Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BY0421

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
17-10-2012
Zaaknummer
10/3594
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Carrouselfraude met tweedehands auto’s. Belanghebbende staat bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als handelaar in automobielen, motoren en fietsen. De rechtbank leidt uit de stukken van het geding en de getuigenverklaringen af dat de vader van belanghebbende degene was die de onderneming dreef en dat de betrokkenheid van belanghebbende niet verder ging dan administratieve en telefonische ondersteuning van vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2450
FutD 2012-2644
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 10/3594 tot en met 10/3597

Uitspraakdatum: 6 september 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats X], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de navolgende naheffingsaanslagen omzetbelasting en beschikkingen opgelegd:

- Naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2004, aanslagnummer [nummer].F.01.4506, belasting € 1.525.792;

- Naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 30 september 2004, aanslagnummer [nummer].F.01.4501, belasting € 595.241, en bij beschikking een bedrag aan heffingsrente van 69.432;

- Naheffingsaanslag over het tijdvak 1 oktober 2004 tot en met 31 december 2004, aanslagnumm[nummer].F.01.4502, belasting € 264.094 en bij beschikking een bedrag aan heffingsrente van € 40.256 en een boete van € 264.094.

Daarnaast is bij beschikking van 1 februari 2008 (numm[nummer].O.01.4271) over het tijdvak juli 2004 tot en met september 2004, geen teruggaaf verleend.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen, de beschikking geen teruggaaf, de heffingsrente- en boetebeschikkingen gehandhaafd, behoudens een vermindering van € 716 op de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2004 (aanslagnummer [nummer].F.01.4506).

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brieven van 30 en 31 augustus 2010, ontvangen bij de rechtbank op 1 september 2010, beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen respectievelijk geregistreerd onder procedurenummers 10/3594 tot en met 10/3597. De griffier heeft van belanghebbende ter zake van dat beroep een griffierecht geheven van vier maal € 150.

1.4. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

1.5. Belanghebbende is bij brief van 7 maart 2012 uitgenodigd om bij de behandeling van de onderhavige zaak ter zitting aanwezig te zijn. In deze uitnodiging staan de namen vermeld van de rechters die de zaak behandelen, zijnde mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, mr.drs. M.M. de Werd en mr. W.A.P. van Roij.

1.6. Belanghebbende heeft bij fax en brief van 16 april 2012 mr. W.A.P. van Roij verzocht zich terug te trekken uit de meervoudige kamer die de beroepen van belanghebbende ter zitting behandelt, dan wel zich te verschonen als bedoeld in artikel 8:19 van de Awb aangezien mr. Van Roij deel uit maakte van de meervoudige strafkamer die belanghebbendes strafzaak heeft beoordeeld.

1.7. Bij brief van 17 april 2012 heeft de rechtbank partijen bericht dat mr. W.A.P. van Roij zich heeft teruggetrokken en dat zij wordt vervangen door mr. C.A.F.M. Stassen en voorts dat de behandeling ter zitting op 19 april 2012 doorgang zal vinden.

1.8. Belanghebbende heeft in een telefonisch onderhoud met de griffier op 18 april 2012 verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling. Dit uitstel is geweigerd.

1.9. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2012 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Breda. Namens de inspecteur zijn verschenen, [gemachtigden]. Gelijktijdig zijn behandeld de zaken met procedurenummers 11/768, 11/769, 10/3587 tot en met 10/3597 en 12/2931. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op dezelfde dag als deze uitspraak aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Voor de feiten verwijst de rechtbank naar hetgeen is vermeld in de onderdelen 2.1 tot en met 2.28 van de uitspraak ten name van belanghebbende met procedurenummers 10/3590 tot en met 10/3593 waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht en beschouwt die onderdelen als hier ingelast.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de tenaamstelling van de aanslag juist is en, indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, of belanghebbende recht heeft op aftrek van voorbelasting die door [onderneming de heer L.] is gefactureerd aan [autohandel V]. De heffingsrente is niet meer in geschil.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in de onderdelen 4.1, 4.4 tot en met 4.6 van de uitspraak met procedurenummers 10/3590 tot en met 10/3593 en beschouwt die onderdelen als hier ingelast.

4.2. De naheffingsaanslagen zijn opgelegd aan [belanghebbende] (belanghebbende), [adres belanghebbende] [plaats X].

4.3. Ondernemer voor de omzetbelasting is ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Onder het begrip “ieder” worden niet alleen natuurlijke en rechtspersonen verstaan, maar ook samenwerkingsverbanden (Hoge Raad, 5 januari 1983, BNB 1983/76). Van een samenwerkingsverband in genoemde zin is sprake indien meerdere personen in een duurzame samenwerking als entiteit naar buiten treden (Hoge Raad 7 november 2003, BNB 2004/66). De civielrechtelijke vorm waarin wordt opgetreden, is niet beslissend.

