Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX8767

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
02-984839-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

7 jaar gevangenisstraf opgelegd voor het voorhanden hebben van 130 kilogram cocaïne, een gewoonte maken van witwassen (deels in vereniging) en het bezit van een vuurwapen met bijbehorende munitie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02-984839-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 september 2012

in de strafzaak tegen

[ver[naam verdachte]

geboren op [datum en plaats]

gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsman mr. Lenaerts, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 september 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Lemstra, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is tijdens de zitting van 20 maart 2012 gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.

De tenlastelegging is tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 14 september 2012 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander cocaïne in zijn bezit heeft gehad en/of heeft bewerkt/verwerkt/verkocht/afgeleverd/verstrekt/vervoerd,

Feit 2: Primair: samen met een ander een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geldbedragen,

Subsidiair: samen met een ander meermalen geldbedragen heeft witgewassen

Feit 3: samen met een ander een vuurwapen en munitie in zijn bezit heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

De onder feit 1 ten laste gelegde cocaïne bevond zich in een afgesloten container achter een hek. Zowel het hek als de container konden geopend worden met sleutels uit de woning van de verdachten. De cocaïne zat verpakt in tassen waarop DNA-materiaal van beide verdachten zat en in een doos van een DVD-recorder van verdachten. Verdachten hebben daar geen verklaring voor gegeven. Naar de mening van de officier van justitie is dit voldoende om tot een bewezenverklaring voor het voorhanden hebben van 130 kilogram cocaïne te komen.

De officier van justitie vindt echter dat er ook bewijs is voor de handel in de aangetroffen cocaïne, omdat ook een vacuümmachine met daarop sporen van cocaïne, sealzakken en gele vuilniszakken zijn gevonden in een loods van verdachte. Verdachte is bovendien één dag voor de zoeking met een gele vuilniszak te zien op zijn eigen camerabeelden terwijl een dag later in de kofferbak van de Range Rover van verdachte en in de loods gele vuilniszakken met daaraan de geur van cocaïne zijn aangetroffen. Ook zijn kleine hoeveelheden drugs op verschillende plaatsen in de woning van de verdachten aangetroffen en zaten er ook in de achterbak van de Audi van verdachte [mededader 1] sporen van cocaïne. Er zijn bill of ladings van koffiebonen aangetroffen, er liep een waakhond rond waarvan de verdachten ontkenden dat het hun hond was en verdachte verklaarde zeer belastend over al deze dingen in een OVC-gesprek. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen cocaïne, de verpakkingsmaterialen met daarop nog sporen van koffie en cocaïne en het aangetroffen geld is er volgens de officier van justitie ook sprake van handel in cocaïne.

Voor wat betreft feit 2, het witwassen, stelt de officier van justitie dat er veel geld was verstopt in de koven van de rolluiken in de woonkamer en dat op één van de pakketten met geld een pinkafdruk van verdachte is aangetroffen. Ook hebben verdachten volgens de officier van justitie enorme contante uitgaven gedaan, de woning verbouwd en een tuin met zwembad aan laten leggen, terwijl zij geen verklaring hebben afgelegd over de herkomst van al het geld dat daarmee gemoeid was. Deze hoeveelheden geld kunnen volgens de officier van justitie niet verklaard worden uit legale inkomstenbronnen, zoals deze blijken uit de gegevens van de belastingdienst.

Uit onderzoek naar de gestelde dienstverbanden van beide verdachten bij O.V.M.M. B.V. respectievelijk [naam bv.] B.V. is volgens de officier van justitie gebleken dat er sprake was van een zogeheten loanback constructie, waarbij de verdachten hun eigen salaris uit crimineel geld betaalden om zo criminele gelden wit te wassen. Gelet op de enorme bedragen, de schijnconstructie dat er sprake zou zijn van een legaal inkomen en de aangetroffen hoeveelheid cocaïne, andere verdovende middelen en verpakkingsmaterialen is de officier van justitie van mening dat er sprake is van gewoontewitwassen door beide verdachten.

Met betrekking tot feit 3 baseert de officier van justitie zich erop dat beide verdachten al bij de zoeking op 12 oktober 2011 verklaarden dat er een vuurwapen in de woning aanwezig was, dat dit vuurwapen ook daadwerkelijk is aangetroffen en dat het niet verstopt, maar gewoon in een bureaula lag.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1 kan komen, omdat het DNA-onderzoek hoogstens zegt dat verdachte de tassen waarin cocaïne zat ooit aangeraakt heeft. Het is niet zeker dat verdachte in de container waar de cocaïne is gevonden is geweest. Er is geen direct verband tussen de overige aangetroffen sporen en de aangetroffen 130 kilogram cocaïne. Verdachte verklaart in het OVC gesprek over de aangetroffen zaken dat hij daarmee niets van doen heeft. Zo verklaart hij juist dat de cocaïne niet van hem is en uit het OVC-gesprek blijkt niet van daderwetenschap, omdat hem aan het einde van de zoeking op 12 oktober 2011 medegedeeld is wat er allemaal was aangetroffen en meegenomen. Ook heeft de verdediging gesteld dat er mogelijk meerdere sleutels van het hek en de container in omloop waren en dat ook andere mensen zich vrijelijk door de loodsen konden bewegen, waardoor er volgens de verdediging onvoldoende bewijs is dat de aangetroffen 130 kilogram cocaïne van verdachte was, laat staan dat bewezen kan worden dat verdachte hierin gehandeld heeft.

