Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX6383

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
700003-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij met een taxibus op zijn voorganger is gebotst ten gevolge waarvan de gehandicapte passagier van de taxibus uit haar rolstoel is gevallen/gegleden en daardoor werd gedood. De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld waardoor het slachtoffer uit de rolstoel is gevallen. Het is volgens de rechtbank mogelijk dat het slachtoffer door de botsing uit de rolstoel is gevallen, maar ook het krachtige remmen door verdachte kan daarvan de oorzaak zijn geweest. Nu dit laatste niet ten laste is gelegd, spreekt de rechtbank verdachte vrij van het primair ten laste gelegd, overtreding van artikel 6 WvW. Het subsidiair ten laste gelegde (artikel 5 van de WvW) acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 700003-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. C.G.M. Baas, advocaat te Bergen op Zoom.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 augustus 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Paapen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt met zijn taxibus waardoor de lichamelijk gehandicapte passagier om het leven is gekomen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op getuigenklaringen, het onderzoek ter plaatse van de politie, het onderzoek van de Inspectie verkeer en waterstaat en de verklaring van verdachte. De officier van justitie is van mening dat er sprake is van een grove verkeersfout en schuld in de zin van artikel 6 WVW aangezien verdachte te laat heeft opgemerkt dat het voertuig voor hem krachtig moest remmen en hij te kort achter de voor hem rijdende autoambulance reed waardoor een botsing volgde. Daarnaast heeft verdachte volgens de officier van justitie niet de benodigde veiligheidsmaatregelen genomen nu hij [slachtoffer] de veiligheidsgordel niet heeft omgedaan. Door de botsing is [voornaam slachtoffer] volgens de officier van justitie uit haar rolstoel gevallen en komen te overlijden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Primair stelt [verdachte] dat zijn handelen niet zodanig onvoorzichtig of onoplettend is geweest dat kan worden gesproken van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Het enkele feit dat [verdachte] te laat heeft geremd, is volgens de raadsvrouw onvoldoende. Daarnaast stelt de verdediging dat geen sprake is van concreet gevaarscheppend gedrag zodat ook het subsidiair ten laste gelegde niet bewezen kan worden. Tot slot dient volgens de verdediging vrijspraak te volgen voor het meer subsidiair ten laste gelegde nu niet valt uit te sluiten dat de autoambulance te laat heeft geremd met als gevolg dat [verdachte] met zijn busje op geen enkele manier op tijd had kunnen remmen, gezien de remweg, ondanks dat [verdachte] voldoende afstand hield en op tijd zijn rempedaal in heeft getrapt. Indien het openklappen van het tafelblad van de rolstoel van belang is voor enige door de rechtbank te nemen beslissing verzoekt de raadsvrouw nader onderzoek in te stellen naar dit tafelblad.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het volgende kan worden vastgesteld.

Verdachte is werkzaam als taxichauffeur en rijdt onder andere in een Volkswagen taxibus voor gehandicapten . Verdachte was de vaste chauffeur van [slachtoffer]. [voornaam slachtoffer] was lichamelijk gehandicapt en zat in een elektrische rolstoel. Op 21 april 2011 heeft verdachte [voornaam slachtoffer] met de taxibus opgehaald in Breda. Hij heeft de rolstoel van [voornaam slachtoffer] met spanbanden vast gezet aan de vloer. In de taxibus was een losse veiligheidsgordel aanwezig. Verdachte heeft deze gordel niet bij [voornaam slachtoffer] omgedaan, hoewel hij wist dat het verplicht was om deze gordel te dragen. [voornaam slachtoffer] had bij de eerste keer dat verdachte [voornaam slachtoffer] vervoerde al duidelijk te kennen gegeven dat ze de gordel niet om wilde aangezien de gordel bij haar niet goed zat vanwege haar tengere postuur en haar broze botten. Verdachte heeft naar eigen zeggen toen niet aangedrongen bij [voornaam slachtoffer]; hij dacht dat het tafeltje van de rolstoel voldoende bescherming bood.

Op 21 april 2011 bevond verdachte zich op een gegeven moment met zijn taxibus op de snelweg A58. Ter hoogte van Ulvenhout reed verdachte op de linker rijstrook achter een autoambulance om een aantal vrachtwagens in te halen. Verdachte heeft verklaard dat hij zag dat deze autoambulance opeens helemaal stil stond. Verdachte heeft toen hard geremd maar heeft niet kunnen voorkomen dat hij tegen de autoambulance is gebotst. Nadat de taxibus tot stilstand was gekomen, heeft verdachte achterom gekeken en geconstateerd dat [voornaam slachtoffer] niet meer in haar rolstoel zat. Ze lag op de grond. [voornaam slachtoffer] is vervolgens overgebracht naar het ziekenhuis waar zij ’s avonds aan haar verwondingen is overleden.