4.4. Uit de getuigenverklaringen blijkt het volgende:

- [de heer L] verklaart dat de vader zijn afnemer is en dat hij niet precies weet wat belanghebbende doet. Hij verklaart ook dat hij wel eens handel heeft gedreven met belanghebbende maar concretiseert dat niet.

- [autohandelaar K] verklaart dat hij tot 2003 facturen op zijn naam maakte voor handelstransacties van de vader en geeft aan dat hij bij [autohandel V] alleen contact had met de vader;

- De vader was degene die de contacten had met de transporteur [transporteur]. [transporteur] verklaart dat hij met belanghebbende nooit te maken heeft gehad;

- [de heer D], die hielp met het schrijven van facturen, verklaart dat hij meestal contact had met de vader die volgens hem beslissingsbevoegd was, dat belanghebbende ging over de betalingen en een deel van de facturen maakte en daarvoor € 1.500 per maand kreeg, en dat belanghebbende meestal weg was;

- Boekhoudster [boekhoudster] verklaart dat zij met belanghebbende de administratie deed maar weet verder niets concreets te zeggen over de feitelijke betrokkenheid van belanghebbende bij de in- en verkopen;

- Afnemer [afnemer H] kent alleen de vader als leverancier;

- Afnemers [afnemer W] en [afnemer B] hadden alleen contact met de vader.

4.5. [de heer L], [autohandelaar K], [transporteur] en belanghebbende zijn in 2009 ten overstaan van de rechter commissaris bij de behandeling van de strafzaak teruggekomen op hun, onder 2.16, 2.17, 2.19 en 2.20 weergegeven, verklaringen. De rechtbank acht die latere verklaringen, die er in het kort op neer komen dat men zaken deed met belanghebbende, gezien de eerdere verklaringen en de verklaringen van derden/afnemers niet geloofwaardig.

4.6. Uit de tapverslagen van de telefoonnummers die op naam stonden van [autohandel V] blijkt dat belanghebbende incidenteel sprak over handelstransacties maar meestal doorverwees naar de vader.

4.7. De rechtbank leidt uit de onder 4.4 en 4.6 weergegeven feiten en omstandigheden af dat de vader degene was die de onderneming dreef, dat belanghebbende daar wel bij was betrokken maar dat de vader degene was die naar buiten optrad als ondernemer en niet belanghebbende en ook niet de vader en belanghebbende samen als entiteit. De rechtbank acht aannemelijk dat de betrokkenheid van belanghebbende niet verder ging dan administratieve en telefonische ondersteuning van de vader en dat dat voor de buitenwereld – voor zover die belanghebbende al kende – duidelijk was.

4.8. Zoals de rechtbank heeft overwogen in onderdeel 4.8 van de uitspraak met procedurenummers 10/3590 tot en met 10/3593 is aannemelijk dat belanghebbende slechts een vaste beloning genoot voor zijn werkzaamheden. Dat maakt hem niet tot (mede)ondernemer voor de omzetbelasting. Nu de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat in dat geval de naheffingsaanslagen ten name van belanghebbende moeten komen te vervallen, zal de rechtbank de naheffingsaanslagen vernietigen. Datzelfde heeft dan te gelden voor de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikking. De beroepen in de zaken met procedurenummers 10/3594, 10/3596 en 10/3597 dienen derhalve gegrond te worden verklaard. De beschikking geen teruggaaf is, gelet op het oordeel dat belanghebbende niet als ondernemer kan worden aangemerkt, terecht gegeven. Het beroep in de zaak met procedurenummer 10/3595 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten en schadevergoeding

5.1. Nu in de zaken met procedurenummers 10/3590 tot en met 10/3593 reeds een proceskostenvergoeding is toegekend en de rechtbank de onderhavige zaken beschouwt als samenhangend met die zaken, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5.2. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding omdat niet aannemelijk is dat belanghebbende – buiten de kosten voor rechtsbijstand – enige schade heeft geleden. De omstandigheid dat zowel aan belanghebbende als aan de vader naheffingsaanslagen zijn opgelegd is geen reden voor toekenning van een schadevergoeding.

6. Beslissing

In de zaken met procedurenummers 10/3594, 10/3596 en 10/3597 (naheffingsaanslagen):

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikking;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 450 (drie maal € 150) aan deze vergoedt.

In de zaak met procedurenummer 10/3595 (beschikking geen teruggaaf):

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 september 2012 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr.drs. M.M. de Werd, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr.drs. M.H. van Schaik, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 17 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.