De verdediging heeft ook tot vrijspraak voor feit 2 geconcludeerd en er daartoe op gewezen dat er geen bewijs is dat verdachte betrokken is bij de handel in verdovende middelen. Voor wat betreft het vermeende fictieve dienstverband geldt volgens de verdediging dat niet is aangetoond dat verdachte zelf betalingen heeft gedaan om daarmee salarisbetalingen te realiseren of dat dit op zijn aangeven is gebeurd, waardoor ook dit deel van de tenlastelegging naar de mening van de verdediging niet bewezen kan worden. Dat de betaalde verbouwing van de woning en de aanleg van de tuin en het zwembad contant door verdachte zouden zijn betaald, wordt alleen verklaard door de aannemers en niet ondersteund door overige bewijsmiddelen. Verdachte heeft op legale wijze inkomsten vergaard met de handel in horloges, auto’s en goud, maar heeft dit niet aan de fiscus verantwoord. Van zijn vader kreeg hij dure auto’s.

De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

feit 1

Naar aanleiding van een onderzoek tegen de vader van verdachte vond op 12 oktober 2011 in de woning van verdachte en zijn medeverdachte aan de [adres] een zoeking plaats.

Hierbij werd niet alleen de woning van verdachte doorzocht, maar ook de naastgelegen loodsen en een afgesloten container gelegen op hetzelfde perceel.

In de container naast de woning werden 5 sporttassen van het merk Eastpack en één kartonnen doos van een Samsung recorder gevonden. Deze tassen en doos bleken na een eerste onderzoek en een voorlopige test pakketten cocaïne te bevatten.

Na inbeslagname werden zowel de tassen en de doos als monsters van de pakketten poeder, vermoedelijk cocaïne, onderzocht door het NFI.

Alle pakketten poeder uit de tassen en de doos bleken cocaïne te bevatten in totaal betreft het 130 kilogram.

Verdachte en zijn medeverdachte huurden deze woning en een deel van de loods naast de container. Dit werd bevestigd door de eigenaresse mevrouw [naam eigenaresse] en haar partner, de heer [partner van de eigenaresse] . Van het deel van de loods dat zij huurden, aangemerkt als [adres], is ook een huurcontract aangetroffen.

In de woning werd een sleutel aangetroffen waarmee het hek geopend kon worden dat toegang gaf tot de container waar de pakketten werden aangetroffen en de sleutel van de container zelf. De getuigen [naam eigenaresse] en [partner van de eigenaresse] verklaarden dat verdachte toegang tot de container had, omdat de sleutels in de woning van verdachte waren achtergebleven. Verdachte zelf verklaarde tijdens de zitting dat de hond die in een kennel naast het hek dat bij de container stond, van hem was . Getuige [naam eigenaresse] verklaarde daarover dat de hond van verdachte eerst rond de container liep. Zowel zij als haar partner hebben verdachte toen gezegd dat hij een kennel voor de hond moest bouwen. Dit heeft verdachte daarna volgens deze getuige ook gedaan. Ook heeft verdachte op verzoek van getuige [partner van de eigenaresse] bouwmaterialen geplaatst achter het hek dat toegang geeft tot de container waarin de cocaïne lag.

Op grond hiervan staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat er 130 kilogram cocaïne in een container bij [adres] is aangetroffen en dat verdachte toegang tot deze container had en ook daadwerkelijk ter plaatse is geweest.

De handvaten van alle vijf de Eastpack-sporttassen waarin cocaïne zat werden verwijderd voor nader onderzoek. Op alle tassen is celmateriaal dat matcht met het DNA-profiel van verdachte aangetroffen. In sommige gevallen is sprake van aangetroffen celmateriaal dat afkomstig kan zijn van verdachte en minimaal één andere persoon, waarbij de medeverdachte niet kan worden uitgesloten en in één geval is een DNA-mengprofiel aangetroffen waarvan de DNA-kenmerken een match vertonen met de DNA-profielen van beide verdachten.

Tijdens de zitting van 5 juni 2012 zijn verdachte foto’s van de betreffende sporttassen voorgehouden. Verdachte verklaarde daarop dat hij deze tassen weleens gezien had in de loodsruimte waar ook de Harley Davidson stond. Ook verklaarde hij dat hij deze tassen weleens in zijn handen gehad had.

Op de Samsungdoos waarin 35 pakketten cocaïne van elk 1000 gram zijn aangetroffen stonden codes en serienummers. Getuige [naam eigenaresse] verklaarde dat verdachte beveiligingscamera’s had laten plaatsen en de politie heeft deze opnameapparatuur in beslag genomen in de woning van verdachte. Op de betreffende Samsung recorder stonden dezelfde codes en serienummers als op de in de container aangetroffen doos met daarin de cocaïne.

