Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX7625

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
718819 az 12-130
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst van een 57-jarige werkneemster met een ruim 30-jarig dienstverband in verband met een onherstelbare vertrouwensbreuk. Uiteindelijk is het aan beide partijen in gelijke mate verwijtbaar dat er een einde komt aan hun arbeidsverhouding. Daarom toekenning van een vergoeding met een C-factor van 1, overeenkomend met een bedrag van € 185.625,- bruto. De werkneemster had als vergoeding € 556.876,48 bruto gevraagd, terwijl de werkgever verzocht had om ontbinding zonder vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0840

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team kanton Tilburg

zaak/rolnr.: 718819-AZ-12-130

beschikking d.d. 15 augustus 2012

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats] (België),

verzoekster,

gemachtigden: mrs. [Broer] en P. Contreras, advocaten te Amsterdam,

tegen:

de onderlinge waarborgmaatschappij Onderlinge Waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars groep, Aanvullende Verzekering Zorgverzekeraar U.A.,

kantoorhoudende te Tilburg,

verweerster,

gemachtigde: mr. E. van den Krommenacker, advocaat te Eindhoven.

Partijen zullen hierna door de kantonrechter [[verzoekster]] en CZ worden genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- het op 7 mei 2012 ter griffie ontvangen verzoekschrift met producties;

- het op 6 juli 2012 ontvangen verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig tegenverzoek op grond van artikel 7:685 Burgerlijk Wetboek (BW) tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, met producties;

- de brief van de gemachtigde van CZ van 9 juli 2012 met producties;

- de brief van de gemachtigde van [[verzoekster]] van 10 juli 2012 met producties;

- de brief van de gemachtigde van [[verzoekster]] van 10 juli 2012 met nog enkele aanvullende producties.

1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juli 2012, waarbij [[verzoekster]] in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Namens CZ waren aanwezig de hee[X], verkoopmanager, en mevrouw [Y], personeelsadviseur, bijgestaan door haar gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Een minnelijke regeling is niet bereikt.

2. Het verzoek

2.1 [[verzoekster]] heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met CZ te ontbinden op grond van gewichtige redenen, gelegen in een verandering van omstandigheden. [[verzoekster]] is van mening dat de arbeidsrelatie met CZ zodanig verstoord is geraakt dat ieder vertrouwen in voortzetting van de relatie is komen te ontbreken. Omdat deze verstoring van de arbeidsrelatie in ernstige mate aan CZ te verwijten is, acht [[verzoekster]] reden aanwezig om bij de uit te spreken ontbinding een vergoeding van € 556.876,48 bruto (C=3) aan haar toe te kennen. De ernstige verwijtbaarheid bestaat daarin dat CZ haar op ondeugdelijke gronden de functie van accountmanager B heeft ontnomen en CZ zich ook na haar ziekmelding op 28 november 2010 niet als een goed werkgeefster heeft opgesteld door -onder meer- de re-integratiever-plichtingen niet deugdelijk na te komen.

2.2 CZ stelt dat zij steeds van mening is geweest dat een beëindiging van de arbeidsovereen-komst wat haar betreft niet aan de orde behoefde te zijn. De opstelling van [[verzoekster]] heeft er echter toe geleid dat de arbeidsrelatie thans onherstelbaar beschadigd is. Onder die omstan-digheden ziet ook zij geen enkele mogelijkheid om de tussen partijen gesloten arbeidsover-eenkomst voort te zetten. CZ verzoekt daarom eveneens de arbeidsovereenkomst met [[verzoekster]] te ontbinden, zonder daarbij enige vergoeding aan [[verzoekster]] toe te kennen.

2.3 Op de standpunten van partijen zal de kantonrechter hierna in de beoordeling -voor zover van belang- nog nader ingaan.

3. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken vast dat:

a. [[verzoekster]], thans 57 jaar oud, op 16 oktober 1978 in dienst is getreden bij CZ. Vanaf 1996 is zij werkzaam geweest in de functie van accountmanager B;

b. [X] vanaf 1 januari 2008 werkzaam is in de functie van verkoopmanager. Eén van de taken van de verkoopmanager is het leidinggeven aan de accountmanagers, waaronder [[verzoekster]];

c. op 13 mei 2009 heeft met [[verzoekster]] een beoordelingsgesprek over 2008 plaatsgevonden, waarbij zij door [X] is beoordeeld. In het door CZ daartoe gebruikte “Formulier beoordelings- en Planningsgesprek”, dat uitgaat van een beoordeling door de leiding-gevende op drie onderdelen, is het onderdeel “behaalde resultaten” als voldoende gekwalificeerd en de onderdelen“competentieontwikkeling” en “algemeen functioneren” als onvoldoende. Er is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in de beoordeling leerdoelen vast te stellen. Wel is onder het kopje “afspraken algemeen” het volgende opgenomen: “Volgens mij zijn de 2 belangrijkste zaken: 1. Samenwerken 2. Ontwikkelen naar CS (Consultative Selling, toevoeging kantonrechter). Let op je valkuil m.b.t. de details. Verlies je hier niet in en probeer het krachtenveld bij een (potentiële) klant te doorgronden. Schakel de senior in bij vragen. [voornaam], ik weet dat je openstaat voor ontwikkeling en verandering. Dit is een prima eigenschap. Let aub wel op bovenstaande punten. 1. Zie ik je wel doen. 2. Is m.i. voor jou een belangrijk aandachtspunt en schakel je collega senior hierbij in.”;

d. [[verzoekster]] haar bezwaren over de beoordeling 2008 per e-mail van 25 juni 2009 aan [X] kenbaar heeft gemaakt, waarna [X] op 27 augustus 2009 schriftelijk heeft gereageerd;

e. [[verzoekster]] in februari 2010 door [X] tot Kwartaalkoningin is uitgeroepen, gelet op haar verkoopresultaten;

f. in het per e-mail van 15 februari 2010 aan [[verzoekster]] toegezonden bilatverslag van 10 februari 2010, voor zover van belang, het volgende is opgenomen: “IV groep blijft op verzoek klant bij [voornaam]. ([Z] wordt ingelicht door [voornaam])”;

g. op 25 mei 2010 heeft met [[verzoekster]] een beoordelingsgesprek over 2009 plaatsgevonden, waarbij zij opnieuw door [X] is beoordeeld. In het beoordelingsformulier zijn de onderdelen “behaalde resultaten” en “algemeen functioneren” als voldoende gekwalificeerd en het onderdeel “competentieontwikkeling” als onvoldoende. Er is opnieuw geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in de beoordeling leerdoelen vast te stellen. Wel is onder het kopje “afspraken algemeen” het volgende opgenomen: “1. Communiceren Blijf scherp maar stop op een gegeven moment als je gesprekspartner afhaakt. Bewaak details (sterk punt) maar plaats ze in de hoofdlijn en contekst van onze missie. 2. Klantgerichtheid Blijf de balans zoeken tussen CZ belang en klantbelang. Niet forceren, denk aan de effectiviteit van je advies en inspanningen. 3. Samenwerken Gaat de goede kant op. Schakel meer in je team en vraag om hulp, ook voor wat betreft de benoemde punten 1. en 2.”;

h. [X] bij brief van 23 november 2010 het volgende aan [[verzoekster]] heeft bericht: “Naar aanleiding van de klacht van [Q] ([Q] is een klant van CZ, toevoeging kantonrechter) over jouw functioneren als accountmanager hebben we op 23-11-2010 een gesprek gehad. Bij aanvang van het gesprek heb ik je allereerst om een reactie gevraagd op de klacht en de afhandeling daarvan. Deze klacht en jouw reactie daarop is voor mij het overtuigende bewijs dat je functioneren, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet voldoende is verbeterd. Ik heb aangegeven dat ik vind dat jij niet de juiste vrouw op de juiste plaats bent. Gezien de ervaringen van de afgelopen jaren heb ik er ook geen vertrouwen meer in dat je het gewenste niveau gaat bereiken. Ik zal daarom een traject starten, met ondersteuning van onze afdeling HRM, om te kijken of er binnen CZ passende functies voor je zijn. Tijdens eerdergenoemd gesprek heb ik het bovenstaande mondeling aan je meegedeeld en daarbij afgesproken dat ik dat nog kort op papier zou zetten. Ik heb tevens gevraagd deze mededelingen even te laten bezinken. Op maandag 29-11-2010 om 10.30 uur staat inmiddels een vervolgafspraak gepland om over je toekomst verder te praten. In de bijlage tref je overigens een resumé aan waarop ik mijn beslissing heb gebaseerd. Een brief met dezelfde inhoud zal morgen via de reguliere post naar je huisadres worden gezonden. Tot maandag.”;

