Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX7354

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
14-09-2012
Zaaknummer
12/4581
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder bestuursdwang i.v.m. strijdig gebruik bestemmingsplan. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Terreingedeelte met de bestemming ‘Sportdoeleinden’ wordt als kampeerterrein gebruikt. Verweerder is bevoegd om handhavend op te treden. Vergunning ingevolge de Wet op de openluchtrecreatie (Wor) is, met de intrekking van de Wor, vervallen. Voor het standpunt, dat met het verlenen van de Wor-vergunning (impliciet) vrijstelling van het gebruiksverbod van het bestemmingsplan is verleend, valt in de stukken geen steun te vinden. Dat het bestemmingsplan bijna 40 jaar oud is, betekent niet dat verweerder op basis van dat bestemmingsplan niet zou mogen handhaven. Verweerder is niet verplicht tot het vaststellen van kampeerbeleid. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan verweerder van handhavend optreden moet afzien. Begunstigingstermijn van zeven dagen is redelijk. Verzoekster wordt ambtshalve een nieuwe termijn van zeven dagen gegund om aan de lastgeving te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/4581 GEMWT VV

uitspraak van 14 september 2012 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], te Rijsbergen, verzoekster,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van verweerder van 23 augustus 2012 (bestreden besluit) inzake het opleggen van een last onder bestuursdwang. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, alsmede [woordvoerder 1] en [woordvoerder 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder 1], [woordvoerder verweerder 2] en [woordvoerder verweerder 3].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster exploiteert de camping ‘Fort Oranje’ aan de Bredaseweg 33 te Rijsbergen. Verweerder heeft geconstateerd dat het perceelsgedeelte, dat is bestemd als sportterrein, wordt gebruikt voor het plaatsen van diverse kampeermiddelen waarin personen verblijven. Bij brief van 17 augustus 2012 heeft verweerder verzoekster erop gewezen dat dit gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Bovendien ontbreken volgens verweerder de noodzakelijke voorzieningen voor een dergelijk gebruik. Verweerder heeft daarbij aangekondigd voornemens te zijn een last onder bestuursdwang aan verzoekster op te leggen. Verzoekster heeft daartegen haar zienswijze kenbaar gemaakt.

Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit verzoekster gelast om het gebruik van bovenvermeld terrein als kampeerterrein, dan wel het (laten) plaatsen van kampeermiddelen, uiterlijk 29 augustus 2012 te (doen) beëindigen. Dat houdt in dat alle aanwezige kampeermiddelen en de twee opstallen (elk ca. 8 m²) van dit terreingedeelte moeten worden verwijderd en niet meer mogen worden teruggeplaatst. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat, indien verzoekster niet tijdig of niet geheel aan de lastgeving voldoet, hij met toepassing van bestuursdwang deze last zal uitvoeren, waarbij de kosten voor het toepassen van bestuursdwang bij de overtreder in rekening zullen worden gebracht.

Verweerder heeft bij brief van 29 augustus 2012 aangegeven, dat hij heeft besloten om niet over te gaan tot het daadwerkelijk toepassen van verdere bestuursdwangmaatregelen, alvorens de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

2. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is om handhavend op te treden. Zij betwist – onder meer – dat zij het in geding zijnde terreingedeelte in strijd met het bestemmingsplan gebruikt. Op 16 november 1999 is aan haar een vergunning verleend ingevolge de Wet op de openluchtrecreatie (Wor). Het in geding zijnde terreingedeelte is op de bij die vergunning gevoegde plattegrond ingetekend als ‘toeristische plaatsen’ en ‘kort kampeerveld’. Volgens verzoekster heeft verweerder met de vergunning op grond van de Wor mede vrijstelling verleend van de gebruiksbepalingen van het bestemmingsplan. Verzoekster wijst erop, dat verweerder op zich terecht heeft gesteld dat de vergunning van 16 november 1999 per 1 januari 2008 is vervallen, maar dat verweerder vervolgens volstrekt tekort is geschoten in haar verplichting om kampeerbeleid vorm te geven.