De rechtbank leidt hieruit af dat deze doos en recorder bij elkaar hoorden en dat deze eigendom van verdachte waren. Ook blijkt uit bovenstaande bewijsmiddelen dat verdachte de tassen waarin een groot deel van de cocaïne zat, heeft vastgehouden.

De medeverdachte verklaarde dat zij en verdachte in een Audi A6 Station reden en de kosten daarvoor samen deelden. Deze Audi A6 is op 12 oktober 2011 in beslaggenomen en in de woning van verdachten zijn ook een aankoopfactuur en een kentekenbewijs van deze auto aangetroffen. Voor de rechtbank staat hiermee vast dat verdachten gebruik maakten van deze auto.

Uit de kofferbak van deze Audi A6 is een zuigmonster genomen. In dit zuigmonster zijn sporen van cocaïne aangetroffen.

Ook is een handgeschreven briefje met daarop onder andere ‘kwarts poeder cocaïne’ geschreven in de keuken van de woning van verdachten aangetroffen , is in de loods die verdachten huurden onder 45B een vacuumsealmachine met sealzakken en wit poeder erop aangetroffen. Dit poeder testte indicatief voor cocaïne. In de loods stond ook een tafel met daarop een dekzeil met restanten van wit poeder. Ook dit gaf bij de indicatieve monstertest een indicatie op de mogelijke aanwezigheid van cocaïne. Uit nader onderzoek bleek dat het poeder op de vacuümmachine inderdaad cocaïne betreft.

Getuige [Getuige I] verklaarde dat het deel van de loods waarin dit alles werd gevonden door verdachte gebruikt werd en getuige [partner van de eigenaresse] verklaarde dat de vacuümmachine hem niets zegt en niet van hem of [naam eigenaresse] was. De aangetroffen sealzakken bij de vacuümmachine kwamen visueel overeen met de afmeting en vorm van de gesealde aluminiumverpakkingen waarin de pakketten cocaïne in de container in verpakt waren.

De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zich in ieder geval bezig hield met cocaïne.

De cocaïne uit de aangetroffen pakketten was steeds omwikkeld met één of meerdere lagen transparant plastic folie en daaromheen was transparante of bruinkleurige plastic tape gewikkeld. Meerdere blokken waren ook omwikkeld met dunne lagen rubber of latex in diverse kleuren. In enkele pakketten zagen de verbalisanten tussen de lagen rubber en folie een fijnkorrelig bruinkleurig poeder. Dit poeder rook naar koffie. In de inpandige garage bij de woning van verdachte zijn zogeheten bill of ladings aangetroffen. Deze bill of ladings zien op het importeren van koffie uit Colombia, Brazilië en Peru. Het is de verbalisanten die het onderzoek naar verdachte uitvoeren bekend dat cocaïne vanuit Zuid-Amerika vaak verstopt wordt in ladingen koffie.

Op 13 oktober 2011 vond van 11:14 uur tot 11:55 uur een opgenomen vertrouwelijk gesprek (hierna: OVC) plaats tussen verdachte en zijn broer [voornaam broer]. Verdachte zei in dit gesprek dat hem 4 miljoen euro af is gepakt en dan nog een half miljoen binnen. Ook zegt hij het volgende. “Van die cocaïne liggen die lijsten van Brazilië, Columbia en Peru. Al die lijsten had ik binnen liggen. Het vacuümapparaat hebben ze gevonden met die sealzakken. Ze kunnen zeggen wat ze willen, dat ik die loods gehuurd heb en die vacuümautomaat en die sealzakken.”… “Ik heb hier allemaal drugs, straks halen ze het nog weg, dacht ik.”

“Kijk, waar ze die cocaïne gevonden hebben, dat is niet van mij, is mijn terrein niet. Ja, als mijn afdrukken erop staan ehh zal ik zeggen ja ik heb het misschien wel in die tas gezet zonder het te weten. Ik beroep mijn eigen op mijn zwijgrecht, [voornaam broer], ja, laat ze maar komen.”

Toen zijn broer hem vroeg of het slot was ingedouwd, antwoordde verdachte in dit gesprek: “Ik had gewoon een sleutel, de sleutel lag bij mij binnen in de la. Maar ja er lagen zoveel sleutels bij mij binnen [voornaam broer] dus uh, ik weet het niet. Ik ben daar zo ingekomen in dat huis en er lagen honderdduizenden sleutelbossen dus uh…ik moest nog opruimen.”

Verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zich dit gesprek niet kan herinneren, maar gelet op de gedetailleerde en specifieke informatie die de gesprekspartner van de broer van verdachte in dit gesprek ten toon spreidt, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niemand anders dan verdachte geweest zijn. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat verdachte niet door de politie in kennis was gesteld van wat er tijdens de zoeking allemaal was aangetroffen. Pas op 13 oktober 2011 om 13:13 uur, dus nadat het OVC gesprek plaatsvond, is de lijst met in beslaggenomen goederen door de politie naar de rechter-commissaris gefaxt.

In dit gesprek werd heel duidelijk door verdachte aan zijn broer verteld wat er allemaal in beslag was genomen. Verdachte vertelde onder andere over de bill of ladings, het vacuümapparaat, de sleutels en de cocaïne.