i. [[verzoekster]] zich per e-mail van 28 november 2010 bij [X] ziek heeft gemeld;

j. [X] per e-mail van 29 november 2010 aan [[verzoekster]] heeft bericht dat zij zich niet heeft gehouden aan het CZ-protocol dat ziekmelden telefonisch en persoonlijk bij de leidinggevende dient te geschieden, waardoor het voor hem onmogelijk was, aldus de e-mail, “een beoordeling te maken van je klachten in relatie tot je werkzaamheden. Hierdoor kan ik, aldus nog steeds de e-mail, nu ook geen formeel verlof verlenen; vanzelfsprekend hebben we ons te houden aan wet- en regelgeving waarbij ook het aspect van de loondoorbetaling in het geding is. Conform artikel 7:629 BW lid 6 zullen we je loon opschorten voor de tijd dat je de schriftelijke voorschriften van CZ (het CZ protocol) niet naleeft (…)”;

k. [[verzoekster]] op 13 december 2010 en 14 maart 2011 gesprekken heeft gehad met de bedrijfsarts;

l. op 24 maart 2011 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [[verzoekster]] (bijgestaan door haar gemachtigde [mr. Broer], die tevens haar broer is) en een personeelsadviseur van CZ;

m. [[verzoekster]] op 9 mei 2011 een gesprek heeft gehad met de bedrijfsarts, waarna op 23 mei 2011 opnieuw een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [[verzoekster]] (opnieuw bijgestaan door [mr. Broer]) en een personeelsadviseur van CZ. In dat gesprek is afgesproken dat [mr. Broer] CZ een beëindigingsvoorstel zou doen;

n. [mr. Broer] CZ bij brief van 20 juni 2011 heeft laten weten dat hij nog geen concreet beëindigingsvoorstel kon doen, omdat eerst nog een aantal vragen door CZ beantwoord moest worden. In de brief heeft [mr. Broer] nog wel aangegeven dat de minimale schade voor [[verzoekster]] naar zijn mening een bedrag tussen de € 371.535 en € 650.413,- is;

o. CZ hierop bij brief van 3 augustus 2011 heeft gereageerd. In deze brief meldt CZ onder meer dat zij naar aanleiding van de brief van [mr. Broer] geen aanleiding ziet om met elkaar in gesprek te gaan over een einde van het dienstverband. De brief vervolgt: “In de onderhavige situatie zijn er – mede in het licht van de re-integratie verplichtingen – de volgende mogelijkheden:

Creëren functie voor [voornaam]

CZ is bereid een functie voor [voornaam] te creëren, onder een nieuwe leidinggevende, op locatie Sittard. Deze functie kan zij uitoefenen tot het moment dat zij (eventueel) gebruik kan maken van de VUT regeling. Wanneer [voornaam] in dienst blijft bij CZ, kan zij in 2014 gebruik maken van de VUT regeling op basis van 40 jaar dienstverband (…)

2e spoor re-integratie

Wanneer [voornaam] bij haar standpunt blijft dat ze niet voor CZ wil of kan werken, zullen wij een 2e spoor re-integratietraject opstarten. Het spreekt voor zich dat zowel werkgever als werknemer in het kader van de re-integratie verplichtingen hebben. De re-integratie kan niet zomaar stil komen te liggen. Wanneer terugkeer in de eigen functie dan wel in een passende functie binnen CZ niet tot de mogelijkheden behoort (1ste spoor), dan resteert een 2e spoor re-integratie.

