Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX6336

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
243070 / HA ZA 11-1532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De zaak betreft in hoofdzaak de verjaring van de vordering tot het doen van een uitkering krachtens een arbeidsongeschiktheidsverzekering en het overgangsrecht op dat punt. Ratio korte verjaringstermijn in het algemeen noopt tot uitleg bekendheid artikel 7:941 lid 1 BW die gelijk is aan uitleg bekendheid artikel 3:310 lid 1 BW. Met verwijzing naar artikel 3:310 lid 1 BW en de uitleg daarvan door de Hoge Raad wordt overwogen dat de bekendheid met opeisbaarheid als genoemd in artikel 7:942 lid 1 BW zo moet worden uitgelegd dat daaronder tevens moet worden verstaan bekendheid met voorzienbare toekomstige opeisbare vorderingen die voortvloeien uit een reeds bestaand, voortdurend risico (arbeidsongeschiktheid).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 243070 / HA ZA 11-1532

Vonnis van 29 augustus 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A. Ruesink,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN NV,

voorheen NV INTERPOLIS SCHADE,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. A. Robustella.

Partijen zullen hierna [eiser] en Achmea genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 februari 2012 en de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van de op 18 april 2012 gehouden comparitie.

1.2. Ter zitting is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert samengevat – voor recht te verklaren dat hij sedert 16 juni 2003 blijvend voor 100% arbeidsongeschikt is in de zin van de tussen partijen van kracht zijnde arbeidsongeschiktheidsverzekering en veroordeling van Achmea tot betaling van de geldsom die zij krachtens die verzekering aan [eiser] verschuldigd is over de periode vanaf 16 juni 2003, vermeerderd met rente en kosten.

2.2. Achmea voert verweer.

2.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

a) [eiser], geboren op 17 juni 1974, voerde samen met zijn vader een stukadoorsbedrijf. Met ingang van 5 oktober 2000 heeft hij een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Achmea (“InkomensZekerPlan”, polisnummer 72226307) die in geval van arbeidsongeschiktheid voor het beroep van stukadoor recht geeft op een uitkering van het op het polisblad vermelde ‘verzekerde inkomen’ of een deel daarvan, naar rato van het percentage waarvoor de verzekerde arbeidsongeschikt is.

b) Op de verzekering zijn van toepassing de algemene voorwaarden volgens model 30604. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

art 9 Verplichtingen bij arbeidsongeschiktheid

1 Als de arbeidsongeschikte verzekerde de in dit artikel genoemde verplichtingen niet nakomt, moet u deze nakomen voor zover dat in uw vermogen ligt.

2 Als u of de arbeidsongeschikte verzekerde zich niet aan de in dit artikel genoemde verplichtingen houdt, mogen wij het recht op uitkering beëindigen (zie artikel 21, lid 4).

(…)

5 De arbeidsongeschikte verzekerde moet het ons onmiddellijk melden als hij of zij geheel of gedeeltelijk herstelt.

6 Als wij daar om vragen, moet de arbeidsongeschikte verzekerde zich op onze kosten laten onderzoeken door een door ons aan te wijzen arts en zich voor onderzoek laten opnemen in een door ons aan te wijzen ziekenhuis.

7 De arbeidsongeschikte verzekerde moet ons of door ons aan te wijzen deskundigen, gevraagd of ongevraagd, alle gegevens verstrekken of laten verstrekken die wij nodig hebben voor het vaststellen van het recht op uitkering. Het kan hierbij ook om inkomensgegevens gaan.

(…)

art 20 Vervaltermijn

Alle uitkeringen die nog niet zijn opgeëist één jaar nadat ze betaalbaar zijn gesteld, vervallen aan ons.

(…)

art 21 Einde van de verzekering

(…)

4 Als u of de verzekerde zich niet aan de in artikel 9 genoemde verplichtingen houdt, eindigt het recht op uitkering met ingang van de dag waarop u of de verzekerde zich niet aan de verplichtingen houdt.