Verdachte vertelde zijn broer weliswaar dat de cocaïne niet op zijn terrein was aangetroffen, maar wel dat hij de sleutel ervan had, nog achtergelaten door de vorige bewoners, die daar zelf ook over verklaard hebben. Hij bereidde zich in dit gesprek voor over zijn in te nemen proceshouding voor het geval zijn afdrukken erop staan.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en verband bezien is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 12 oktober 2011, 130 kilogram cocaïne voorhanden heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen niet zonder meer bewezen kan worden dat verdachte ook handelde in cocaïne en zal verdachte daarom vrijspreken voor dit deel van de tenlastelegging.

De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de medeverdachte toegang had tot de container waarin de cocaïne is aangetroffen en ook niet dat zij er van op de hoogte was dat die cocaïne daar lag. Van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte is daarom niet gebleken. De rechtbank zal verdachte daarom eveneens vrijspreken van het plegen van het medeplegen van dit feit.

feit 2

fictieve inkomens

Tijdens de genoemde zoeking werden ook diverse financiële en administratieve bescheiden gevonden, waaronder een arbeidsovereenkomst van verdachte bij de organisatie voor Marketing&Management (hierna: O.V.M.M.) en diverse loonstroken van verdachte. Deze arbeidsovereenkomst is door verdachte op 5 november 2010 getekend en houdt in dat verdachte vanaf 8 november 2010 in dienst is bij O.V.M.M. als Rayon-manager verkoop Reclame tegen een bruto salaris van € 4.999,93 per vier weken. Uit zijn bankafschriften blijkt dat hij van 8 december 2010 tot en met 1 september 2011elke vier weken steeds € 3.099.59 overgemaakt kreeg en in juni 2011 € 4.698,14 ten titel van loon inclusief vakantiegeld. In totaal heeft verdachte ten titel van loon derhalve € 32.576,03 ontvangen.

Ten tijde van de indiensttreding van verdachte was de heer [naam directeur) volgens de Kamer van Koophandel directeur en als enige zelfstandig bevoegd van O.V.M.M. Hij verklaarde dat hij het bedrijf alleen voor een vriend genaamd [naam vriend] op zijn naam had gezet. Deze vriend vertelde hem begin 2011 dat hij niets met O.V.M.M. wilde doen en er weer vanaf wilde. Daarom is het bedrijf in april 2011 overgegaan naar een de heer [naam] Verdachte verklaarde ook dat hij in de veronderstelling was dat er nooit iets met het bedrijf gebeurd is , dat hij nooit een arbeidsovereenkomst heeft opgesteld en dat de naam [naam verdachte] hem niets zegt.

Van april 2011 tot en met november 2011 was Stichting dit is Zorg, met als enig bestuurder de heer [naam], blijkens gegevens van de Kamer van Koophandel directeur van [naam BV]. Hij verklaarde dat hij [naam] nooit had gezien, maar dat hij wel de BV van hem heeft overgenomen. Hij maakte daartoe een overname overeenkomst waarin stond dat het ontslag voor een nog aanwezig personeelslid voor zijn rekening en risico zou komen. De naam van dat personeelslid stond niet in die overeenkomst. Pas in september heeft hij, naar aanleiding van dreigende e-mails daartoe, eenmalig geld overgemaakt naar het rekeningnummer van [naam verdachte]. Hij heeft dit via de bankrekening van zijn ex-vrouw gedaan en verklaarde nooit de beschikking over een bankrekening op naam van O.V.M.M. gehad te hebben. In de maanden april tot en met juli 2011 heeft hij nooit salaris uitbetaald. Desgevraagd bevestigde deze getuige dat in de periode dat hij middellijk directeur van O.V.M.M. was dit bedrijf geen activiteiten heeft ontplooid.

O.V.M.M. is officieel gevestigd in de [adres] Uit onderzoek is gebleken dat dit een bovenwoning boven een slagerijpand betreft. De standplaats van waaruit verdachte zijn werkzaamheden zou verrichten, betreft [adres] Almere. Uit nader onderzoek blijkt [adres] van [naam bedrijf] te zijn en [adres] van een notariskantoor. [naam bedrijf] heeft volgens de heer [eigenaar van dit bedrijf], directeur van [naam bedrijf], in 2010 een contract voor de huur van een virtueel kantoor gesloten met O.V.M.M. Dit is via de e-mail gegaan. Er is nooit iemand van O.V.M.M. ter plaatse geweest, telefonisch en via de email is tevergeefs veelvuldig contact met O.V.M.M. gezocht en er is nooit een geldbedrag ontvangen van O.V.M.M., waardoor [naam eigenaar pand in Al[naam bedrijf] het contract al in april 2010 eenzijdig beëindigd heeft. De enige post die ooit voor O.V.M.M. ontvangen is, is post van de belastingdienst geweest.