Beëindiging van de arbeidsovereenkomst

Nogmaals, CZ opteert voor een vruchtbare re-integratie van [voornaam]. Het staat [voornaam] echter vrij om de arbeidsovereenkomt op te zeggen, dan wel een reëel voorstel te doen voor beëindiging. Een reëel voorstel wil CZ in overweging nemen (…)”

p. [mr. Broer] in reactie op de brief van CZ van 3 augustus 2011 CZ bij brief van 15 augustus 2011 heeft verzocht aan hem een beëindigingsvoorstel te doen;

q. [[verzoekster]] op 6 september 2011 aan de bedrijfsarts kenbaar heeft gemaakt dat zij niets voor een gecreëerde functie voelt;

r. CZ in oktober 2011 en (begin) november 2011 beëindigingsvoorstellen heeft gedaan, die door [[verzoekster]] zijn afgewezen;

s. de bedrijfsarts in zijn adviesverslag van 15 november 2011 mediation heeft geadviseerd;

t. de bedrijfsarts in zijn adviesverslag van 19 januari 2012 nogmaals de mogelijkheid van mediation heeft genoemd (waarbij onderzocht dient te worden of re-integratie reëel is en onder welke voorwaarden deze dan zal moeten plaatsvinden);

u. op 10 februari 2012 en op 16 maart 2012 tussen partijen mediationgesprekken hebben plaatsgevonden;

v. de arbeidsdeskundige van het UWV op 26 maart 2012 op verzoek van CZ een deskundigenoordeel heeft uitgebracht inzake de re-integratie inspanningen van CZ;

w. de bedrijfsarts op 11 april 2012 heeft geadviseerd om spoor II (re-integratie bij een andere werkgever) in te zetten.

4. De beoordeling

4.1 Beide partijen zijn het erover eens dat de verhouding tussen hen zodanig ernstig verstoord is geraakt dat van een vruchtbare samenwerking in de toekomst geen sprake meer kan zijn. Dat is een verandering in de omstandigheden die rechtvaardigt dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn wordt beëindigd. De verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal dan ook worden toegewezen en wel per 1 september 2012.

4.2 Vervolgens dient te worden beoordeeld of aan de uit te spreken ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding ten behoeve van [[verzoekster]] dient te worden verbonden, en zo ja, hoe hoog die zou moeten zijn. Bij de beantwoording van die vraag is allereerst van belang dat vast staat dat er sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen partijen. Daarbij past in beginsel een C-factor van 1 indien beide partijen evenveel verwijt treft voor die breuk. Verwijtbaarheid aan de zijde van één van partijen kan tot gevolg hebben dat een andere correctiefactor moet worden toegepast.

4.3 CZ, in de persoon van [X], heeft bij brief van 23 november 2010 het vertrouwen in [[verzoekster]] als accountmanager B opgezegd. Bij zijn brief heeft hij een resumé gevoegd waarop hij zijn beslissing heeft gebaseerd. De vraag is of CZ op dat moment al dan niet terecht het vertrouwen in [[verzoekster]] heeft opgezegd.

4.4 De door [[verzoekster]] overgelegde beoordelingen tot en met 2007 laten in zijn algemeen het beeld zien dat [[verzoekster]] gedurende al die jaren voldoende gefunctioneerd heeft. Op 13 mei 2009 werd het functioneren van [[verzoekster]] over het jaar 2008 door CZ voor het eerst als onvoldoende gekwalificeerd. De door CZ gestelde tekortkomingen op de onderdelen “competentie-ontwikkeling” en “algemeen functioneren” hebben er echter niet toe geleid dat concrete leerdoelen geformuleerd werden. Volstaan werd met het benoemen van een tweetal aandachtspunten, te weten samenwerken en ontwikkelen naar CS. Over verplichte coaching of bijscholing voor [[verzoekster]] werd op dat moment, noch op een later moment in 2009 gesproken.