(…)”

c) Op 15 juni 2003 is [eiser] als voetganger aangereden door een auto, als gevolg waarvan hij letsel heeft opgelopen.

d) Op 16 juni 2003 is de arbeidsongeschiktheid als gevolg daarvan bij Achmea gemeld. Het formulier ‘schademelding arbeidsongeschiktheidsverzekering’, opgemaakt door een medewerkster van Achmea, vermeldt dat sprake is van “complexe klachten tgv ernstig ongeval”, dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid en, onder de ‘toelichting’: “Verzekerde is in Amsterdam aangereden, ligt in het ziekenhuis met een schedelbasisfractuur, als het beter gaat wordt hij overgeplaatst naar het ziekenhuis in Enschede, het telefoonnummer is van de vader van verzekerde.”

e) Bij brieven van 15 juli 2003 heeft Achmea zowel [eiser] als Rabobank Neede meegedeeld dat de melding arbeidsongeschiktheid van [eiser] is ontvangen en dat zij vooralsnog uitgaat van 100% arbeidsongeschiktheid. In de brief aan [eiser] is verder vermeld: “U bent opgenomen in het ziekenhuis. Wilt u zo vriendelijk zijn de datum van ontslag aan mij door te geven? Laat u mij dan ook de naam van het ziekenhuis weten?”

f) Bij brief van 5 september 2003 aan [eiser] heeft Achmea [eiser] nog eens gevraagd naar de datum van ontslag uit het ziekenhuis, zodra deze bekend is, en heeft zij nog eens verzocht om haar de naam van het ziekenhuis te laten weten en de naam van de behandelend specialist. Verder vermeldt de brief dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 juni 2003 op 100% gesteld is.

g) Bij brief van 21 oktober 2003 heeft Achmea [eiser] opgeroepen voor een afspraak bij haar adviserend arts [X] of [Y] te Haaksbergen op 28 oktober 2003. De brief vermeldt:

“Wanneer u verhinderd bent of uw werkzaamheden heeft hervat verzoek ik u dit tijdig aan mij door te geven. Wanneer u niet op de afgesproken datum op controle gaat bestaat slechts recht op uitkering tot uiterlijk deze controle datum.

Wij gaan uit van een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.”

Bij brief van dezelfde datum heeft Achmea de artsen opdracht gegeven om [eiser] – kort gezegd – medisch te onderzoeken. In de brief is onder andere vermeld: “Na een tijdelijk verblijf in het ziekenhuis zou verzekerde inmiddels weer enigszins aan het werk zijn gegaan. Op verzoeken van ons om contact op te nemen reageerde verzekerde tot op heden niet. Derhalve heb ik hem opgeroepen voor uw spreekuur op 28 oktober 2003.”

h) In een op 4 december 2003 aan [eiser] gerichte brief heeft Achmea het volgende bericht:

“Om de mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen, heb ik u gevraagd naar het spreekuur van 28 oktober 2003 te gaan van de adviserend arts de heer [X]/[Y]. Deze arts brengt hierover rapport uit aan onze medisch adviseur.

Tot op vandaag heeft onze medisch adviseur nog geen rapport ontvangen. Om deze reden ga ik ervan uit dat u niet op het spreekuur bent geweest, omdat u uw werkzaamheden volledig heeft hervat. U heeft recht op een uitkering tot de datum van controle.

Als u uw werkzaamheden niet heeft hervat, maar om een andere reden niet bij onze adviserend arts bent geweest, adviseer ik u binnen vijf werkdagen telefonisch contact met me op te nemen.”

Bij brief van dezelfde datum heeft Achmea de Rabobank te Neede bericht dat [eiser] met ingang van 28 oktober 2003 zijn werkzaamheden weer volledig heeft hervat en dat het dossier met ingang van deze datum gesloten is.

i) Achmea heeft nimmer een reactie van [eiser] op de inhoud van haar brieven aan hem ontvangen en zij heeft evenmin een rapport ontvangen van de door haar ingeschakelde controlerend arts.

j) In februari 2004 is de vader van [eiser] overleden. Omstreeks april 2004 heeft [eiser] zijn werkzaamheden als zelfstandig stukadoor beëindigd en is hij als stukadoor in loondienst gaan werken. De Rabobank te Neede heeft hij opdracht gegeven om de arbeidsongeschiktheidsverzekering te beëindigen.

k) Als productie 7 heeft Achmea een royementsverklaring in het geding gebracht, waaruit blijkt dat de verzekering op 26 april 2004 is geëindigd.

