Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX8203

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
11/4231
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting, ondernemerschap, immateriële schadevergoeding

Belanghebbende, een moeiende houdstermaatschapij, heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij jegens haar dochtermaatschappijen belaste prestaties heeft verricht. Geen sprake van ondernemerschap in de zin van de Wet OB. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/4231

Uitspraakdatum: 16 juli 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] N.V., gevestigd te [plaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Roermond,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 met dagtekening 28 december 2004 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer]F.01.0501 en hierna: de aanslag) en gelijktijdig een beschikking heffingsrente vastgesteld.

1.2. Belanghebbende heeft met dagtekening 12 januari 2005 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 17 januari 2005.

1.3. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 juli 2011 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 10 augustus 2011, ontvangen bij de rechtbank op 12 augustus 2011, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 302.

1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.7. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende [gemachtigden], en namens de inspecteur [gemachtigden].

1.9. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een mondelinge uitspraak aangekondigd op 22 mei 2012.

1.10. Bij brief van 21 mei 2012 heeft de rechtbank partijen ingelicht op 11 juni 2012 schriftelijk uitspraak te doen.

1.11. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift gelijktijdig met deze uitspraak is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is een rechtspersoon die in 1999 en volgende jaren deelnemingen had in meerdere andere rechtspersonen. Belanghebbende is onderdeel van de [X] groep. Dat is een groep vennootschappen waarvan de aandelen – middellijk of onmiddellijk - worden gehouden door [Dhr. X.] die tevens de directie over de vennootschappen voert.

2.2. Belanghebbende heeft gedurende 1999 en 2000 aangiften omzetbelasting gedaan die steeds hebben geleid tot een teruggaaf. In het algemeen werd een omzet van nihil aangegeven maar wel aftrek van voorbelasting geclaimd. Alleen in het vierde kwartaal 1999 werd een omzet aangegeven van € 25.000. Dit bedrag heeft belanghebbende gefactureerd aan een gelieerde vennootschap ter zake van “adviezen”.

2.3. De inspecteur heeft bij brief van 14 februari 2001 aan belanghebbende verzocht mee te delen welke activiteiten door haar werden ontplooid en waarom er geen verschuldigde belasting in de aangiften werd aangegeven.

2.4. Belanghebbende heeft bij brief van 28 februari 2001 onder meer en voor zover hier van belang het volgende geantwoord:

“[belanghebbende] N.V. is een Holdingmaatschappij met diverse dochtermaatschappijen.

Wegens grote druk t.b.v. de diverse administraties der dochtermaatschappijen komen wij tijd te kort om te handelen.

Wij hopen in de komende periodes meer omzet te behalen.”

2.5. De FIOD-ECD heeft op 2 oktober 2001 een inval gedaan bij belanghebbende. De daarbij in beslag genomen administratie is in maart 2003 weer vrijgegeven.

2.6. De inspecteur heeft op 28 december 2004 de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd tot de bedragen aan omzetbelasting die over de tijdvakken in 1999 en 2000 op aangifte werden teruggevraagd. Soortgelijke naheffingsaanslagen zijn opgelegd aan andere vennootschappen van de [X] groep. Ook zijn bij een aantal vennootschappen verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting afgewezen.

2.7. Omdat de inspecteur geen uitspraak had gedaan op belanghebbendes bezwaar heeft belanghebbende op 24 januari 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank in verband met het niet tijdig doen van uitspraak. De rechtbank heeft beslist dat de inspecteur uitspraak op bezwaar moest doen binnen twee weken na verzenddatum van de uitspraak van de rechtbank (procedurenummer 11/538). De inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 6 juli 2011 de uitspraak aangekondigd en op 8 juli 2011 uitspraak op bezwaar gedaan.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Was belanghebbende in het tijdvak van naheffing ondernemer voor de omzetbelasting en had zij recht op aftrek van voorbelasting?

2. Is terecht heffingsrente in rekening gebracht?

3. Is sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

4. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van geleden schade?

Belanghebbende beantwoordt vraag 2 ontkennend en de vragen 1, 3, en 4 bevestigend. De inspecteur beantwoordt de vragen tegengesteld.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.4. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente. Belanghebbende verzoekt tevens om een proceskostenvergoeding en een vergoeding voor geleden immateriële schade wegens spanning en frustratie vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, alsmede voor geleden materiële schade .

3.5. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Was belanghebbende ondernemer voor de omzetbelasting?

4.1. Op grond van artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet) wordt omzetbelasting geheven ter zake van het verrichten van leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet is ondernemer een ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Daarbij is met name van belang of sprake is van duurzame economische activiteiten in de zin van de Wet. Een houdstermaatschappij wier enig doel is de deelneming in andere ondernemingen, zonder dat zij zich direct of indirect moeit in het beheer van die ondernemingen, onverminderd de rechten van de houdstermaatschappij als aandeelhouder of vennoot, of die uitsluitend niet met omzetbelasting belaste prestaties verricht, bezit niet de hoedanigheid van belastingplichtige ondernemer (HvJ EU 20 juni 1991, zaak C-60/90, Polysar en HvJ EU 12 juli 2001, zaak C-102/00, Welthgrove).

