Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY0643

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-09-2012
Datum publicatie
19-10-2012
Zaaknummer
12/1427
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is met haar werknemers een brutoloon en een pensioenregeling overeengekomen. De rechtbank oordeelt dat teveel ingehouden pensioenpremie loon is. Naheffing loonheffing daarover is terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2467
Belastingadvies 2012/23.6
FutD 2012-2640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 12/1427

Uitspraakdatum: 7 september 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 23 februari 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 2006 tot met 31 december 2006 van € 26.900, aanslagnummer [nummer].

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] verbonden aan [accountantskantoor], en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Vaststaat dat tussen belanghebbende en haar werknemers een brutoloon is overeengekomen. Ten aanzien van de pensioenregeling is belanghebbende met haar werknemers overeengekomen dat een derde (1/3) deel van de verschuldigde pensioenpremie door de werknemer (werknemersdeel) wordt gedragen en twee derde deel (2/3) door de werkgever (werkgeversdeel).

2.2.Belanghebbende heeft in de onderhavige periode zelf haar salarisadministratie

gevoerd. In deze salarisadministratie heeft belanghebbende toen in plaats van een derde (1/3) deel, twee derde (2/3) deel van de verschuldigde pensioenpremie op het brutoloon van de werknemer ingehouden. Het daarna resulterende netto loon is uitbetaald. In de salarisspecificaties aan de werknemers zijn de inhoudingen en netto betaling ook zo verwerkt. Belanghebbende heeft ultimo 2006 het teveel ingehouden deel van de pensioenpremies na betaling van de verschuldigde premie aan de pensioenverzekeraar op haar balans als schuld gecrediteerd. Vast staat dat de werknemers het juiste loon zouden hebben gehad indien ze er om hadden gevraagd in 2006.

2.3.Bij brief van 27 augustus 2008 heeft de toenmalige adviseur van belanghebbende, [adviseur], de inspecteur op de hoogte gesteld van het in 2.2 vermelde. In die brief heeft belanghebbende aan de inspecteur verzocht om het in 2.2 vermelde in het jaar 2008 te herstellen door de teveel ingehouden pensioenpremie in de laatste drie maanden van 2008 te verrekenen met de dan nog in te houden en af te dragen pensioenpremie over het jaar 2008.

2.4.De inspecteur is niet akkoord gegaan met dit voorstel en heeft ter zake van de pensioenpremie die ten onrechte is ingehouden de loonbelasting bij de onderhavige naheffingsaanslag nageheven.

2.5.In geschil is of aan belanghebbende over het onderhavige tijdvak terecht de naheffingsaanslag is opgelegd.

2.6.Op grond van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB) wordt belasting geheven over het belastbare loon, waarbij het belastbare loon het loon is verminderd met de zeedagenaftrek (tekst 2006). Blijkens artikel 10, eerste lid, is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de Wet LB behoort onder andere niet tot het loon, de bedragen die worden ingehouden als bijdrage ingevolge een pensioenregeling.

Artikel 13a, eerste lid, van de Wet LB bepaalt dat loon wordt beschouwd te zijn genoten op het moment dat het betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt (letter a) dan wel vorderbaar en tevens inbaar wordt (letter b).

2.7.Niet in geschil is dat belanghebbende netto minder aan de werknemer heeft betaald dan zij op grond van de afspraken met die werknemer verplicht was. Tevens staat vast dat indien de werknemer erom gevraagd had, de werkgever het te weinig betaalde had nabetaald.

In dat laatste geval is dat deel van het loon weliswaar niet betaald maar wel vorderbaar en inbaar (Hoge Raad 6 december 1967, nr. 15 802, BNB 1968/25). De rechtbank is van oordeel dat dan ook het niet uitbetaalde deel van het loon in het onderhavige jaar als loon is genoten. Nu de daarover verschuldigde loonbelasting niet is ingehouden en op aangifte is afgedragen is loonbelasting terecht nageheven.

2.8.Belanghebbende stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat het niet uitbetaalde deel van het loon moet worden aangemerkt als negatief loon. De rechtbank verwerpt deze stelling van belanghebbende. Wil er sprake kunnen zijn van negatief loon dan zal er iets door de werknemer aan de werkgever terug betaald moeten zijn. Van enige terugbetaling is hier echter geen sprake.

2.9.Nu de inspecteur onbetwist heeft gesteld dat ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag (30 december 2010) het verschil tussen de ingehouden pensioenpremies en het overeengekomen werknemersdeel van die pensioenpremies nog niet in de inkomstenbelasting betrokken was, belette het wettelijke systeem hem niet om een naheffingsaanslag aan belanghebbende op te leggen. Een naheffingsaanslag in de loonbelasting blijft immers in stand indien nadat deze is opgelegd loonbetalingen waarop hij betrekking heeft in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken (HR 8 juli 1992, BNB 1992/299).

2.10.Nu de financiële toestand van belanghebbende geen relevante omstandigheid is voor de verschuldigdheid van de loonbelasting kan belanghebbendes stelling dat die toestand penibel is haar niet baten.

2.11.Op grond van het in 2.6 tot en met 2.10 overwogene is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

2.12.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 20 september 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.