l) Op 6 oktober 2005 en op 1 maart 2010 is in het kader van de vaststelling van de schade in de verhouding van [eiser] tot de WAM-verzekeraar van de auto die [eiser] had aangereden, neurologisch onderzoek verricht door de neuroloog [Z]. De rapporten die naar aanleiding van die onderzoeken zijn gemaakt, zijn als productie 1 bij dagvaarding overgelegd. In die rapporten is vermeld – kort gezegd – dat [eiser] bij het ongeval ernstig schedel/hersenletsel heeft opgelopen met frontale contusiehaarden en een epiduraal hematoom rechts frontopariëtaal, in verband waarmee hij van 15 juni 2003 tot en met 29 juli 2003 opgenomen is geweest. Als gevolg van het letsel is een licht piramidaal syndroom ontstaan met discrete uitval van het linkerbeen (licht slepen met het linkerbeen), alsmede blijvende cognitieve klachten (mentale traagheid, aandachtsstoornissen, stoornissen in het werkgeheugen en executieve functies) en gedragsstoornissen (verminderde impulscontrole). In het rapport van het op 1 maart 2010 verrichte onderzoek, wordt melding gemaakt van neuropsychologisch onderzoek door dr. [W]. Tevens wordt melding gemaakt van arbeidsdeskundig onderzoek waaruit blijkt dat [eiser] niet meer geschikt lijkt om als stukadoor te werken en hij wordt bijgestaan door een arbeidsdeskundige om te reïntegreren in voor hem passende arbeid.

m) Bij brief van 14 april 2010 heeft de raadsman van [eiser] onder toezending van de rapporten Achmea medegedeeld dat zij de arbeidsongeschiktheidsuitkering had moeten continueren omdat [eiser] op basis van de onderzoeken door de neuroloog en de neuropsycholoog niet in staat is om arbeid te verrichten, en heeft [eiser] alsnog aanspraak gemaakt op betaling van de uitkering vanaf de datum waarop de uitkering door Achmea is stopgezet.

n) Achmea heeft uitkering geweigerd.

3.2. [eiser] grondt zijn vordering op de verzekeringsovereenkomst. Met een beroep op de bevindingen en conclusies van de neuroloog [Z] en de neuropsycholoog [W] stelt hij dat hij als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is geworden in de zin van de polis, zodat hij recht heeft op een uitkering krachtens de verzekering.

3.3. Achmea beroept zich primair op verjaring van de vordering van [eiser]. Verder stelt zij dat de uitkeringen op grond van artikel 20 van de polisvoorwaarden aan Achema vervallen zijn. Voorts voert Achmea aan dat [eiser] ingevolge artikel 9 van de polisvoorwaarden verplicht was om zich door een door haar aan te wijzen arts te laten onderzoeken en haar gegevens te verstrekken die nodig waren om de uitkering vast te stellen. Omdat [eiser] aan die verplichtingen niet heeft voldaan, had Achmea ingevolge artikel 9 lid 2 en artikel 21 lid 4 van de polisvoorwaarden het recht om de uitkering te beëindigen, aldus Achmea. Bij gebreke van een reactie op de door haar gezonden brieven, mocht Achmea ervan uitgaan dat [eiser] zijn werkzaamheden in 2003 had hervat. Nu zij de uitkering destijds terecht heeft beëindigd, kan [eiser] thans geen aanspraak meer maken op een uitkering, aldus Achmea. Achmea heeft verder gesteld dat [eiser] op 26 april 2004 heeft verzocht om de verzekeringsovereenkomst te beëindigen omdat hij in loondienst is gaan werken, dat Achmea dat verzoek heeft gehonoreerd en dat de overeenkomst per 5 juli 2004 is beëindigd. Tot slot heeft Achmea weersproken dat sinds 28 oktober 2003 (steeds) sprake is (geweest) van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis.

3.4. De rechtbank overweegt allereerst dat [eiser] niet heeft bestreden dat Achmea, terecht met inachtneming van een eigen risico periode van drie maanden, tot 28 oktober 2003 een uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid heeft betaald. Voor zover de gevorderde verklaring voor recht en de veroordeling tot betaling van de uitkering betrekking hebben op de periode van 16 juni 2003 tot 28 oktober 2003 dienen deze te worden afgewezen. Bij de verklaring voor recht ontbreekt in zoverre een belang, terwijl de verbintenis tot vergoeding van de uitkering in zoverre door betaling teniet is gegaan.