Verzoekster geeft aan dat verweerder in het bestreden besluit niet duidelijk heeft gemaakt op grond van welke eisen hij heeft gesteld dat er sprake is van onvoldoende hygiëne en stroomvoorziening. De klachten over onveiligheid en overlast zijn volgens verzoekster onvoldoende onderbouwd. In dat verband wijst verzoekster er tevens op dat verplaatsing van de kampeermiddelen naar een andere locatie op het kampeerterrein geen einde zal maken aan die vermeende overlast.

Verzoekster geeft aan dat uitvoering van het bestreden besluit verstrekkende gevolgen voor haar zal hebben, zowel financieel als materieel. Zij heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht het bestreden besluit te schorsen, of om een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

4. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

5. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder op goede gronden een last onder bestuursdwang aan verzoekster heeft opgelegd. In dat kader dient in eerste instantie de vraag te worden beantwoord, of verweerder in dit geval bevoegd is om handhavend op te treden.

5.1. Het perceel Bredaseweg 33 te Rijsbergen is gelegen in het bestemmingsplan “Kampeerterrein Fort Oranje”, vastgesteld op 19 december 1974, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 25 juni 1975. Op het in geding zijnde terreingedeelte rust de bestemming ‘Sportdoeleinden’.

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden, waarin een algemeen verbod is opgenomen om gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Ook daarin is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Uit de Invoeringswetten Wro en Wabo volgt, dat deze algemene gebruiksverboden niet van toepassing zijn op een op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) tot stand gekomen bestemmingsplan, als hier aan de orde. Verweerder heeft derhalve terecht het gebruiksverbod, dat is opgenomen in het bestemmingsplan, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Ingevolge artikel 9, lid A, van de planvoorschriften mogen op de tot ‘Sportdoeleinden’ bestemde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen tribunes zijnde, worden gebouwd, die direkt voor het beoefenen van veldsporten benodigd zijn, met dien verstande, dat de bebouwingshoogte maximaal 2 meter mag bedragen, met uitzondering van lichtmasten en als ballenvanger bedoelde konstrukties.

Artikel 9, lid B, van de planvoorschriften bepaalt – voor zover van belang – dat het verboden is gronden gelegen binnen de bestemming ‘Sportdoeleinden’ te gebruiken:

1. als staanplaats voor onderkomens en als staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;

2. […];

6. als kampeer- of caravanterrein, dagcamping, parkeerterrein en als zwemgelegenheid;

7. […].

5.2. Niet in geschil is dat het in geding zijnde terrein in strijd met de ter plaatse geldende bestemming wordt gebruikt, namelijk als kampeerterrein. Van strijd met het bestemmingsplan is volgens verzoekster evenwel geen sprake en zij heeft in dat verband verwezen naar de verleende vergunning op grond van de Wor van 16 november 1999. Vaststaat dat deze vergunning, met de intrekking van de Wor, is komen te vervallen. Evenmin is in de verleende Wor-vergunning of in een ander stuk steun te vinden voor het standpunt van verzoekster, dat met het verlenen van de Wor-vergunning (impliciet) vrijstelling is verleend van het gebruiksverbod van het bestemmingsplan.

Uit artikel 3.1, tweede lid, van de Wro volgt dat een bestemmingsplan elke tien jaar opnieuw moet worden vastgesteld. Vastgesteld kan worden dat verweerder niet overeenkomstig de Wro heeft gehandeld, nu niet is gebleken dat het geldende bestemmingsplan sinds 1974 opnieuw is vastgesteld en dus bijna 40 jaar oud is. Dat betekent echter niet dat verweerder op basis van dat bestemmingsplan niet zou kunnen handhaven; voor dat standpunt valt in de Wro of in andere regelgeving geen steun te vinden.

De omstandigheid, dat verweerder na de intrekking van de Wor geen eigen kampeerbeleid heeft ontwikkeld, doet niet af aan de bevoegdheid van verweerder om het bestemmingsplan te handhaven. De Wor is ingetrokken onder meer vanuit het oogpunt van deregulering. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat voor camping ‘Fort Oranje’ een adequate regeling bestaat, namelijk het bestemmingsplan, en dat hij daarom geen noodzaak ziet tot het vaststellen van kampeerbeleid. De voorzieningenrechter acht dat niet onredelijk.