Op 25 mei 2010 vond vervolgens de beoordeling over 2009 plaats. Het eindresultaat van die beoordeling werd in zijn totaliteit als voldoende gekwalificeerd. Alleen het onderdeel “competentieontwikkeling” werd door CZ onvoldoende bevonden, waarbij ter zitting is gebleken dat op dit punt nog het nodige af te dingen is. Immers bij dat onderdeel staat bij het aspect klantgerichtheid in de beoordeling vermeld “Voor wat betreft de klantgerichtheid zie ik dat je meerwaarde als Accountmanager ligt bij de middelgrote en kleinere klanten. Bij grote bedrijven met complexe vraagstukken en meerdere gesprekspartners acht ik een gap aanwezig tussen hetgeen noodzakelijk is en hetgeen je kan leveren.” Tijdens de zitting is komen vast te staan dat [[verzoekster]] slechts 1 middelgrote klant ([A]) bediende, maar geen enkele grote klant. Voor zover [X], zoals door hem ter zitting is gesteld maar door [[verzoekster]] is betwist, met de geciteerde passage heeft bedoeld te zeggen dat [[verzoekster]] in de toekomst moet kunnen doorgroeien naar grote accounts, komt dit in de beoordeling onvoldoende tot uiting.

[X] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij het functioneren van [[verzoekster]] over het jaar 2009 eigenlijk ook nog onder de maat vond, maar dat hij dit niet heeft opgeschreven, omdat hij haar, mede gezien haar reactie op de beoordeling over 2008, positief wilde stimuleren.

Aan die opmerking dient voorbij te worden gegaan. Ook in de beoordeling over 2009 werd door CZ volstaan met het benoemen van een aantal aandachtspunten met betrekking tot communicatie, klantgerichtheid en samenwerking. Zaken zoals verplichte coaching of bijscholing werden opnieuw niet aan [[verzoekster]] voorgesteld of opgelegd. Indien CZ van mening was dat het functioneren van [[verzoekster]] op dat moment zodanig onder de maat was dat op (korte of langere) termijn zelfs ontheffing uit de functie dreigde, dan brengt goed werkgeverschap met zich mee dat CZ [[verzoekster]] hiervoor had moeten waarschuwen. Ook had CZ [[verzoekster]] op dat moment een verplicht verbetertraject moeten laten doorlopen, zo nodig onder inschakeling van externe begeleiding. Dit geldt te meer voor werknemers met zo’n langdurig dienst-verband als [[verzoekster]], waarbij het functioneren op één jaar na (2008) altijd als voldoende door CZ is beoordeeld en waarbij [[verzoekster]] in februari 2010 gelet op haar verkoopresultaten zelfs nog tot “Kwartaalkoningin” is uitgeroepen. CZ heeft nog naar de vastgelegde en door [[verzoekster]] ontvangen bilatverslagen verwezen, waaruit wel degelijk kritiek op haar functioneren zou moeten blijken, maar de kantonrechter is van oordeel dat deze bilatverslagen buiten beschouwing kunnen blijven. Voor zover relevant dient hetgeen in bilatverslagen staat vermeld immers altijd terug te komen in de beoordeling. In de beoordeling over 2009 is geen enkele verwijzing naar welk bilatverslag dan ook terug te vinden.

4.5 Nog geen zes maanden na de beoordeling over 2009 werd op 23 november 2010 door CZ de beslissing genomen om [[verzoekster]] uit haar functie van accountmanager B te ontheffen. Dat het functioneren van [[verzoekster]] in de periode van 25 mei 2010 tot 23 november 2010 wezenlijk is veranderd, is de kantonrechter niet gebleken. Uit de brief van 23 november 2010 en de bij het verweerschrift gevoegde verklaring van [X] van 5 juli 2012 blijkt dat de [Q]-klacht aan de CZ-directie de zogenoemde druppel was die de emmer voor CZ deed overlopen. [X] heeft ter zitting toegelicht van mening te zijn dat [[verzoekster]] naar aanleiding van de eerder door haar ontvangen klacht van [Q] over de uitschrijfdatum van een CZ-zorgpolis zelf met [Q] contact had dienen op te nemen in plaats van de klacht naar de afdeling klachten en geschillen door te zenden. [[verzoekster]] heeft ter zitting verklaard dat zij, alvorens op die klacht van [Q] te reageren, eerst zelf intern wilde onderzoeken of het besluit van de verzekerdenadministratie tot het niet toekennen van restitutie juist was. Hoewel het wellicht verstandiger was geweest om meteen zelf met [Q] contact op te nemen, acht de kantonrechter de verwijzing naar de afdeling klachten en geschillen van CZ door [[verzoekster]], gelet op de langdurige voorgeschiedenis van klachten van [Q] die betrekking hadden op het coulancebeleid van CZ en het daarin door [X] zelf in 2009 nog ingenomen standpunt dat het coulancebeleid voor [Q] niet altijd door kon gaan, niet dusdanig ernstig dat dit een ontheffing van [[verzoekster]] uit haar functie rechtvaardigde. Te meer niet nu de afdeling klachten en geschillen ondanks het verzoek van [[verzoekster]] om de zaak eerst met haar terug te koppelen, meteen afwijzend richting [Q] heeft gereageerd. Daar kon [[verzoekster]] niets aan doen.

