage uitspraak heeft gedaan, maakt dat niet anders. De omstandigheid dat de uitlatingen van Rutte niet specifiek zien op de overdrachtsbelasting en desondanks wel ertoe hebben bijgedragen dat het verlaagde tarief van toepassing is in de periode van 15 juni tot 1 juli 2011 maakt het voorgaande oordeel evenmin anders.

2.17. Voor zover belanghebbende heeft willen stellen dat er sprake is van schending van de Grondwet of de beginselen van behoorlijke wetgeving overweegt de rechtbank het volgende. De Wet BRV is een wet in formele zin. Aangezien de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten in formele zin treedt, kan een verwijzing naar de Grondwet niet baten. Dit geldt eveneens voor een beroep op de beginselen van behoorlijke wetgeving. De Hoge Raad heeft immers in het Harmonisatiewet-arrest (HR 14 april 1989, nr. 13 822, NJ 1989, 469) overwogen dat de strekking van artikel 120 van de Grondwet zich er tegen verzet dat de rechter een formele wet aan fundamentele rechtsbeginselen toetst.

2.18. De stelling van belanghebbende dat het Besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarmee strijd oplevert met artikel 3:46 van de Awb, kan hem evenmin baten. Artikel 3:46 van de Awb verlangt ‘slechts’ van de inspecteur dat hij de voor de beslissing relevante feiten en omstandigheden aandraagt. Naar het oordeel van de rechtbank is de motivering van de uitspraak op bezwaar van dien aard dat het voor belanghebbende duidelijk is op welke gronden het bezwaar is afgewezen.

2.19. Voorts stelt belanghebbende dat het Besluit strijd oplevert met het eigendomsrecht zoals opgenomen in art. 1 Eerste Protocol van het ERVM (hierna Eerste Protocol). Voor zover sprake is van een aantasting van eigendomsrechten als bedoeld in artikel 1 Eerste Protocol, heeft de wetgever in het onderhavige geval de in 2.14 genoemde kaders in acht genomen. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen in 2.15 is overwogen. Uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd kan voorts niet, zoals nodig is voor honorering van een beroep op artikel 1 Eerste Protocol, worden afgeleid dat de overdrachtsbelasting voor of na de wetswijziging voor hem leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden').

2.20. Tot slot stelt belanghebbende dat het Besluit strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel. Ten eerste vanwege (een oogmerk van) begunstigend beleid. Op 2 oktober 2009 heeft de Hoge Raad (nr. 07/13624, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BI1909) als volgt geoordeeld:

“(…) Indien een wettelijk voorschrift met terugwerkende kracht is ingevoerd of gewijzigd na de datum van de bestreden beslissing (besluit of uitspraak) van het bestuursorgaan of de lagere rechter, en het nieuwe voorschrift – mede gelet op de daaraan gegeven terugwerkende kracht – in aanmerking komt voor toepassing op het te berechten geval, brengt de taak van de (hogere) rechter in belastingzaken mee dat hij bij de toetsing van die beslissing uitgaat van het nieuwe voorschrift.”

2.21.1. De rechtbank overweegt dat de tariefsverlaging voor de overdrachtsbelasting sinds 1 januari 2012, met terugwerkende kracht tot 15 juni 2011, in de Wet BRV is opgenomen. Indien de in 2.20 geformuleerde rechtsregel in de onderhavige gevallen wordt toegepast, zou dat betekenen dat het in 2.5 genoemde besluit niet als begunstigend beleid heeft te gelden omdat het geen goedkeuring inhoudt minder belasting te heffen dan voortvloeit uit het relevante – nieuwe – wettelijke voorschrift. Aan het vereiste van ‘begunstiging’ is immers dan niet voldaan, zodat in dit kader geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank zal evenwel in haar beslissing ervan uitgaan dat het eventuele discriminatoire karakter van beleid getoetst moet worden aan de hand van de wettekst zoals die in juni 2011 luidde voordat artikel 14 Wet BRV met terugwerkende kracht werd gewijzigd.

