Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX6407

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-08-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
250928 FT/RK 12.1059
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing WSNP, 10-jaarstermijn, hardheidsclausule

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Team insolventierecht

afwijzing schuldsanering

rekestnummer: 250928 FT/RK 12.1059

nummer verklaring: BRE0111002834

uitspraakdatum: 6 augustus 2012

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te Landsheerstraat 24

4811 SM Breda,

verzoeker.

1. Het verloop van de procedure.

- Het verzoekschrift met bijlagen;

- De aantekeningen van de griffier van de zitting van 16 juli 2012.

2. Het geding.

Dit strekt ertoe te beoordelen of de schuldsaneringsregeling kan worden verleend.

3. De beoordeling.

3.1 Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 30 juli 2012. Daarbij is verzoeker gehoord.

3.2 De rechtbank overweegt als volgt.

3.3 Gebleken is dat ten aanzien van verzoeker de schuldsaneringsregeling eerder van toepassing is geweest in de periode van 16 mei 2006 tot 11 augustus 2008. Deze toepassing is op laatstgenoemde datum beëindigd op grond van artikel 350 lid 3, onder c en d, Faillissementswet (Fw). In het betreffende vonnis van 11 augustus 2008 heeft de rechtbank overwogen dat "genoegzaam is komen vast te staan dat schuldenaar zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren nakomt, nu hij de bewindvoerder ook na 24 januari 2008 geen enkele informatie heeft verstrekt en geen bewijsstukken van sollicitaties heeft toegezonden. Daarnaast heeft schuldenaar vanaf mei 2008 geen boedelbijdrage meer betaald en heeft hij, naast de reeds op 24 januari 2008 bestaande nieuwe schulden in verband met onterecht ontvangen huur- en zorgtoeslagen, een nieuwe schuld laten ontstaan bij CZ-actief.".

3.4 Ingevolge artikel 288 lid 2, aanhef en onder d, Fw wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van artikel 350 lid 3, onder a of b, Fw of op grond van artikel 350 lid 3, onder d, Fw, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen. Met de invoering van de wet van 24 mei 2007 (Stb. 192), houdende wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, heeft de wetgever bewust – ter vervanging van de vóór 1 januari 2008 geldende facultatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2, onder a, Fw – gekozen voor de imperatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2, aanhef en onder d, Fw. Met deze wijziging – zo valt af te leiden uit de parlementaire geschiedenis – is beoogd invulling te geven aan een van de hoofddoelstellingen van de nieuwe regeling, te weten beheersing van het toenemende beroep op de schuldsaneringsregeling en de daarmee gepaard gaande toenemende werklast voor rechter en bewindvoerder.

3.5 De rechtbank begrijpt uit de overwegingen van het beëindigingsvonnis van 11 augustus 2008, alsmede uit hetgeen verzoeker ter gelegenheid van de zitting heeft opgemerkt, dat de drie in artikel 288 lid 2, aanhef en onder d, Fw genoemde uitzonderingen zich in het onderhavige geval niet voordoen. Aldus leidt naar het oordeel van de rechtbank het imperatieve karakter van de onderhavige afwijzingsgrond ertoe dat het verzoek dient te worden afgewezen.

3.6 Aan dit oordeel kan niet afdoen hetgeen verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek heeft aangevoerd, namelijk – samengevat – dat de kans op een schone lei is toegenomen doordat er meer structuur en regelmaat in zijn leven is gekomen, hij meer inzicht en overzicht heeft gekregen in zijn schuldenpositie, hij begeleid wordt in het kader van budgetbeheer en hij voorts in een sociaal en emotioneel betere positie is komen te verkeren. Weliswaar kent artikel 288 lid 3 Fw een hardheidsclausule voor schuldenaren waarvan is gebleken dat zij hun eerdere problematiek onder controle hebben, maar in deze bepaling wordt toepassing van de hardheidsclausule nadrukkelijk beperkt tot de twee daar genoemde gevallen, namelijk het ontbreken van ‘goede trouw’ en de aanwezigheid van strafrechtelijk gerelateerde schulden. Deze gevallen doen zich in de onderhavige situatie niet voor.

3.7 Voor een uitbreiding van de toepassing van de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 Fw naar het onderhavige geval – eerdere toepassing van de schuldsaneringsregeling in de tien jaar vóór het verzoek – ziet de rechtbank geen aanleiding. Als overwogen, biedt de tekst van deze bepaling daartoe geen aanknopingspunten. Ook in de parlementaire geschiedenis heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden die grond geven voor de veronderstelling dat de bepaling – die binnen de systematiek van artikel 288 Fw dient te worden beschouwd als een uitzonderingsregeling – ook kan worden toegepast in het onderhavige geval. Wel valt, zoals hiervoor is overwogen, in de parlementaire geschiedenis te lezen dat de regel dat hernieuwde toegang tot de regeling wordt ontzegd aan schuldenaren op wie in de tien jaar voorafgaande aan het verzoekschrift de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, past binnen het strengere toegangsbeleid van de herziening van de Wsnp (MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 942, nr.3, p.21). Met dit uitgangspunt lijkt bezwaarlijk verenigbaar een uitbreiding van de toepassing van artikel 288 lid 3 Fw naar niet in dit artikel uitdrukkelijk genoemde gevallen.

3.8 Het vorenstaande voert dan ook tot de slotsom dat het verzoek dient te worden afgewezen.

4. De beslissing.

De rechtbank:

- wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 augustus 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.