Beide personen die als enige bevoegde bestuurders waren in de periode van het dienstverband van verdachte verklaren niemand in dienst te hebben genomen. Er zou slechts eenmaal loon overgemaakt zijn en dan nog naar aanleiding van dreigende e-mails in plaats van naar aanleiding van verrichte werkzaamheden. Ook verklaarden beiden dat zij niet op de hoogte waren van enige activiteiten van O.V.M.M. Nu uit onderzoek ook gebleken is dat de standplaats waar verdachte zou moeten werken nooit door O.V.M.M. in gebruik is genomen en dat de vestigingsplaats geen kantoorpand betreft, staat naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat verdachte nooit daadwerkelijk voor O.V.M.M. heeft gewerkt.

Ook van de medeverdachte zijn tijdens de zoeking van 12 oktober 2011 bankafschriften, loonstroken en een arbeidsovereenkomst aangetroffen. Zij tekende op 1 januari 2011 een arbeidsovereenkomst bij [naam bv.] B.V. (hierna [naam holding]), waarmee zij per 1 januari 2011 in dienst van [naam holding] zou treden als account manager en per maand netto € 2.500,= zou verdienen. Uit haar bankafschriften bleek dat zij in de periode januari 2011 tot en met september 2011 maandelijks € 2.500,= betaald kreeg en in mei 2011 € 3.479,76 als loon inclusief vakantiegeld. Dit blijkt ook uit haar loonstroken, waarin steeds staat dat zij volledig gewerkt heeft en geen ziekte- of vrije dagen heeft opgenomen en dat is opmerkelijk. De medeverdachte verklaarde namelijk bij de politie dat zij na haar auto-ongeluk in februari 2011 eerst anderhalve maand in het ziekenhuis heeft gelegen en dus niet heeft kunnen werken. Bovendien verklaarde zij op 25 oktober 2011 op dat moment geen inkomen had en niet werkte vanwege het betreffende auto-ongeluk.

Uit onderzoek bij de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam holding] op 9 september 2011 is uitgeschreven uit het handelsregister en dat de inschrijving op 9 december 2010 is doorgehaald wegens opheffing van de vestiging. Uit gegevens van de Belastingdienst/FIOD komt naar voren dat met ingang van 9 december 2010 de loonbelastingactiviteiten van [naam holding] zijn vervallen, wat inhoudt dat [naam holding] vanaf die datum geen inhoudingsplichtige meer is voor de loonbelasting en geen personeel meer in loondienst heeft.

Nu de medeverdachte verklaard heeft dat zij in ieder geval sinds haar ongeval in februari 2011 een periode niet meer gewerkt heeft en het bedrijf waarvoor zij zou werken sinds

9 december 2010 geen personeel meer in dienst heeft gehad, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de medeverdachte nooit daadwerkelijk [naam holding]aam bv.] B.V. heeft gewerkt.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het hier bij beide verdachten om een fictief dienstverband met dito loon gaat in een zogeheten loan-back constructie. Dit houdt in dat verdachten middels fictieve loonbetalingen geldbedragen van misdrijf afkomstig hebben omgezet naar wit geld om zo over legale inkomsten te kunnen beschikken.

Uit het verhoor van de heer [naam vorige eigenaar van de Holding] (die in de zomer van 2010 [naam holding] heeft verkocht) volgt dat hij verdachte het telefoonnummer van de nieuwe eigenaar heeft gegeven omdat verdachtes vriendin [voornaam vriendin] een baan zocht.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af, nu verdachte en zijn vriendin van elkaar moeten hebben geweten dat zij niet daadwerkelijk voor de bedrijven in de genoemde functies werkten, dat zij op de hoogte waren van elkaars loonconstructie. Het witwassen in vereniging acht de rechtbank dan ook bewezen.

aanleg tuin en zwembad

De getuigen [naam eigenaresse] en [partner van de eigenaresse] verklaarden dat verdachten in de zomer van 2011 een tuin aan hebben laten leggen en een zwembad hebben laten plaatsen in de tuin aan de [adres].

De heer [naam hoveniersbedrijf] uit Sint Willibrord verklaarde dat hij in de eerste week van mei 2011 door een man en een vrouw werd benaderd met de vraag of zijn bedrijf de tuin behorend bij het perceel [adres] wilde aanleggen. Het viel hem op dat de man, die [naam verdachte] heette, moeilijk liep en dat de vrouw iets aan haar arm had. Zij vertelden hem dat zij een ongeluk gehad hadden.

Het bedrijf heeft in opdracht van [naam verdachte] de tuin, de verlichting en de beregening aangelegd. De rekening is contant door [naam verdachte] betaald. De heer [naam hovenier] overhandigde de facturen van [naam hovenier] Hoveniers gericht aan de familie [naam verdachte] aan de politie. Het betreft drie facturen van respectievelijk € 25.000,=, € 19.999,= en € 11.000,=. Alles bij elkaar hebben verdachten dus ruim € 55.000,= contant aan [naam hovenier] Hoveniers betaald voor de aanleg van ze tuin.

