Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX7596

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
11/6469
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is eigenaar van een perceel grond. Ter zake van dit perceel heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende wegens gebruik van het perceel aanslagen onroerendezaakbelastingen opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank dienen die aanslagen te worden vernietigd, nu met betrekking tot het perceel sedert de verwerving daarvan door belanghebbende geen activiteiten hebben plaatsgevonden anders dan de aanvraag van een bouwvergunning. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 6 januari 2012, nr. 10/02780, BNB 2012/60, LJN BV0250, kan belanghebbende niet worden aangemerkt als gebruiker van het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2260
V-N 2012/53.23.13
Belastingblad 2012/561
FutD 2012-2386
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 11/6466, 11/6468 en 11/6469

Uitspraakdatum: 4 juli 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Moerdijk,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de heffingsambtenaar van 11 november 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslagen onroerende-zaakbelastingen 2009, 2010 en 2011.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [gemachtigde], vergezeld van zijn gemachtigde, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] N.V. te Tilburg, en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar en de aanslagen onroerende-zaakbelastingen;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 874;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 302 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende drijft een onderneming die zich bezighoudt met projectontwikkeling. In dat kader heeft zij ruim tien jaar geleden twee percelen te [plaats X] gekocht. Zij heeft het plan ontwikkeld om op deze percelen zogenoemde business houses (bedrijfspanden) te ontwikkelen. Voor de bouw van zes kantoorgebouwen heeft zij een bouwvergunning aangevraagd die op 1 november 2001 is verleend. Een van de percelen met het adres [adres X] te [plaats X] is vervolgens opgesplitst in drie percelen, kadastraal bekend [perceel 1], [perceel 2] en [perceel 3]. Belanghebbende heeft op die percelen een deel van het plan ontwikkeld, te weten de bouw van drie kantoorgebouwen. Deze drie percelen heeft zij in de jaren 2002, 2003 en 2008 opeenvolgend overgedragen aan derden. Het aan deze percelen grenzende andere perceel, plaatselijk bekend [adres Y] te [plaats X], en kadastraal bekend [perceel 4], heeft zij nog steeds in eigendom (hierna: de onroerende zaak). Dit perceel betreft een braakliggend terrein. De uitvoering van de bouw van de andere drie kantoorgebouwen heeft nog niet plaatsgevonden.

2.2. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2009, 2010 en 2011 wegens gebruik van de onroerende zaak [adres X] te [plaats X] aanslagen in de onroerende zaakbelastingen van de gemeente [plaats X] opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats X] (hierna: de heffingsambtenaar) zijn gehandhaafd.

2.3. In geschil is of belanghebbende terecht is aangeslagen wegens het gebruik van de onroerende zaak, hetgeen zij betwist.

2.4. Belanghebbende heeft primair gesteld dat de aanslagen zien op het adres [adres X] te [plaats X] en dat zij bij het begin van de desbetreffende kalenderjaren het met dat adres aangeduide perceel niet gebruikte. Deze stelling faalt. Nu zij aan het begin van de belastingjaren de eigendom had van de onroerende zaak, moet aan belanghebbende immers aanstonds duidelijk zijn geweest dat de aanslagen op geen ander perceel betrekking hebben dan de onroerende zaak. Dat dit ook aan belanghebbende duidelijk is geweest, blijkt uit het bezwaarschrift, waarin de directeur van belanghebbende vermeldt dat het onderhavige aanslagadres [adres X] te [plaats X] braakliggende grond betreft.

2.5. Subsidiair heeft belanghebbende aangevoerd dat geen sprake is van gebruik van de onroerende zaak in de zin van artikel 220, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet en de daarmee overeenstemmende bepaling van de Verordening onroerende-zaakbelastingen 2009, 2010 en 2011 van de gemeente [plaats X].

2.6. Ten aanzien van de subsidiaire stelling heeft de heffingsambtenaar zich op het standpunt gesteld dat het braak laten liggen van grond waar een bouwvergunning (waaraan gedeeltelijk uitvoering is gegeven) op rust, een vorm is van het metterdaad bezigen ter bevrediging van de eigen behoefte.

