Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX7589

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-07-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
10/3534
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbenden, twee zussen, zijn een vennootschap onder firma aangegaan met als doel het exploiteren van een projectontwikkelingsbedrijf. De rechtbank komt tot het oordeel dat ten aanzien van deze activiteiten geen sprake is van winst uit onderneming. De rechtbank acht de activiteiten van belanghebbenden en de daaruit voortvloeiende omzet en winst te beperkt qua samenstelling en omvang. Belanghebbenden schakelen bovendien voor bijna alle activiteiten deskundigen in.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2198
FutD 2012-2371
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/3534

Uitspraakdatum: 13 juli 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Roermond,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.888.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 juli 2010 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 26 augustus 2010, ontvangen bij de rechtbank op 27 augustus 2010, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. De inspecteur heeft voor de zitting een pleitnota met 2 bijlagen gefaxt aan de rechtbank en de wederpartij, welke pleitnota wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De rechtbank rekent deze pleitnota met 2 bijlagen tot de stukken van het geding.

1.7. Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2011 te Breda. Tijdens deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers 10/3532 en 10/3533 ten name van [zus belanghebbende] en 10/3534 en 10/3535 ten name van belanghebbende. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigden], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Meerssen en namens de inspecteur [gemachtigde] en [controleur] (controleur). Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 14 december 2011 aan partijen is gestuurd.

1.8. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat voor een onderzoek naar de feitelijke activiteiten van belanghebbende.

1.9. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2012 te Roermond. Tijdens deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de procedurenummers 10/3532 en 10/3533 ten name van [zus belanghebbende] en 10/3534 en 10/3535 ten name van belanghebbende. Aldaar zijn verschenen en gehoord, [zus belanghebbende], de zus van belanghebbende, met haar echtgenoot en de gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Meerssen en namens de inspecteur [gemachtigde] en [controleur] (controleur). De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op dezelfde datum als deze uitspraak aan partijen is gezonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, geboren [datum] 1956, en haar zus, [zus belanghebbende] (hierna samen belanghebbenden), geboren op [datum] 1955, zijn op 1 januari 2006 een vennootschap onder firma aangegaan met de naam [VOF] (hierna: [VOF]). [VOF] heeft ten doel het exploiteren van een projectontwikkelingsbedrijf. [VOF] is gevestigd op het adres [adres VOF] te [woonplaats] (adres belanghebbende). Beide vennoten hebben volgens de akte het volgende ingebracht:

“Artikel 4: Inbreng

Lid 1: Door ieder van de vennoten wordt ingebracht zijn kennis, arbeid en vlijt, relaties en vergunningen voor zover deze op de door de vennootschap te drijven onderneming betrekking hebben.

Lid 2: Door vennoot sub 1 worden de volgende activa ingebracht: een geldbedrag dat kan oplopen tot maximaal twee honderd vijfentwintig duizend euro (€ 225.000,-).

Door vennoot sub 2 worden de volgende activa ingebracht: een geldbedrag dat kan oplopen tot maximaal twee honderd vijfentwintig duizend euro (€ 225.000,-).

Tot het bedrijf worden geen onroerende zaken ingebracht.”

In het ondernemingsplan van [VOF] staat onder andere het volgende:

“Strategie [VOF] 2006-2010

(..)

1. De activiteiten van [VOF] richten zich op:

a) de aankoop van bouwpercelen,

b) de ontwikkeling van bouwprojecten,

c) de realisatie van deze projecten en ten slotte,

d) de verkoop van de projecten.

(…)

8. Aanschaf bouwpercelen gebeurt in eigen beheer.

9. Ontwikkeling bouwproject gebeurt in samenwerking met een betrouwbare en bekwame architect met een redelijke prijs/kwaliteit verhouding.

10. Realisatie bouwproject is in samenwerking met een betrouwbare en bekwame aannemer met een redelijke prijs/kwaliteit verhouding.

11. Verkoop van objecten in samenwerking met een betrouwbare en bekwame makelaar met een redelijke prijs/kwaliteit verhouding, op termijn mogelijk in eigen beheer.”

2.2.1. Belanghebbenden hebben op [datum] 2004 in privé een stuk bouwgrond gekocht aan de [adres] te [plaats] voor een bedrag, inclusief kosten, van € 141.020. Deze grond is, in dezelfde staat, in februari 2008 door [VOF] verkocht voor een bedrag van € 170.000.

2.2.2. Belanghebbenden hebben in 2006 in privé een stuk bouwgrond gekocht aan de [adres] te [plaats] voor een bedrag van € 94.420. [VOF] heeft voor dit stuk grond door een architect een tekening van een huis laten maken. Hierna heeft [VOF] een aannemer dit huis laten bouwen. De grond en het huis zijn samen in december 2008 verkocht en in april 2009 geleverd.

2.2.3. [VOF] heeft in 2007 een stuk bouwgrond van 678 m2 gekocht te [plaats] ([plaats]) voor een bedrag, inclusief kosten, van € 103.260. Deze grond is niet verkocht.

[VOF] heeft in 2007 een stuk bouwgrond van 896 m2 in [plaats] gekocht voor een bedrag, inclusief kosten, van € 112.218,66. Deze grond is niet verkocht.

[VOF] heeft in 2008 een stuk bouwgrond gekocht aan de [adres] te [plaats] voor een bedrag van € 135.000. Deze grond is niet verkocht.

2.2.4. [VOF] heeft voor de verkoop van alle onder 2.2 genoemde onroerende zaken een exclusieve opdracht verleend aan [makelaar] BVBA, een makelaar uit [plaats].

2.3. Belanghebbende werkt in het onderhavige jaar in dienstbetrekking, bij [onderneming] in [plaats] voor 24 uur per week.

2.4. Belanghebbende heeft over 2006 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.697. Hierin heeft zij winst uit onderneming voor een bedrag van nihil opgenomen. Tevens heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op de zelfstandigenaftrek. De belastbare winst uit onderneming bedroeg daardoor -/- € 8.885.

2.5. Op 13 maart 2009 heeft de belastingdienst een startersbezoek gebracht aan [VOF]. Dit onderzoek is uitgemond in een boekenonderzoek. Het rapport van dit onderzoek draagt als datum 30 november 2009 en is aan belanghebbende gezonden. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een onderneming. Met dagtekening 18 december 2009 heeft de inspecteur de definitieve aanslag voor het onderhavige jaar opgelegd. De inspecteur heeft hierbij, naar aanleiding van de door de gemachtigde van belanghebbende gemaakt aangepaste jaarrekeningen, resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen voor een bedrag van -/- € 4.694 en de zelfstandigenaftrek gecorrigeerd. Het belastbare inkomen uit werk en woning is door de inspecteur vastgesteld op een bedrag van € 10.888.

3. Geschil

3.1. In geschil is of ten aanzien van de in 2.1 en 2.2 bedoelde activiteiten sprake is van winst uit onderneming. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord is nog in geschil of belanghebbende voldoet aan het urencriterium en derhalve recht heeft op de zelfstandigenaftrek. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen ter zittingen hieraan is toegevoegd wordt verwezen naar de processen-verbaal van de zittingen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank verstaat, vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.697. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 3.4 van de Wet IB 2001 is ondernemer de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Van een onderneming, zoals bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, is sprake als met een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal wordt beoogd winst te behalen door deelname aan het economische verkeer en die winst ook redelijkerwijs te verwachten is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een onderneming moet onder meer worden gelet op de duurzaamheid en de omvang van de verrichte werkzaamheden, de beschikbare tijd, de winstverwachting, het ondernemersrisico, de omvang van de bruto-inkomsten, de omvang van de investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.

4.2. De rechtbank leidt uit hetgeen partijen in de stukken en ter zittingen naar voren hebben gebracht af, dat de werkzaamheden van belanghebbenden in 2006 niet als een onderneming kunnen worden aangemerkt. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de activiteiten en de daaruit voortvloeiende omzet en “winst” te beperkt qua samenstelling en omvang zijn en dat bovendien voor bijna alle activiteiten deskundigen ingeschakeld worden. De activiteiten die binnen de organisatie van arbeid en kapitaal worden verricht zijn dan te beperkt. Verder speelt een rol dat belanghebbenden vanaf 2008 geen verdere investeringen meer hebben gedaan, zodat er geen sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die gericht was op het maken van winst. Ten aanzien van het risico overweegt de rechtbank dat dit risico voornamelijk beperkt blijft tot een eventuele waardevermindering op de onroerende zaken. Dit is te weinig om te kunnen spreken van ondernemersrisico, nu dit risico door iedere belegger in onroerende zaken wordt gelopen. Belanghebbenden hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij zich richten op bekendheid naar buiten toe. Alle verkopen lopen via een makelaar en van een actieve presentatie als bemiddelaar in projectontwikkeling is geen sprake. De rechtbank erkent dat belanghebbenden veel tijd hebben besteed aan de activiteit, maar constateert dat de bezigheden in die tijd voornamelijk zijn gericht op het zelf verkrijgen van kennis en vaardigheden voor die bemiddeling en niet zo zeer op het krijgen van omzet en winst door de bemiddeling in de projectontwikkeling.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de in 4.2 bedoelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, in het onderhavige jaar geen sprake was van een onderneming in voormelde zin. Er is in dat geval terecht door partijen er van uitgegaan dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheid.

4.4. Nu geen sprake is van winst uit onderneming, heeft belanghebbende geen recht op de zelfstandigenaftrek en kan dit geschilpunt verder onbesproken blijven.

4.5. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Poceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Belissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg- Braspenning, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 23 juli 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.