De heer [naam verkoper zwembad] van Waterstijl Strijen B.V. verklaarde dat verdachte hem benaderde over de aanleg van een zwembad in zijn tuin in Rucphen. Hij ging vervolgens naar de [adres] en trof daar [voornaam verdachte] en een vrouw. Het was een tenger klein blond vrouwtje met blond haar. Bieden liepen volgens de getuige erg moeilijk. De getuige begreep dat zij een ongeluk hadden gehad. De getuige maakte een globale offerte voor het aanleggen van een zwembad en verdachte ging daarmee akkoord. Op 4 april 2011 is de getuige de eerste aanbetaling in Rucphen op gaan halen. Het totale factuurbedrag werd in vijf keer contant betaald. De bedragen staan vermeld op de eindfactuur op naam van [voornaam verdachte] [fictieve acht[voornaam verdachte]am]. Hiermee wordt echter [voornaam verdachte] [naam verdachte] bedoeld volgens de getuige. Het zwembad is in juni 2011 geplaatst. De getuige heeft de facturen overhandigd. Het betreft een vijftal facturen van respectievelijk € 9.520,=, € 9.520,=, € 4.760,=, € 10.100,= en € 12.800,28.

Uit gegevens van de belastingdienst is gebleken dat verdachte in 2009 € 2.000,= aan winst uit zijn VOF [naam VOF] (die hij samen met zijn toenmalige echtgenote had) heeft opgegeven en dat het totale saldo op zijn bankrekeningen in 2009 € 8.729,= was.

In 2010 zou verdachte volgens de gegevens van de belastingdienst € 3.428,= bruto aan looninkomsten van O.V.M.M. gehad hebben en het totale saldo op zijn bankrekeningen in dat jaar zou € 10.716,= geweest zijn. In 2011 zou verdachte volgens de belastingdienst

€ 3.428,= bruto aan loon van O.V.M.M. genoten hebben. Van overige legale inkomensbronnen en vermogensbestanddelen, anders dan de woning van verdachte en zijn voormalige echtgenote, in deze drie jaren is de belastingdienst niet gebleken.

Uit de gegevens van de belastingdienst is tevens gebleken dat de medeverdachte aan inkomsten in 2009 en 2010 slechts een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand heeft genoten. Het totale saldo op haar bankrekeningen bedroeg € 3.745,= op 31 december 2009 en € 226,= op 31 december 2010. In 2011 zijn tot 31 oktober 2011 in het geheel geen inkomsten van de medeverdachte bekend bij de belastingdienst.

Aangezien verdachten niet beschikten over legaal inkomen of vermogen van enige betekenis en zij contant betaald hebben voor de aanleg van de tuin en het zwembad, is de rechtbank van oordeel dat zij dit gefinancierd hebben met crimineel geld en dus al doende geldbedragen van misdrijf afkomstig hebben omgezet in een aangelegde tuin en een zwembad. De rechtbank verklaart ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen. Beiden woonden in de zomer van 2011 in de woning aan de [adres] en hadden dus baat bij de aanleg van de tuin en het zwembad. Uit de verklaringen van [naam verkoper zwembad] en [naam hovenier] blijkt dat beide keren bij het eerste contact een vrouw is geweest, die betrokken was bij hetzelfde ongeluk als verdachte. De rechtbank is van oordeel dat het daarom niet geloofwaardig is dat het hier om een andere vrouw dan verdachte [mededader 1] gaat, zoals verdachte tijdens de zitting heeft gesteld.

De rechtbank acht het eveneens niet geloofwaardig dat verdachte deze zaken heeft bekostigd van spaargeld dat hij verdiend had met de handel in goud, horloges en auto’s aangezien verdachte dit eerst tijdens de zitting gesteld en niet nader onderbouwd heeft.

contant geld

In de woonkamer van de woning van de verdachten te Rucphen zijn, eveneens tijdens de zoeking van 12 oktober 2011, in een kast waarin het oprolmechanisme van de voor de ramen aangebrachte rolluiken was gesitueerd drie in grijs ducktape verpakte pakketjes aangetroffen. Deze pakketjes waren vastgelijmd op de bodem van de kast. Na opening bleken deze pakketten bankbiljetten te bevatten. Elk pakket bleek exact een bedrag van

€ 100.000,= te bevatten. De verpakkingen zijn meegenomen voor nader onderzoek. Op één van deze pakketten is een pinkafdruk van verdachte aangetroffen.

In het OVC gesprek van 13 oktober 2011 vraagt de broer van verdachte waar hij dat had weggedaan. Verdachte antwoordde: “die ik in de rolluiken had gezet. Daar zaten die panelen ook nog voor.” Toen zijn broer hem vroeg of die wel vacuüm zaten, antwoordde verdachte: “Die zaten vacuüm, die zaten in die kap geplakt met ducktape, die zaten gewoon tegen en plaat aangeplakt, aan de binnenkant van een afdekplaat.”

Omdat dit geld in de woning van verdachte is aangetroffen, uit de pinkafdruk blijkt dat verdachte in ieder geval één van de drie pakketten heeft aangeraakt en uit het OVC-gesprek blijkt dat verdachte van de aanwezigheid van dit geld in de woning op de hoogte was, is de rechtbank van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend bewezen is dat dit geld van verdachte was.