4.6 De andere klachten die [X] in zijn resumé heeft genoemd ter onderbouwing van de beslissing van 23 november 2010 om [[verzoekster]] haar functie te ontnemen betreffen:

“[A]

Vorig jaar heeft [A] ook over jou geklaagd. Zij vonden je niveau te laag maar ook hier problemen in de communicatie. Ook hier non-verbaal niet sterk. Meerdere malen heeft [A] getracht de behoefte bij jou aan te geven maar dat is nooit geland. Daadwerkelijke communicatie is er niet geweest, je sprak een andere taal, aldus [A]. Ook de inkopers van [A] (hadden jou nog niet eerder gesproken) vonden je een zwakke indruk maken. Complexe vraagstukken zijn aan jou niet besteed.

[B]

In maart en april 2010 zijn er klachten gekomen van de contactpersonen van [B] over je communicatie Het ging over de toonzetting, herhaaldelijk dezelfde vragen stellen, moeite om dingen te begrijpen. Hoewel niet direct hard te maken had [B] de indruk dat je ook verwachtingen wekt bij klanten die niet nagekomen kunnen worden. Deze klachten zijn met je besproken.

[C]

Via [C] zijn er ook klachten binnengekomen over jou wederom met betrekking tot je stijl van communiceren. Ook dit is met je besproken.

IV-groep

Is een "lastige klant", maar door de wijze van communiceren is duidelijk dat je hier m.i. niet goed mee om kan gaan. De relatie met P&O is verstoord. Ik heb aangeboden hier meer over te sparren maar je hebt dat aanbod nooit ingevuld. Tevens valt het m.i. jou aan te rekenen dat je deze klant niet eerder heeft gewezen op producten die niet passend zijn voor het bedrijf (kosten ongeveer 8.000 euro per jaar zonder toegevoegde waarde).”

Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen ook deze klachten niet de beslissing van CZ van 23 november 2010 rechtvaardigen. Daarbij is van belang dat deze klachten bij CZ reeds bekend waren ten tijde van de beoordeling van [[verzoekster]] over 2009 en dat deze klachten, indien juist (want zij zijn door [[verzoekster]] betwist), door CZ kennelijk niet voldoende ernstig zijn bevonden om [[verzoekster]] in de beoordeling een waarschuwing te geven dat CZ nieuwe klachten van klanten over haar niet meer zou accepteren, met daaraan gekoppeld verplichte coaching of scholing voor [[verzoekster]] om de communicatie met klanten op het door CZ vereiste niveau te brengen. Daarbij komt bovendien nog dat de kantonrechter de door CZ gestelde klacht van de IV-Groep over [[verzoekster]] niet kan plaatsen in het licht van de wens van deze klant om [[verzoekster]] als accountmanager te houden (zie het hierboven in rechtsoverweging 2 onder f. weergegeven bilatverslag van 10 februari 2010). Verder heeft CZ haar stelling, dat de IV-Groep [[verzoekster]] verwijt dat zij € 8.000,- heeft betaald voor producten die niet passend zijn voor het bedrijf, op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de kantonrechter daar verder aan voorbij gaat.

4.7 Uit het bovenstaande volgt dat de beslissing van CZ van 23 november 2010 om [[verzoekster]] uit haar functie te ontheffen op dat moment een deugdelijke grondslag miste. Dat valt CZ, mede gelet op het lange dienstverband en het langdurig voldoende functioneren van [[verzoekster]], bijzonder ernstig te verwijten.