2.7. Bij de beoordeling van de subsidiaire stelling stelt de rechtbank voorop dat de Hoge Raad in het arrest van 6 januari 2012, nr. 10/02780, BNB 2012/60, LJN BV0250, onder meer het volgende heeft overwogen:

“Als gebruiker van een onroerende zaak in de zin van artikel 220, aanhef en letter a, van de Gemeentewet kan worden aangemerkt degene die de zaak metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn behoeften (vgl. HR 7 oktober 1998, nr. 33767, LJN AA2318, BNB 1999/5 ). Daarvan is geen sprake in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende sedert de verwerving van percelen bouwgrond op of aan de onroerende zaak zelf nog in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht en deze slechts aanhoudt in afwachting van het definitief vaststaan van de voor de voorgenomen bouwactiviteiten vereiste vergunningen. De enkele omstandigheid dat de onroerende zaak intussen aan belanghebbende ter beschikking stond is op zichzelf onvoldoende om belanghebbende als gebruiker in voormelde zin te kunnen aanmerken (vgl. HR 22 juli 1985, nr. 22649, BNB 1985/258 ).”

2.8. Nu met betrekking tot de onroerende zaak sedert de verwerving daarvan door belanghebbende geen activiteiten hebben plaatsgevonden anders dan de aanvraag van een bouwvergunning voor het realiseren van kantoorgebouwen, kan, gelet op voormeld arrest van de Hoge Raad, naar het oordeel van de rechtbank belanghebbende niet worden aangemerkt als gebruiker van de onroerende zaak.

2.9. Aan dat oordeel kan niet afdoen de stelling van de heffingsambtenaar dat reeds gedeeltelijk uitvoering is gegeven aan de verleende bouwvergunning. Uit de hiervoor in onderdeel 2.1 vastgestelde feiten blijkt immers dat aan de bouwvergunning wel uitvoering is gegeven met betrekking tot de percelen, kadastraal bekend [perceel 1], [perceel 2] en [perceel 3], maar niet met betrekking tot de onroerende zaak.

2.10. Aan dat oordeel kan eveneens niet afdoen hetgeen de heffingsambtenaar ter zitting heeft aangevoerd, te weten dat de weg die is gelegen tussen de percelen, kadastraal bekend [perceel 1], [perceel 2] en [perceel 3], en de onroerende zaak, deel uitmaakt van de onroerende zaak en dat om deze weg aan te leggen er activiteiten hebben plaatsgevonden.

2.11. Belanghebbende heeft daartegenover – onweersproken – het volgende gesteld. De weg lag er al. Zij heeft die moeten verleggen ten behoeve van het terrein van het havenschap en van de douane, dat achter de onroerende zaak is gelegen. Het is een openbare weg. In de aankoopakte van de onroerende zaak is bepaald dat belanghebbende die weg om niet moet terug leveren aan het havenschap.

2.12. Nu ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van een openbare weg, leveren de ten behoeve van de weg gepleegde activiteiten niet op een metterdaad bezigen ter bevrediging van haar behoeften als bedoeld in het hiervoor in onderdeel 2.7 vermelde arrest van de Hoge Raad. Hetzelfde heeft te gelden voor de stelling van de heffingsambtenaar dat uit een advertentie blijkt dat de nog te bouwen objecten ook te huur worden aangeboden, omdat vaststaat dat op of aan de onroerende zaak zelf geen bouwactiviteiten hebben plaatsgevonden.

2.13. Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen gegrond zijn en dat moet worden beslist als hiervoor is vermeld.

3. Proceskostenveroordeling

3.1. Nu de beroepen gegrond zijn, vindt de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beschouwt de zaken met procedurenummers AWB 11/6466, 11/6468 en 11/6469 als samenhangende zaken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor door een derde verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

3.2. Met betrekking tot een veroordeling in de proceskosten heeft belanghebbende aangevoerd dat de heffingsambtenaar een onverdedigbaar standpunt heeft ingenomen waarvan op het moment van het doen van de uitspraak op bezwaar al duidelijk was dat het in een daartegen ingestelde beroepsprocedure geen stand zal houden. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit de heffingsambtenaar dient de worden veroordeeld tot vergoeding van de werkelijk kosten. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding. Niet gezegd kan worden dat de heffingsambtenaar, doordat hij zijn onjuist bevonden standpunt heeft ingenomen, een verwijt treft in bovenbedoelde zin. Ten tijde van het doen van de uitspraak op bezwaar was de stand van de jurisprudentie immers niet zodanig dat het een uitgemaakte zaak was dat het standpunt van de heffingsambtenaar onhoudbaar was.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2012 door mr. J.W.M. Tijnagel, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr.drs. M.H. van Schaik, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 16 juli 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.