Verdachte heeft niets verklaard over de herkomst van het geld en waarom dat geld daar verstopt was. Doordat verdachte een dergelijke hoeveelheid geld heeft verborgen en daar nadien erover gezwegen heeft, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte wist dat dit geld van een misdrijf afkomstig was. De rechtbank is van oordeel dat dit niet geldt voor de vriendin van verdachte, omdat verdachte in het OVC gesprek niet noemt dat dit geld ook van haar was of dat zij van de aanwezigheid daarvan op de hoogte was, het geld goed verstopt was en er van haar geen sporen op de geldpakketten zijn aangetroffen.

Het enkele feit dat ook zij medehuurster en bewoonster van de woning was, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat ook zij wist dat dit geld zich in de woning bevond en van een misdrijf afkomstig was. De rechtbank zal verdachte voor wat betreft het gewoontewitwassen van de € 300.000,= dan ook vrijspreken van het plegen in vereniging.

Tijdens de zoeking werd in de woning van verdachte en zijn medeverdachte tevens

€ 92.420,= aan contant geld gevonden. Dit geld bevond zich deels in de woonkamer, de slaapkamer en in een pot in het dressoir in de keuken. Het blijkt te gaan om € 1.535,= aan bankbiljetten , € 435,= aan bankbiljetten en bankbiljetten uit de ouderslaapkamer, onder andere in een Footlockertas en een Marskramertas, opgeborgen in enveloppen en in totaal

€ 90.450,=.

Dit geld lag dus openlijk op meerdere plaatsen in de woning waar de vriendin van verdachte niet alleen woonde, maar ook schoonmaakte . De rechtbank is van oordeel dat beide verdachten daarom wisten dat dit geld er lag en erover konden beschikken. Gelet op hun gebrek aan legale inkomsten, wisten verdachten eveneens dat dit geld van misdrijf afkomstig was.

Ten aanzien van de inkomsten uit de handel in sieraden, goud, horloges en auto’s stelt de rechtbank vast dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte contant grote bedragen in dat kader ontving. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Door verdachte is eerst tijdens de zitting gesteld dat hij hieruit inkomsten had, maar iedere onderbouwing ontbreekt.

gewoontewitwassen

Gelet op het ontbreken van enige legale inkomsten, de hoeveelheden geld die bij de verdachten omgingen en hun bijbehorende goederen en levensstijl is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachten van 8 november 2010 tot aan hun aanhoudingen op 25 oktober 2011 een gewoonte hebben gemaakt van het witwassen van crimineel geld.

feit 3

Tijdens de zoeking in de [adres] werd verdachte gevraagd naar een vuurwapen. Verdachte vertelde de verbalisanten dat er een vuurwapen boven in de bureaulade in een kinderkamer lag. De verbalisanten troffen daar ook daadwerkelijk een vuurwapen aan. Dit wapen is in beslag genomen en onderzocht. Het bleek een Smith & Wesson .45 te zijn geladen met 8 patronen. Ook de munitie is onderzocht en dit bleken 8 scherpe .45 patronen, passend bij het aangetroffen vuurwapen te zijn. Zowel de munitie als het wapen vallen onder categorie III van de Wet wapens en munitie.

Verdachte verklaarde dat hij dit wapen had omdat hij veel meegemaakt had en zich wilde beschermen. Zijn medeverdachte verklaarde op 12 oktober 2011 hetzelfde tegen de verbalisanten. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte dit wapen en deze munitie samen met zijn medeverdachte in zijn bezit heeft gehad.

Aangezien ook de medeverdachte toegang tot de hele woning had, deze schoonmaakte en het wapen niet verstopt was maar in een niet-afgesloten bureaula lag, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat zijn vriendin pas van het wapen op de hoogte is geraakt tijdens de zoeking op 12 oktober 2012 niet geloofwaardig.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte een wapen met munitie vallend onder categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

4.4 De bewezenverklaring

1.

op 12 oktober 2011 in de gemeente Rucphen opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 130 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

in de periode van 08 november 2010 tot en met 25 oktober 2011 in de gemeente Rucphen tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een

gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader voorwerpen, te weten geldbedragen van (telkens) ongeveer

- 92.420 euro en

- 32.576 euro (fictief loon [naam BV]) en

- 18.480 euro (fictief loon [naam holding]) en

- 55.000 euro (aanleg tuin) en

- 46.700 euro (aanleg zwembad)

voorhanden gehad en omgezet terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

in de periode van 08 november 2010 tot en met 25 oktober 2011 in de gemeente Rucphen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte een voorwerp, te weten een geldbedrag van

- 300.00 euro

voorhanden gehad terwijl hij, verdachte wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

op 12 oktober 2011 in de gemeente Rucphen tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen van het merk Smith & Wesson, en munitie van categorie III, te weten 8 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd voor wat betreft het wapenbezit en vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2. Indien de rechtbank toch tot een veroordeling voor de feiten 1 en 2 komt, verzoekt de verdediging een aanzienlijk lagere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie geëist is. De verdediging heeft in dit kader gewezen op de persoonlijke omstandigheden en de rol van verdachte in het geheel en aangegeven dat de twijfels omtrent het bewijs hier ook mee moeten wegen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft 130 kilogram cocaïne voorhanden gehad.