4.8 Ook acht de kantonrechter de wijze waarop CZ heeft gereageerd op de ziekmelding van [[verzoekster]] verwijtbaar. De e-mails van 29 november 2010, 30 november 2010 en 2 december 2010 (producties 42 tot en met 44 bij het verzoekschrift) zetten de verhoudingen nodeloos verder op scherp. Met name de inhoud van de e-mail van 29 november 2010 acht de kantonrechter onbegrijpelijk. Een loonopschorting omdat [[verzoekster]] door haar ziekmelding per

e-mail bij [X] zich niet zou hebben gehouden aan het ziekmeldingsprotocol van CZ, dat voorschrijft dat ziekmeldingen telefonisch dienen te geschieden, acht de kantonrechter in dit geval volstrekt ongepast en in strijd met goed werkgeverschap, mede gelet op het langdurige dienstverband van [[verzoekster]] waarbij zij ter zitting onweersproken heeft aangevoerd dat van ziekte aan haar kant in al die jaren niet of nauwelijks sprake is geweest. In plaats van een loonopschorting had het in de omstandigheden van het geval veel meer voor de hand gelegen wanneer [X] zelf de telefoon had gepakt om [[verzoekster]] naar aanleiding van haar ziekmelding even te bellen. De e-mail van 29 november 2010 acht de kantonrechter temeer onbegrijpelijk, nu [X] zowel op 5 juli 2012 als ter zitting heeft verklaard dat het niet zijn intentie was om [[verzoekster]] buiten spel te zetten, maar dat hij samen met haar op zoek wilde gaan naar een andere passende functie binnen CZ. Dat zou bijvoorbeeld een (nog verder) aangepaste vorm van de functie van Accountmanager kunnen zijn. [X] heeft ter zitting aangegeven dat hij na de ziekmelding van [[verzoekster]] wel degelijk telefonisch contact met haar heeft gezocht, maar dat zij telefonisch niet bereikbaar was. Wat daarvan zij, stelt de kantonrechter vast dat [X] zijn gestelde bedoelingen in geen van de genoemde drie e-mails aan [[verzoekster]] kenbaar heeft gemaakt. In plaats van de-escalerend op te treden, heeft CZ het geschil door de loonopschorting gejuridiseerd met alle gevolgen van dien. Indien [X] in één van de betreffende e-mails zijn bedoelingen duidelijk had gemaakt dan was de arbeidsrelatie tussen partijen wellicht gered.

De onterechte, plotselinge ontheffing van [[verzoekster]] uit haar functie door CZ gevoegd bij het na de ziekmelding door [[verzoekster]] nodeloos verder op scherp stellen van de verhoudingen door CZ, rechtvaardigt op zichzelf een ontbindingsvergoeding met een C-factor ver boven de 1.

4.9 Vervolgens hebben zich echter omstandigheden voorgedaan die een sterk matigende werking op die factor hebben. Na de mailwisseling over de ziekmelding heeft CZ het re-integratietraject naar het oordeel van de kantonrechter goed opgepakt. CZ heeft, nadat [[verzoekster]] enkele keren gesproken had met de bedrijfsarts en een personeelsadviseur van CZ, in de brief van 3 augustus 2011 voorgesteld om voor [[verzoekster]] een functie te creëren in Sittard. Naar het oordeel van de kantonrechter was dit op zich een goed voorstel om uit de ontstane impasse te komen. Van een onnavolgbare koerswijziging, zoals [[verzoekster]] heeft gesteld, was geen sprake, nu het voorstel niet gericht was op re-integratie in haar eigen functie. [[verzoekster]] had dit voorstel niet op voorhand mogen afwijzen. Weliswaar hebben alle betrokken bedrijfsartsen, gelet op de mentale weerbaarheid van [[verzoekster]], hun voorkeur voor een beëindiging van het dienstverband met CZ uitgesproken, zoals [[verzoekster]] ter zitting met juistheid heeft opgemerkt, maar niet gebleken is dat [[verzoekster]] medisch niet in staat was dit voorstel ten minste een kans te geven. Medische verklaringen die daaraan in de weg zouden staan, heeft [[verzoekster]] niet overgelegd.