2.21.2. Het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 1 juli 2011 bereikt het volgende. Ten eerste wordt voorkomen dat voor verkrijgingen van woningen tussen (kort na) 1 juli 2011 en 1 januari 2012 niet eerst 6% overdrachtsbelasting moet worden voldaan en vervolgens na 1 januari 2012 op basis van de nieuwe wet, tweederde van dat bedrag weer moet worden teruggevraagd. Ten tweede kunnen degenen die een woning verkrijgen tussen 15 juni 2011 en 1 januari 2012 aan het Besluit het vertrouwen ontlenen dat voor hen het overdrachtsbelastingtarief van 2% geldt ook al zou de wetswijziging niet overeenkomstig het kabinetsvoornemen gerealiseerd zijn.

2.21.3. Bij de toetsing van beleid neemt de rechtbank in ogenschouw dat bestuursorganen een zekere beleidsvrijheid hebben en dat het primair de taak van het parlement is om beleidsregels te toetsen. De rechtbank stelt vast dat het persbericht en het Besluit op dezelfde dag zijn gepubliceerd en dat het Besluit niet treedt in het kabinetsvoornemen maar juist een praktische maatregel betreft gebaseerd op de aanname dat het kabinetsvoornemen ongewijzigd door Tweede en Eerste Kamer wordt aangenomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de Tweede of de Eerste Kamer bezwaren heeft geuit met betrekking tot de onderhavige beleidsregel. Voorts acht de rechtbank het legitiem dat reeds gezien de uitlatingen gedaan als vermeld in 2.10 in samenhang met de beweegreden voor de tariefsverlaging, is gekozen voor inwerkingtreding van de tariefsverlaging op een datum niet later dan op 17 juni 2011. Het maken van onderscheid acht de rechtbank inherent aan wetgeven en beleid maken. Elke wetswijziging of beleidsregel schept een nieuwe ongelijkheid en arbitraire beslissingen zijn daarbij onvermijdelijk. Feiten en omstandigheden waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat vergelijkbare reële motieven reeds golden ten tijde van de verkrijging van de woning door belanghebbende zijn gesteld noch gebleken. Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het door belanghebbende voorgestane oordeel inhoudende dat de rechter de discriminatie opheft door de bevoordelende regeling van het Besluit uit te breiden tot het geval van belanghebbende.

2.22. Ten tweede doet belanghebbende voor wat betreft het gelijkheidsbeginsel een beroep op de meerderheidsregel. In belanghebbendes visie is in de meerderheid van de gepresenteerde verzoeken om teruggaaf van overdrachtsbelasting, vanwege het Besluit, een juiste wetstoepassing, namelijk 6% overdrachtsbelasting, achterwege gebleven. In de periode van 15 juni tot 1 juli zijn alle verzoeken gehonoreerd (groep 1) en in de periode half mei tot en met 14 juni (groep 2) zijn alle verzoeken geweigerd. Volgens belanghebbende betreft de eerste groep de meerderheid en de tweede groep de minderheid, aangezien in de tweede groep veelal geen verzoeken zijn ingediend vanwege het Besluit en de verzoeken enkel in de eerste groep zijn gehonoreerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van het achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen. Indien voor toepassing van de meerderheidsregel uitgegaan zou moeten worden van de berekeningswijze zoals belanghebbende die voorstaat dan slaagt hij niet in zijn bewijs aangezien niet aannemelijk is geworden dat het aantal verkrijgingen in de periode van half mei tot en met 14 juni, een tijdsbestek van vier weken, lager is dan het aantal verkrijgingen in de periode 15 juni tot 1 juli, een tijdsbestek van twee weken. Reeds vanwege deze omstandigheid kan het beroep op de meerderheidsregel niet slagen.

2.23. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.

2.24. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.A. Mandemakers, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 20 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.