4.1.1. Vaststaat dat belanghebbende een houdstermaatschappij is en dat zij in de geschil zijnde jaren uitsluitend eenmalig f 25.000 voor adviezen gefactureerd heeft aan een dochtermaatschappij. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende prestaties aan andere derden heeft verricht.

4.1.2. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich mee dat belanghebbende, die de aan haar in 1999 en 2000 in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek heeft gebracht, aannemelijk dient te maken of zij als ondernemer in voornoemde zin aangemerkt kon worden.

4.1.3. De rechtbank acht belanghebbende niet in dat bewijs geslaagd. Hiertoe neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. In het naheffingstijdvak is slechts eenmaal een omzet op aangifte aangegeven van € 25.000. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat er in andere jaren enige omzet is geweest. Van een duurzame exploitatie van een onderneming is dan geen sprake. In dit verband acht de rechtbank mede van belang dat door belanghebbende geen inzicht is gegeven in de aard van deze omzet uit “adviezen”, dat daarvan geen nadere omschrijving is gegeven en dat er geen (kopie)factuur is overgelegd of enig bewijs is geleverd van een betaling daarvan.

4.1.4. Het verrichten van belaste prestaties is volgens het arrest Welthgrove noodzakelijk om werkzaamheden die houdstermaatschappijen ten behoeve van de betreffende dochtermaatschappijen verrichten, als economische activiteiten aan te kunnen merken. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij jegens haar dochtermaatschappijen dergelijke prestaties heeft verricht.

4.1.5. Ter zitting heeft [Dhr. X.] nog verklaard dat belanghebbende in 1999 in elektronica handelde, maar dat is niet aannemelijk geworden en het strookt ook niet met de omzetten van nihil die in de aangiften zijn vermeld.

4.1.6. Nu niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende in 1999 en 2000 als ondernemer in de zin van de Wet aangemerkt kon worden, moet er van worden uitgegaan dat zij de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting ten onrechte in aftrek heeft gebracht. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank deze belasting terecht nageheven. Belanghebbendes beroepsgrond faalt.

Is terecht heffingsrente in rekening gebracht?

4.2.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur de naheffingsaanslag al in 2001 had kunnen opleggen. Door dit pas in 2004 te doen is ten onrechte een veel te hoog bedrag aan heffingsrente vastgesteld, zo begrijpt de rechtbank belanghebbende. De rechtbank vat dit op als een beroep op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.2.2. Het zorgvuldigheidsbeginsel kan onder omstandigheden meebrengen dat geen of minder heffingsrente in rekening mag worden gebracht. Van dergelijke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur het opleggen van de naheffingsaanslag nodeloos heeft vertraagd. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat de FIOD-ECD gedurende 2002 en 2003 bij belanghebbende onderzoek heeft gedaan en aannemelijk is dat de inspecteur op de resultaten daarvan heeft gewacht alvorens de naheffingsaanslag op te leggen. Mitsdien faalt deze beroepsgrond.

Is sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

4.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de handelwijze van de inspecteur, gedurende het gehele proces, jegens haar als belastingplichtige in strijd is met de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De daarvoor door belanghebbende per rechtsbeginsel uitgewerkte grieven vat de rechtbank op als de stelling dat de inspecteur bewust en opzettelijk belanghebbende de aftrek van de omzetbelasting heeft willen weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank is, met al hetgeen door belanghebbende in dit verband is aangevoerd, niet aannemelijk geworden dat de inspecteur zodanig in strijd met enig rechtsbeginsel heeft gehandeld dat hieraan consequenties moet worden verbonden voor de rechtmatigheid en de hoogte van de onderhavige naheffingsaanslag en de heffingsrente. De rechtbank ziet ook geen reden aannemelijk te achten dat de inspecteur in zoverre bewust en opzettelijk jegens belanghebbende heeft gehandeld.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente terecht en tot op de juiste hoogte vastgesteld. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.5. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Schadevergoeding

Immateriële schade

6.1. Belanghebbende heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639, LJN: BO5046, verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens geleden immateriële schade vanaf de datum van opleggen van de aanslag door het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.

6.2. De rechtbank stelt vast dat tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur (17 januari 2005) en de dagtekening van de uitspraak daarop (8 juli 2011) een tijdsverloop zit van bijna zes en een half jaar. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 15 juli 2012. Dat is binnen een jaar na ontvangst van het beroepschrift. Al met al is sprake van een overschrijding van de door de Hoge Raad bedoelde redelijke termijn met bijna vijf en een half jaar. Deze termijnoverschrijding is reden voor een immateriële schadevergoeding en is naar het oordeel van de rechtbank geheel toe te rekenen aan de inspecteur.

6.8. De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de immateriële schade toe en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van € 5.500 (€ 500 per half jaar of een gedeelte daarvan).

Materiële schade

6.9. Voor de door belanghebbende gevraagde vergoeding voor materiële schade ziet de rechtbank geen aanleiding aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een dergelijke schade heeft geleden.

7. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 5.500.

Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2012 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. D.B. Bijl en mr. W. Brouwer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Mies, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 23 juli 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.