Op basis van het voorgaande heeft verweerder, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, op goede gronden geoordeeld dat verzoekster het in geding zijnde terreingedeelte in strijd met het bestemmingsplan gebruikt. In zoverre moet verweerder bevoegd worden geacht om daartegen handhavend op te treden.

Verzoekster heeft haar veronderstelling, dat verweerder zijn handhavingsbevoegdheid misbruikt om de ‘Ierse travellers’ weg te krijgen, niet met bewijsstukken gestaafd noch anderszins aannemelijk gemaakt. Het beroep van verzoekster op het verbod van détournement de pouvoir kan dan ook niet slagen.

6. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) moet – in geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift – het bestuursorgaan, dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. In dit kader heeft de AbRS overwogen dat slechts onder bijzondere omstandigheden van het bestuursorgaan mag worden gevergd niet over te gaan tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of dwangsom, en dat zich dit kan voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat dan wel indien handhaving zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen, dat hij niet bereid is tot legalisering van de overtreding, omdat dat een ongewenste planologische ontwikkeling zou zijn. Verzoekster heeft geen argumenten aangevoerd, op grond waarvan moet worden aangenomen dat er concreet zicht op legalisering bestaat. Wel zijn er volgens verzoekster bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhavend optreden moet afzien. Verzoekster heeft aangegeven, dat het in geding zijnde terreingedeelte sinds een eerdere handhavingsactie van verweerder in 2008 onafgebroken is gebruikt als kampeerterrein. Volgens verzoekster heeft verweerder dat bij regelmatige controles ter plaatse kunnen constateren. Volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld AbRS 18 januari 2012, LJ-nummer BV1204) is tijdsverloop, ongeacht de duur ervan, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan van handhaving behoort te worden afgezien. Ook aan de omstandigheid, dat verweerder wellicht eerder strijdig gebruik heeft geconstateerd of heeft kunnen constateren en daartegen niet is opgetreden, kan verzoekster niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen, dat zij dat gebruik permanent mag voortzetten.

Verzoekster heeft voorts opgemerkt, dat het verplaatsen van de overlast geen oplossing voor het probleem zal zijn. De voorzieningenrechter stelt vast, dat niet de klachten over overlast aan het bestreden besluit ten grondslag hebben gelegen, maar het planologisch strijdig gebruik. Overigens heeft de voorzieningenrechter op basis van de overgelegde gedingstukken niet kunnen vaststellen, dat de ‘Ierse travellers’ overlast veroorzaken op het in geding zijnde terreingedeelte. De voorzieningenrechter ziet daarin dan ook geen aanleiding voor het oordeel, dat verweerder om die reden van handhavend optreden moet of had moeten afzien.

7. Op basis van het voorgaande heeft verweerder, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, op goede gronden een last onder bestuursdwang aan verzoekster opgelegd. Tegen de door verweerder vastgestelde begunstigingstermijn van zeven dagen heeft verzoekster geen gronden aangevoerd. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat deze termijn redelijk is.

8. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel, dat het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting rechtens stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet dan ook onvoldoende aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen. Gelet evenwel op het feit, dat de bij het bestreden besluit vastgestelde begunstigingstermijn inmiddels is verstreken, zal de voorzieningenrechter verzoekster ambtshalve een nieuwe termijn van zeven dagen gunnen om aan de lastgeving te voldoen. Dat betekent dat verzoekster tot en met donderdag 20 september 2012 in de gelegenheid is om aan de in het bestreden besluit omschreven last te voldoen.

9. Omdat het verzoek is afgewezen, is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

bepaalt dat verzoekster een nieuwe begunstigingstermijn van zeven dagen krijgt om aan de in het bestreden besluit omschreven last te voldoen, te rekenen vanaf de datum van de uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 14 september 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.