Verdovende middelen zoals cocaïne schaden de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat de handel in verdovende middelen een ontwrichtende werking heeft op de samenleving en zodoende de maatschappij in zijn geheel schade berokkent. Het bezit van een grote hoeveelheid verdovende cocaïne heeft daarnaast nog een aantal andere de samenleving rechtstreeks rakende effecten, waaronder in het bijzonder ook de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte eerder voor overtredingen van de Opiumwet is veroordeeld.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gewoonte witwassen door in totaal € 300.000,= verstopt in zijn rolluiken voorhanden te hebben. Ook heeft verdachte samen met zijn vriendin € 92.420,= van misdrijf afkomstig contant geld in hun woning voorhanden gehad en hebben zij zich ruim € 51.000,= als fictief loon uit laten keren om zo geld wit te wassen. Tot slot hebben zij voor ruim € 100.000,= van misdrijf afkomstig geld omgezet in een zwembad en de aanleg van een luxe tuin. Hierdoor hebben zij een gewoonte gemaakt van het witwassen van crimineel geld.

Witwassen is een ernstig feit dat door misdrijf verkregen geld de schijn van legitimiteit moet geven en het reguliere financiële verkeer ondermijnt. Bovendien heeft het in omloop zijn van dergelijk grote witgewassen geldbedragen een sterk corrumperende werking en faciliteert dit veelal ander strafbaar handelen.

Door het witwassen worden gelden met een criminele oorsprong in het legale verkeer gebracht zonder dat dit voor (bonafide) deelnemers aan het verkeer kenbaar is.

Deze personen worden dus ongemerkt betrokken bij het handelen van criminelen. Anderen die wel op de hoogte zijn, worden door de vaak grote sommen geld die er mee gemoeid zijn in de verleiding gebracht om hun medewerking te verlenen aan de betrokken constructies, door bijvoorbeeld hun diensten aan te bieden, expertise beschikbaar te stellen of door gebruikmaking van de gelegenheid die een bepaalde functie hun biedt. Verdachte heeft zich hier mede schuldig aan gemaakt.

Verdachte heeft daarnaast en vuurwapen en munitie voorhanden gehad. De rechtbank merkt op dat het bezit van wapens en munitie kenmerkend is voor drugscriminaliteit. Niet zelden vinden er ripdeals en criminele afrekeningen plaats in dit circuit.

Tegen onbevoegd wapenbezit en onbevoegd bezit van munitie dient krachtig te worden opgetreden, nu de aanwezigheid hiervan het gebruik vergemakkelijkt en daarmee bevordert. Het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld en de (mede) daardoor veroorzaakte gevoelens van onveiligheid in de samenleving onderstrepen de noodzaak hiervan.

Op dergelijke feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van de tijd die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

7.2 Het conservatoir beslag

De officier van justitie heeft ter zitting de verbeurdverklaring gevorderd van geldbedragen die onder verdachte in beslag genomen zijn en onder de nummers 5, 17 en 18 op de beslaglijst vermeld staan.

De rechtbank heeft geconstateerd dat op deze geldbedragen tevens conservatoir beslag rust en zal derhalve geen beslissing nemen met betrekking tot deze geldbedragen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen de artikelen 2, 10, 13 en 14 van de Opiumwet en de artikelen

26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: medeplegen en plegen van een gewoonte maken van witwassen en

witwassen;

feit 3: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 20, 21, 22 en 23.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Combee en mr. Schnitzler, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Schroeijers, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 28 september 2012.

Mr. Schnitzler is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 maart 2011 tot en met 25 oktober 2011,

althans op of omstreeks 25 oktober 2011, in de gemeente Rucphen, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt, verwerkt,

verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd (een) hoeveelhe(i)d(en) van

een materiaal bevattende cocaïne en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 130 kilogram, althans een zeer aanzienlijke hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 1 ahf/ond a alinea Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 08 november 2010 tot en met 25 oktober

2011 in de gemeente Rucphen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een

gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer

van zijn mededader(s) (een) voorwerp (en), te weten

(een) geldbedrag(en) van (telkens) ongeveer

- 392.420 euro en/of

- 32.576 euro (fictief loon [naam BV]) en/of

- 18.480 euro (fictief loon [naam holding]) en/of

- 55.000 euro (aanleg tuin) en/of

- 46.700 euro (aanleg zwembad)

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van dit/deze

voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of een of meer van

zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 08 november 2010 tot en met 25 oktober 2011

in de gemeente Rucphen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal

(telkens)(een) voorwerp(en), te weten

(een) geldbedrag(en) van (telkens) ongeveer

- 392.420 euro en/of

- 32.576 euro (fictief loon [naam BV]) en/of

- 18.480 euro (fictief loon [naam holding]) en/of

- 55.000 euro (aanleg tuin) en/of

- 46.700 euro (aanleg zwembad)

heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans

van dat/die voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt terwijl hij, verdachte

en/of een of meer van zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs

moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 12 oktober 2011 in de gemeente Rucphen tezamen en in

vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een wapen van categorie

III, te weten een vuurwapen van het merk Smith & Wesson, en/of munitie van

categorie III, te weten 8 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie