Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX8420

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
26-09-2012
Zaaknummer
11/4845
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:5843, Bekrachtiging/bevestiging
Herziening: ECLI:NL:HR:2018:1865, Afwijzing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Premieplicht volksverzekeringen / Verdrag Rijnvarenden

Belanghebbende woonde in 2006 in Nederland en werkte voor een in Luxemburg gevestigde onderneming als kapitein op een schip dat op de rijn, maar merendeels op andere binnenwateren voer. In geschil is of hij premieplichtig was in Nederland voor de premies volksverzekeringen.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende is aan te merken als rijnvarende in de zin van het Verdrag Rijnvarenden en dat daaraan niet afdoet dat het schip voornamelijk op andere rivieren dan de Rijn voer. Nu de sociale verzekeringsplicht moet worden vastgesteld op grond van het Verdrag Rijnvarenden, komt aan de door de Luxemburgse autoriteit aan belanghebbende afgegeven E101-verklaring geen betekenis toe. De rechtbank acht de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing omdat de in 2003 ten behoeve van het schip afgegeven rijnvaartverklaring vermeldt dat X B.V. daarvan eigenaar is. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze vennootschap, welke in Nederland is gevestigd, worden aangemerkt als de exploitant van het schip. Aan de Luxemburgse werkgever zijn door de Luxemburgse autoriteit “certificats d’exploitant” uitgegeven, waardoor deze voor de periode van 25 augustus 2006 tot en met 31 december 2006 ook als exploitant van het schip kan worden aangemerkt. De rechtbank acht de inspecteur echter geslaagd in het bewijs dat X B.V. ook in deze periode exploitant van het schip in de zin van het Verdrag Rijnvarenden was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2316
V-N 2012/53.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/4845

Uitspraakdatum: 18 juli 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond, kantoor Rotterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.625 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6. Daarbij is bij beschikking een bedrag van € 970 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 augustus 2011 de aanslag en beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 19 september 2011, ontvangen bij de rechtbank op 21 september 2011, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft hij vóór de zitting een aanvulling op dit verweerschrift ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Capelle aan den IJssel, en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1.6. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Afschriften van de pleitnota, met als bijlage de brief van de Inspectie Verkeer en Waterstaat van [datum] 2006, zijn overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. De inspecteur heeft ter zitting een afschrift van een brief van de Inspectie Leefomgeving en Transport, van 23 april 2012, overgelegd aan de rechtbank en aan de gemachtigde van belanghebbende. Partijen hebben verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van voormelde brieven. De rechtbank rekent de pleitnota en ter zitting overgelegde brieven tot de stukken van het geding. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2006 in Nederland. Hij werkte als kapitein op het schip [het schip] (hierna: het schip). In het onderhavige jaar voer het schip bedrijfsmatig niet alleen op de Rijn, maar merendeels op andere binnenwateren. Op 1 maart 2006 heeft de Luxemburgse autoriteit een zogeheten E101-verklaring afgegeven waarin staat dat belanghebbende zijn werkzaamheden is aangevangen op [datum] 2003.

2.2. Het schip stond geregistreerd in Nederland en was voorzien van het certificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte, ondertekend in Mannheim op 17 oktober 1868 (hierna: het certificaat). Belanghebbende stond in 2006 op de loonlijst van de in Luxemburg gevestigde onderneming [exploitant] (hierna: [exploitant]). Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op [datum] 2003 voor het schip een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 1, onderdeel h en artikel 5, eerste lid van de Wet vervoer binnenvaart afgegeven aan de eigenaar van het schip, [het schip] B.V. te Dordrecht. Op deze verklaring is bij “Exploitant” niets ingevuld.

2.3. De Luxemburgse autoriteiten hebben op [datum] 2006 een ‘certificat d’exploitant’ afgegeven waarop [exploitant] staat vermeld als exploitant van het schip. [exploitant] heeft hierop bij de Nederlandse autoriteiten een aanvraag om een Rijnvaartverklaring ingediend. Bij besluit van [datum] 2006 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Op 14 juli 2010 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven geoordeeld dat de aanvraag alsnog in behandeling moet worden genomen.

2.4. De Luxemburgse autoriteiten hebben op [datum] 2007 wederom een ‘certificat d’exploitant’ afgegeven waarop [exploitant] is vermeld als exploitant van het schip. Op de vervolgens op [datum] 2007 afgegeven Rijnvaartverklaring staat [het schip] B.V. als eigenaar en [exploitant] als exploitant van het schip vermeld.

2.5. Op [datum] 2009 is de in 2.4 genoemde Rijnvaartverklaring ingetrokken.

2.6. Bij brief van 3 oktober 2011 hebben de Luxemburgse autoriteiten de Nederlandse autoriteiten ervan in kennis gesteld dat alle aan [exploitant] afgegeven certificaten met onmiddellijke ingang ongeldig zijn.

2.7. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag omdat de inspecteur geen rekening heeft gehouden met de door belanghebbende verzochte vrijstelling van premies volksverzekeringen ter zake van het loon van [exploitant].

3. Geschil

3.1. In geschil is of belanghebbende voor het jaar 2006 in Nederland premieplichtig was voor de premies volksverzekeringen betreffende zijn werkzaamheden op het schip. De inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en belanghebbende ontkennend. Niet in geschil is dat belanghebbende in het onderhavige jaar binnen de personele werkingssfeer viel van de Verordening (EG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: de Verordening).

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Belanghebbende betwist dat de Verdragen van 27 juli 1950, Trb. 1952, 15 en 30 november 1979, Trb. 1981, 43, betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (hierna tezamen aangeduid als het Verdrag Rijnvarenden) van toepassing zijn. Hij acht artikel 14, tweede lid, onderdeel a van de Verordening toepasselijk en meent dat hij ingevolge deze bepaling in Luxemburg verzekerd is en onderbouwt dat met een ter zake afgegeven E101-verklaring. Voorts meent belanghebbende dat ook het Verdrag Rijnvarenden de sociale zekerheidswetgeving van Luxemburg aanwijst. De inspecteur stelt dat de verzekeringsplicht ingevolge het Verdrag Rijnvarenden aan Nederland is toegewezen. Hij stelt dat het Verdrag Rijnvarenden, ingevolge artikel 7, lid 2, onderdeel a van de Verordening, van hogere orde is dan de Verordening.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de aanslag in de premieheffing volksverzekeringen naar een premie-inkomen van nihil en dienovereenkomstige vermindering van de beschikking heffingsrente. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de bewijslastverdeling

4.1. Belanghebbende stelt dat de inspecteur in deze de bewijslast heeft en acht hem daarin niet geslaagd. De inspecteur ontkent de bewijslast te hebben. Volgens hem is belanghebbende als inwoner van Nederland van rechtswege in Nederland verzekerd en rust dientengevolge op belanghebbende de bewijslast dat aanspraak kan worden gemaakt op een vrijstelling van premieplicht.

4.2. In het onderhavige geval verschillen partijen op dit punt (slechts) van mening over de vragen welke aanwijsregels hier van toepassing zijn – die uit de Verordening of uit een sociaalzekerheidsverdrag – en of die aanwijsregels al dan niet leiden tot premieplicht in Nederland. Dat in het onderhavige geval internationale aanwijsregels van toepassing zijn, is dus niet in geschil.

4.3. De inspecteur stelt dat de aanwijsregels van het Verdrag Rijnvarenden, waaraan de Verordening voorrang geeft, van toepassing zijn en stelt dat deze aanwijsregels resulteren in premieplicht in Nederland. De inspecteur draagt de bewijslast daarvan.

Met betrekking tot de vraag welke internationale socialezekerheidsregeling van toepassing is

4.4. Gelet op hetgeen in 4.3 is overwogen rust op de inspecteur de last aannemelijk te maken dat belanghebbende een rijnvarende is in de zin van artikel 1, onderdeel m van het Verdrag Rijnvarenden. Deze bepaling verstaat onder rijnvarende “een werknemer of een zelfstandige, alsmede elke persoon die krachtens de van toepassing zijnde wetgeving met hen wordt gelijkgesteld, die behorend tot het varend personeel zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip, dat met winstoogmerk in de rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van het certificaat, bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaart-akte, ondertekend te Mannheim, op 17 oktober 1868, met inachtneming van de wijzigingen, welke daarin zijn aangebracht of nog zullen worden aangebracht, alsmede van de daarop betrekking hebben uitvoeringsvoorschriften.”

4.5. Op grond van het overwogene in 2.1 en 2.2 acht de rechtbank de inspecteur geslaagd in het van hem verlangde bewijs dat belanghebbende rijnvarende is in de zin van het Verdrag Rijnvarenden. Hieraan doet niet af dat het schip voornamelijk op andere rivieren dan op de Rijn vaart (zie rechtsoverweging 3.5.3 van het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2011, nr. 10/03927, gepubliceerd op rechtsapraak.nl onder LJN: BQ2938). Anders dan belanghebbende vat de rechtbank de definitie van rijnvarende niet op als een “indien en voor zover”-bepaling. Voorts wordt het schip, nu daarvoor blijkens het overwogene in 2.2 een Rijnvaartverklaring is afgegeven, ingevolge artikel 1, onderdeel h van de Wet vervoer binnenvaart, geacht tot de Rijnvaart te behoren. Ook om die reden faalt het betoog van belanghebbende. Dat voldaan is aan de andere in artikel 1, aanhef en onder m, van het Verdrag Rijnvarenden gestelde eisen is niet in geschil.

Met betrekking tot de E101-verklaring

4.6. Nu de sociale verzekeringsplicht van belanghebbende moet worden vastgesteld op grond van artikel 11 van het Verdrag Rijnvarenden komt aan de Verordening ingevolge artikel 7, eerste lid, onderdeel a van die regeling geen betekenis toe. Dit brengt met zich dat verklaringen die zijn afgegeven op grond van de Verordening buiten beschouwing moeten blijven. Aan de E101-verklaring die op grond van de Verordening aan belanghebbende is afgegeven valt daardoor niet het vertrouwen te ontlenen dat sprake is van verzekeringsplicht in Luxemburg.

4.7. De beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) in de zaken Fitzwilliam Executive Search (HvJ EG van 10 februari 2000, zaak C-202/97, gepubliceerd in onder meer AB 2000, 328) en Bank e.a. (HvJ EG van 30 maart 2000, zaak C-178/97, gepubliceerd in onder meer AB 2000, 329) brengen daarin geen verandering. In die zaken stond immers, in afwijking van het onderhavige geval, vast dat de verzekeringsplicht moest worden bepaald op basis van de Verordening. Anders dan belanghebbende ziet de rechtbank geen aanleiding om met betrekking tot het passeren van de E101-verklaring een prejudiciële vraag aan het HvJ EG te stellen.

Met betrekking tot de aanwijsregels van het Verdrag Rijnvarenden

4.8. Artikel 11, tweede lid van het Verdrag Rijnvarenden bepaalt dat op de rijnvarende slechts de wetgeving van één enkele Verdragssluitende Partij van toepassing is, namelijk die van de staat waar zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het schip behoort. Bij Besluit nummer 5 van 27 maart 1990 (hierna: Besluit nummer 5) heeft het Administratief Centrum voor de sociale Zekerheid van de rijnvarenden bepaald dat met “de onderneming waartoe het schip behoort” in dit verband wordt bedoeld de onderneming die het schip exploiteert, ongeacht of hij ook eigenaar is van het schip. Bij Besluit nummer 7 van 27 juni 2007 is het Besluit nummer 5 vervangen en daarbij is bepaald dat wanneer het schip door meerdere ondernemingen of vennootschappen wordt geëxploiteerd voor de toepassing van dit besluit als exploitant van het schip geldt, de onderneming of die vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip. In voornoemde besluiten is voorts bepaald dat voor de toepassingen ervan, de gegevens vermeld op de Rijnvaartverklaring maatgevend zijn.

Met betrekking tot de exploitant van het schip

4.9. Belanghebbende stelt dat [exploitant] in 2006 de exploitant van het schip was. Hij verwijst daartoe naar de in 2006 en 2007 afgegeven ‘certificats d’exploitant’ en de in 2007 afgegeven Rijnvaartverklaring. Met betrekking tot de in 2003 afgegeven Rijnvaartverklaring stelt belanghebbende dat deze is achterhaald door het in 2006 afgegeven ‘certificat d’exploitant’ en voorts dat uit die Rijnvaartverklaring niet kan worden opgemaakt dat de exploitant van het schip in Nederland is gevestigd nu op de betreffende Rijnvaartverklaring bij “Exploitant” niets is ingevuld. Belanghebbende beroept zich in dit verband op rechtsoverweging 4.12 van de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2011, nr. 10/00763, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BR0181. Voorts stelt belanghebbende dat hem niet kan worden tegengeworpen dat de afgifte van een nieuwe Rijnvaartverklaring is vertraagd door toedoen van de Minister van Verkeer en Waterstaat die de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.10. De inspecteur stelt dat [het schip] B.V. zowel formeel, namelijk op grond van de in 2003 afgegeven Rijnvaartverklaring, als materieel, namelijk op grond van onder meer de jaarstukken, de exploitant van het schip was.

4.11. Voor de beantwoording van de vraag wie als exploitant van het schip kan worden aangemerkt, zal de rechtbank voor de premieplicht van de volksverzekeringen veronderstellenderwijs er vanuit gaan dat in 2006 werd voldaan aan alle eisen voor de afgifte van een Rijnvaartverklaring met vermelding van [het schip] B.V. als eigenaar en [exploitant] als exploitant. Bij de beoordeling van het bewijs zal de rechtbank doen alsof de bedoelde beschikking is afgegeven en dat dit is gebeurd op [datum] 2006, de datum waarop in werkelijkheid de aanvraag voor bedoelde beschikking niet-ontvankelijk is verklaard.

4.12. De rechtbank neemt voorts het volgende in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat de partij die zich erop beroept dat de gegevens op de Rijnvaartverklaring niet juist zijn, de bewijslast daarvan draagt. Voorts begrijpt de rechtbank dat een Rijnvaartverklaring geldig is totdat deze wordt ingetrokken of gevolgd wordt door een nieuwe Rijnvaartverklaring. Ter zake van de in 2007 afgegeven Rijnvaartverklaring overweegt de rechtbank dat naar haar oordeel niet kan worden aangenomen dat deze terugwerkende kracht heeft.

4.13. Niet is gesteld dat eerder dan naar aanleiding van de op [datum] 2006 aan [exploitant] afgegeven exploitatieverklaring is gepoogd [exploitant] als exploitant van het schip op de verklaring te laten opnemen. Gelet hierop en op hetgeen in 4.11 en 4.12 is overwogen, acht de rechtbank voor de premieplicht over de periode van 1 januari 2006 tot [datum] 2006, de op [datum] 2003 afgegeven Rijnvaartverklaring van belang voor de onderhavige procedure. De betreffende Rijnvaartverklaring vermeldt alleen dat [het schip] B.V. eigenaar is van het schip. Naar het oordeel van de rechtbank moet op basis van hetgeen staat vermeld op deze Rijnvaartverklaring, [het schip] B.V. als exploitant in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Verdrag Rijnvarenden worden aangemerkt. Deze vennootschap is in Dordrecht en dus in Nederland gevestigd. Voor de periode van 1 januari 2006 tot [datum] 2006 heeft de rechtbank geen enkele aanwijzing dat een ander dan de eigenaar van het schip als (mede)exploitant kan worden aangemerkt, zodat de rechtbank de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving in ieder geval in zoverre van toepassing acht.

4.14.1. Voor wat betreft de periode van [datum] 2006 tot [datum] 2006 acht de rechtbank de aan [exploitant] afgegeven exploitatieverklaring voldoende om tot het oordeel te kunnen leiden dat [exploitant] ook, dus naast [het schip] B.V., als exploitant van het schip kan worden aangemerkt.

4.14.2.Voor de periode van [datum] 2006 tot en met 31 december 2006 geldt dat daarvoor een Rijnvaartverklaring is afgegeven waarop twee exploitanten staan vermeld, te weten de eigenaar en [exploitant].

4.14.3. Dit betekent dat het schip naar het oordeel van de rechtbank in de periode van [datum] 2006 tot en met 31 december 2006 door meerdere vennootschappen werd geëxploiteerd.

4.15. Als exploitant in de zin van artikel 1, aanhef en onder m, van het Verdrag Rijnvarenden, geldt in dat geval de vennootschap die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip. De rechtbank overweegt dat in dit geval de inspecteur, als de partij die daartoe het beste in staat kan worden geacht, hiervoor de bewijslast heeft.

4.16. Gelet op de door de inspecteur overgelegde jaarstukken over het onderhavige jaar van [het schip] B.V., waaruit de resultaten van deze vennootschap blijken, acht de rechtbank aannemelijk dat [het schip] B.V. de in 4.15 bedoelde exploitant van het schip is. Hiertoe overweegt de rechtbank dat zij aannemelijk acht dat de enige noemenswaardige bezitting van [het schip] B.V. het schip betreft. Aan opbrengsten heeft deze vennootschap in haar jaarstukken een bedrag van ruim € 800.000 verantwoord. De verantwoorde kosten bestaan onder andere uit afschrijvingen, een gering bedrag aan salarissen en een bedrag van € 270.000 aan ‘overige personeelskosten’. Uit het voorgaande maakt de rechtbank op dat [het schip] B.V. de vrachtopbrengsten en de kosten van het schip heeft verantwoord. De rol van [exploitant] met betrekking tot het schip is hooguit dat zij personeel uitleent aan [het schip] B.V. Die rol maakt haar niet de exploitant in de zin van artikel 11, tweede lid, van het Verdrag Rijnvarenden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat ook voor de periode van [datum] 2006 tot en met 31 december 2006 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is.

4.17. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen valt belanghebbende voor het gehele jaar 2006 onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Dat belanghebbende voor dat geval op grond van de Nederlandse wetgeving het gehele jaar premieplichtig is voor de volksverzekeringen is, naar de rechtbank begrijpt, tussen partijen niet in geschil. De rechtbank acht deze opvatting van partijen juist.

Met betrekking tot het voorkomen van dubbele premieheffing

4.18. Belanghebbende stelt dat dubbele premieheffing in strijd is met de grondbeginselen van het EG-verdrag en het Verdrag Rijnvarenden. De rechtbank overweegt dat, wat er verder ook zij van het standpunt van belanghebbende, dubbele premieheffing wordt voorkomen op grond van het overwogene in 4.8. Indien en voor zover in Luxemburg ten onrechte premies zijn ingehouden en afgedragen, zal belanghebbende deze in Luxemburg moeten terugvragen dan wel op grond van artikel 13 van het Verdrag Rijnvarenden de bevoegde autoriteiten moeten verzoeken om een overeenkomst te sluiten. Het is de rechtbank niet gebleken van het bestaan van een overeenkomst waarbij Nederland zou zijn teruggetreden ten faveure van Luxemburg.

Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel

4.19. Ook het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalt. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien a. de inspecteur een begunstigend beleid voert, b. ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk tot begunstiging of c. de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in de door hem aangevoerde gevallen sprake is geweest van begunstigend beleid of een oogmerk tot begunstiging. Voorts is niet gesteld of aannemelijk geworden dat sprake is van het achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel).

4.20. De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van de inspecteur dat, evenals in het geval van belanghebbende, in de door belanghebbende genoemde gevallen het standpunt is ingenomen dat de betreffende werknemer in Nederland is verzekerd. Het gegeven dat uiteindelijk door toepassing van de overlegprocedure ex artikel 13 van het Verdrag Rijnvarenden, een oplossing is gevonden voor de dubbele premieheffing, staat daar los van. Ook belanghebbende kan bij de Sociale Verzekeringsbank, aan wie voor wat betreft Nederland de uitvoering van artikel 13 van het Verdrag Rijnvarenden is voorbehouden, verzoeken om een dergelijke overlegprocedure te starten.

4.21. De overige door belanghebbende aangevoerde grieven en argumenten kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tot vernietiging of vermindering van de aanslag leiden.

4.22. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 31 juli 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.