Getuige [getuige 1] , de bestuurder van de Mercedes autoambulance, heeft verklaard dat hij op 21 april 2011 op de A58 reed en zag dat het verkeer voor hem plotseling remde. Hij heeft vervolgens ook krachtig geremd en is tot stilstand gekomen. Nadat hij de rem losliet, keek [getuige 1] in de zijspiegel en zag hij een auto van achteren aan komen. Hij voelde vervolgens een tik en een klap. Het bleek de Volkswagen te zijn die met de voorzijde tegen de achterzijde van de autoambulance was gereden.

Gelet op de wijze waarop de officier van justitie het primair tenlastegelegde feit heeft ingericht heeft de officier van justitie ten laste willen leggen dat [voornaam slachtoffer] ten gevolge van de botsing met de autoambulance uit de rolstoel is gevallen/gegleden waardoor zij is komen te overlijden. Dit blijkt ook uit het requisitoir van de officier van justitie waarin met zoveel woorden staat vermeld: “dat [voornaam slachtoffer] door de klap uit haar rolstoel is gevallen met de verschrikkelijke gevolgen van dien”.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de thans voorhanden zijnde processtukken en het verhandelde ter zitting niet kan worden vastgesteld waardoor [voornaam slachtoffer] uit de rolstoel is gevallen. Het is mogelijk dat [voornaam slachtoffer] door de botsing uit de rolstoel is gevallen maar ook het krachtige remmen kan de oorzaak zijn geweest. Uit het dossier en de zitting komt namelijk naar voren dat verdachte terwijl hij met een snelheid van meer dan 100 km per uur reed, een noodstop heeft gemaakt en daarbij zeer krachtig heeft moeten remmen. Een dergelijke manoeuvre had verdachte niet eerder tijdens het vervoer van [voornaam slachtoffer] uitgevoerd. Voorts blijkt uit de verklaring van verdachte en ook uit de zich in het dossier bevindende foto’s van de beschadigingen aan de taxibus en autoambulance dat sprake was van een botsing van geringe omvang. Nu het krachtige remmen, een handeling van verdachte ter voorkoming van een aanrijding, niet als feitelijke handeling in de tenlastelegging is opgenomen en voorts niet is komen vast te staan dat [voornaam slachtoffer] als gevolg van de aanrijding uit de rolstoel is gevallen, kan de rechtbank niet anders dan verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met de taxibus gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Verdachte heeft er geen zorg voor gedragen dat [voornaam slachtoffer] de veiligheidsgordel om kreeg en daarnaast heeft hij de taxibus niet tijdig tot stilstand gebracht waardoor een aanrijding is veroorzaakt. Het subsidiair ten laste gelegde kan daarom bewezen worden verklaard.

Het verweer van de verdediging dat de autoambulance te hard heeft geremd en dat [verdachte] gezien de remweg van de taxibus op geen enkele manier tijdig had kunnen remmen, wordt gepasseerd. Verdachte wordt namelijk verweten dat hij niet voldoende afstand heeft gehouden waardoor hij niet tijdig heeft kunnen stoppen. Als de remweg van de taxibus langer is dan die van de autoambulance had verdachte dus nog meer afstand moeten houden. Dat hij onvoldoende afstand heeft gehouden, blijkt reeds uit het feit dat hij zijn voorganger heeft geraakt.

Ook het verweer dat [voornaam slachtoffer] zelf geen veiligheidsgordel wilde dragen, wordt gepasseerd. Als professioneel taxichauffeur heeft verdachte de plicht ervoor zorg te dragen dat de passagiers conform de geldende regelgeving worden vervoerd. Blijkens artikel 59 RVV 1990 dienen de passagiers gebruik te maken van de veiligheidsgordel. Nu er geen sprake was van een ontheffing in de zin van artikel 95 RVV 1990 had verdachte erop moeten staan dat [voornaam slachtoffer] tijdens het vervoer de gordel droeg.

Gezien vorenstaande acht de rechtbank het niet noodzakelijk nader onderzoek te laten doen naar het tafelblad van de rolstoel van [voornaam slachtoffer] zodat dit verzoek van de raadsvrouw zal worden afgewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Subsidiair

op 21 april 2011, in de gemeente Breda, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, taxibus, Volkswagen), waarmede een lichamelijk gehandicapt persoon, in een rolstoel, als passagier, werd vervoerd,met dat motorrijtuig rijdende over de, gezien zijn, verdachtes rijrichting, linkerrijstrook van de, uit twee rijstroken bestaande, rijbaan van de weg, de

Rijksweg A-58,

- er geen zorg voor heeft gedragen, dat die, in dat motorrijtuig vervoerde,

zich in die rolstoel bevindende, passagier, gebruik maakte van de - van dat

motorrijtuig deel uitmakende - veiligheidsgordel,

en

- dat motorrijtuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht, toen hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde een

aanrijding te voorkomen met een zich voor zijn, verdachtes,

motorrijtuig voor hem, verdachte, eveneens op die linkerrijstrook van de

rijbaan van die weg, in gelijke richting als hij, verdachte, bevindend

motorrijtuig (bedrijfsauto, autoambulance, Mercedes),

- waarna het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in

aanrijding is gekomen met dat, zich voor hem, verdachte, op die weg

bevindend motorrijtuig (bedrijfsauto, autoambulance, Mercedes)

door welke gedragingen van hem, verdachte, gevaar op die weg werd

veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd

gehinderd;

Kennelijke taal- en schrijffouten in de tenlastelegging zijn door de rechtbank verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen voor het primair ten laste gelegde een voorwaardelijke werkstraf van 150 uur met een proeftijd van twee jaar en een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen heeft de verdediging verzocht aan verdachte een geldboete op te leggen en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar en hinder in het verkeer door een gehandicapte passagier in een rolstoel de veiligheidsgordel niet om te doen en door vervolgens zijn taxibus niet tijdig tot stilstand te brengen waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden. Verdachte was taxichauffeur en wist dat het dragen van een veiligheidsgordel verplicht was. Hij had moeten weten dat door het niet dragen van deze gordel gevaarlijke situaties konden ontstaan. Daarnaast had hij, in de wetenschap dat [voornaam slachtoffer] de gordel niet droeg, extra afstand moeten houden. Doordat verdachte onvoldoende afstand heeft gehouden heeft hij niet kunnen voorkomen dat hij op zijn voorganger is gebotst.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte rechtens een verwijt kan worden gemaakt maar dat het hierbij om relatief gering onvoorzichtig handelen ging, zij het met zeer ernstige gevolgen. Verdachte heeft hard moeten remmen maar de daarop volgende aanrijding was gering van omvang. Daarnaast heeft verdachte in strijd met de wet gehandeld door [voornaam slachtoffer] de veiligheidsgordel niet om te doen.

Uit de slachtofferverklaring van de gezinsleden van [voornaam slachtoffer] blijkt dat [voornaam slachtoffer] zeer positief in het leven stond ondanks haar handicap. Ze heeft van jongs af aan moeten knokken voor haar leven en haar plekje in de maatschappij. Het is voor hen dan ook heel moeilijk dat [voornaam slachtoffer] zo uit het leven weg is gerukt. Het leven is voor hen niet meer wat het geweest is. Ze lopen rond met een gevoel incompleet te zijn. Het leven gaat door maar de glans is er voor hen vanaf.

Verdachte heeft, toen hij hoorde dat [voornaam slachtoffer] was overleden, contact opgenomen met de familie van [voornaam slachtoffer]. Ook heeft hij de begrafenis bijgewoond en een gesprek gehad met de ouders. Verdachte voelt zich door het hele voorval erg schuldig en ook hij heeft veel verdriet. De rechtbank zal deze omstandigheden meenemen bij de bepaling van de strafmaat.

Verdachte heeft daarnaast een blanco strafblad.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van artikel 6 WVW. Nu de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde bewezen acht, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank zal aan verdachte een geldboete opleggen van € 1.000,=.

Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke rijontzegging opleggen van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [achternaam slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 494,74.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 5, 177, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Subsidiair: Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1000,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [initialen] [achternaam slachtoffer], [adres], van € 494,74;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [achternaam slachtoffer], € 494,74 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 9 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft; (BP04A);

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel, voorzitter, mr. Struijs en mr. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Fleskens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 september 2012.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij, op of omstreeks 21 april 2011, in de gemeente Breda, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto,

taxibus, Volkswagen), waarmede een lichamelijk gehandicapt persoon, in een

rolstoel, als passagier, werd vervoerd,

met dat motorrijtuig rijdende over de, gezien zijn, verdachte's, rijrichting,

linkerrijstrook van de uit twee rijstroken bestaande rijbaan van de weg, de

Rijksweg A58,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans

aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of

ondeskundig

- er geen zorg voor te dragen, dat die, in dat motorrijtuig vervoerde, zich in

die rolstoel bevindende, passagier, gebruik maakte van de - van dat

motorrijtuig deel uitmakende - veiligheidsgordel, althans van een door Onze

Minister aangewezen constructie

en/of

- dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, niet, althans niet tijdig,

tot stilstand te brengen, althans de snelheid van dat motorrijtuig niet,

althans niet tijdig, te verminderen, althans door niet behoorlijk uit te

wijken, althans door niet voldoende maatregelen te nemen, althans door niet,

althans onvoldoende, afstand te houden,

op het moment dat hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde een

botsing/aanrijding te voorkomen met een zich voor hem, verdachte, eveneens op

die linkerrijstrook van de rijbaan van die weg, in gelijke richting als hij,

verdachte, bevindend motorrijtuig (bedrijfsauto, autoambulance, Mercedes),

(mede) tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte,

bestuurde motorrijtuig in botsing/aanrijding is gekomen met dat, zich voor

hem, verdachte, bevindend motorrijtuig (bedrijfsauto, autoambulance, Mercedes)

en/of

(mede) tengevolge waarvan die genoemde, door hem, verdachte, vervoerde

passagier, uit die, zich in dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig,

bevindende rolstoel is gevallen/gegleden,

waardoor die passagier, genaamd: [initialen]. [achternaam slachtoffer], werd gedood,

zijnde de terminologie in deze tenlastelegging, voor zover daaraan betekenis

is gegeven, gebezigd in de zin van de Wegenverkeerswet 1994;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 21 april 2011, in de gemeente Breda, als bestuurder van

een motorrijtuig (bedrijfsauto, taxibus, Volkswagen), waarmede een lichamelijk

gehandicapt persoon, in een rolstoel, als passagier, werd vervoerd,

met dat motorrijtuig rijdende over de, gezien zijn, verdachte's rijrichting,

linkerrijstrook van de, uit twee rijstroken bestaande, rijbaan van de weg, de

Rijksweg A-58,

- er geen zorg voor heeft gedragen, dat die, in dat motorrijtuig vervoerde,

zich in die rolstoel bevindende, passagier, gebruik maakte van de - van dat

motorrijtuig deel uitmakende - veiligheidsgordel, althans van een door Onze

Minister aangewezen contructie

en/of

- dat motorrijtuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht, althans de

snelheid van dat motorrijtuig niet tijdig en/of niet voldoende heeft

verminderd, althans niet behoorlijk is uitgeweken, althans niet voldoende

maatregelen heeft genomen, althans niet, althans niet voldoende, afstand heeft

gehouden, toen hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde een

aanrijding/botsing te voorkomen met een zich voor zijn, verdachte's,

motorrijtuig voor hem, verdachte, eveneens op die linkerrijstrook van de

rijbaan van die weg, in gelijke richting als hij, verdachte, bevindend

motorrijtuig (bedrijfsauto, autoambulance, Mercedes),

- waarna (vervolgens) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig in

aanrijding/botsing is gekomen met dat, zich voor hem, verdachte, op die weg

bevindend motorrijtuig (bedrijfsauto, autoambulance, Mercedes)

en/of

- waarna die, door hem, verdachte, vervoerde passagier (genaamd: [initialen].

[achternaam slachtoffer]), uit die, zich in dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig,

bevindende rolstoel is gevallen/gegleden (waarna die passagier, genaamd:

[initialen]. [achternaam slachtoffer], (later) is overleden),

door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 21 april 2011, in de gemeente Breda, als bestuurder van

een motorvoertuig (bedrijfsauto, taxibus, Volkswagen), rijdende op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A58, zijn snelheid niet zodanig

heeft geregeld dat hij in staat was om zijn motorvoertuig tot stilstand te

brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze

vrij was, immers is het door hem verdachte, bestuurde motorvoertuig in

aanrijding/botsing gekomen met een zich vóór zijn, verdachte's, motorvoertuig

op die weg bevindend motorvoertuig (bedrijfsauto, autoambulance, Mercedes);

art 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990