4.10 Verder acht de kantonrechter voor de uiteindelijke bepaling van de C-factor ook van belang dat [[verzoekster]] al op 6 september 2011 aan de bedrijfsarts kenbaar had gemaakt dat zij niets voor een gecreëerde functie binnen CZ voelde. Dat zo zijnde had zij op dat moment al ontbinding kunnen en moeten vragen. Immers was toen voor [[verzoekster]] al duidelijk dat zij niet meer, ook niet in een andere functie, voor CZ werkzaam wilde zijn.

4.11 CZ heeft, nadat een tweetal beëindigingsvoorstellen van haar door [[verzoekster]] waren afgewezen, nog getracht om via mediation tot een oplossing te komen. De in februari/maart 2012 tussen partijen plaatsgevonden mediationgesprekken hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Het op het UWV-deskundigenoordeel gebaseerde standpunt van [[verzoekster]] dat het mediationtraject te laat door CZ is ingezet deelt de kantonrechter, gelet op de periode die hieraan vooraf is gegaan en de opstelling die [[verzoekster]] in die periode heeft ingenomen, niet.

4.12 De onterechte afwijzing door [[verzoekster]] van het voorstel om in Sittard een nieuwe functie te creëren en het lange wachten met het indienen van een ontbindingsverzoek door [[verzoekster]] hebben een sterk matigend effect op de C-factor.

4.13 Al het bovenstaande vertalend naar de C-factor is de kantonrechter van oordeel dat die in dit geval op 1 dient te worden gesteld, omdat het uiteindelijk aan beide partijen in gelijke mate verwijtbaar is dat er per 1 september 2012 een einde komt aan de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst. Een C-factor van 1 komt overeen met een bedrag van € 185.625,- bruto.

4.14 CZ heeft nog gewezen op aanbeveling 3.1 van de Kring van Kantonrechters onder verwijzing naar door haar overgelegde berekeningen van inkomstenderving. [[verzoekster]] heeft de juistheid van deze berekeningen betwist omdat daarin geen rekening is gehouden met het niet door CZ weersproken feit dat [[verzoekster]] als inwoonster van België geen aanspraak kan maken op een Nederlandse WW-uitkering, terwijl de Belgische werkloosheidsuitkering veel lager is. In de berekeningen van CZ is namelijk wel van een Nederlandse WW-uitkering uitgegaan. Reeds daarom zal de kantonrechter aan de berekeningen van CZ voorbij gaan.

4.15 Omdat aan [[verzoekster]] een lagere vergoeding is toegekend dan waarom zij heeft verzocht zal de kantonrechter haar ingevolge het bepaalde in artikel 7:685 lid 9 BW in de gelegenheid stellen haar verzoek in te trekken. Ook aan CZ zal die gelegenheid worden geboden nu zij in haar verzoekschrift geen vergoeding heeft aangeboden.

4.16 Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De kantonrechter:

t.a.v. het verzoek van [[verzoekster]]

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 september 2012, onder toekenning aan [[verzoekster]], ten laste van CZ, van een vergoeding van € 185.625,- bruto;

- stelt [[verzoekster]] in de gelegenheid om tot uiterlijk 30 augustus 2012 om 10.00 uur haar verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan (de gemachtigde van) CZ;

t.a.v. het verzoek van CZ

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 september 2012, onder toekenning aan [[verzoekster]] van een vergoeding van € 185.625,- bruto ten laste van CZ;

- stelt CZ in de gelegenheid om tot uiterlijk 30 augustus 2012 om 10.00 uur haar verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan (de gemachtigde van) [[verzoekster]];

en bij handhaving van het verzoek door [[verzoekster]] en/of CZ

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, gelegen in verandering in de omstandigheden met ingang van 1 september 2012;

- kent aan [[verzoekster]], ten laste van CZ, een vergoeding toe van € 185.625,- bruto en veroordeelt CZ om die vergoeding binnen 30 dagen na de ontbinding aan [[verzoekster]] te betalen;

en zowel bij intrekking als bij handhaving van het verzoek door [[verzoekster]] en/of CZ

- compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.