3.5. De rechtbank zal nu eerst het beroep van Achmea op verjaring beoordelen. Volgens Achmea is die verjaring zowel op grond van artikel 3:307 BW als artikel 7:942 lid 1 BW ingetreden omdat de vordering van [eiser] op 28 oktober 2003 opeisbaar is geworden en, zo begrijpt de rechtbank, [eiser] daarmee toen ook bekend was. [eiser] stelt zich daarentegen op het standpunt dat de vordering tot betaling van de uitkering periodiek, naar de rechtbank begrijpt dagelijks of maandelijks, ontstaat, zodat die vordering periodiek opeisbaar is geworden en [eiser] met die opeisbaarheid ook pas bekend kan zijn geworden nadat die opeisbaarheid is ontstaan. Volgens hem is artikel 3:308 BW van toepassing op de vraag of zijn vordering is verjaard en hij bestrijdt dat van verjaring sprake is.

3.6. Artikel 7:942 lid 1 BW, dat per 1 januari 2006 in werking is getreden, bepaalt dat een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Tot die datum gold voor de verjaring van vorderingen tot nakoming van verbintenissen uit overeenkomst tot een geven of een doen artikel 3:307 lid 1 BW, dat bepaalt dat die vorderingen verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vorderingen opeisbaar zijn geworden. Voor verjaring van periodieke rechtsvorderingen gold artikel 3:308 BW, volgens welk die vorderingen eveneens verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vorderingen opeisbaar zijn geworden. De verjaringstermijn is in het huidige recht derhalve korter geworden, terwijl het aanvangsmoment voor de verjaring afhankelijk is gemaakt van de bekendheid van de crediteur.

3.7. Ingevolge artikel 68a lid 1 Ow NBW heeft artikel 7:942 lid 1 BW vanaf 1 januari 2006 onmiddellijke werking. Omdat artikel 7:942 lid 1 BW voorts een specifieke regeling bevat voor rechtsvorderingen tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering, zijn de hiervoor genoemde, meer algemene bepalingen uit boek 3 BW, vanaf 1 januari 2006 in beginsel niet langer van toepassing. Een uitzondering op de onmiddellijke werking vormt het bepaalde in artikel 73 lid 1 Ow NBW, volgens welk het in de huidige wet bepaalde over de aanvang, de duur en de aard van de verjaringstermijn tot een jaar na het tijdstip van in werking treden van die wet niet van toepassing is, als de huidige wet een verjaringstermijn kent die langer is dan één jaar en die termijn vóór het tijdstip van haar in werking treden aanvangt (uitgestelde werking), hetgeen hier, zoals hiervoor is overwogen, het geval is. In de onderhavige zaak is het evenwel duidelijk dat de verjaringstermijn van vijf jaren niet gedurende het ‘overgangsjaar’ 2006 is voltooid, ook niet wanneer het standpunt van Achmea gevolgd wordt dat die termijn op 28 oktober 2003 is aangevangen, zodat aan de verjaringsbepalingen in boek 3 in de onderhavige zaak geen betekenis toekomt. De vraag of de vordering van [eiser] is verjaard, dient daarom beantwoord te worden aan de hand van artikel 7:942 lid 1 BW, zij het dat de in dat artikel genoemde termijn krachtens artikel 73 lid 2 Ow NBW geacht wordt niet vóór afloop van het ‘overgangsjaar’ te zijn voltooid.

3.8. In de toepasselijke polisvoorwaarden is in artikel 7 bepaald dat er na afloop van de eigen risico periode recht is op uitkering voor elke dag dat de verzekerde arbeidsongeschikt is, terwijl in artikel 19 van die voorwaarden is opgenomen dat Achmea de uitkering telkens over een periode van één maand berekent en het verschuldigde bedrag zo spoedig mogelijk na afloop van deze periode aan de verzekerde betaalt. De rechtbank leidt hieruit af (legt deze bepalingen zo uit) dat de verbintenis tot betaling van de uitkering door Achmea van dag tot dag ontstaat (werking heeft) indien voldaan is aan de voorwaarde dat het risico waartegen verzekerd is (arbeidsongeschiktheid) zich alsdan heeft verwezenlijkt. De rechtbank begrijpt artikel 19 van de voorwaarden zo, dat daarin een praktische regeling is opgenomen voor de betaling van de uitkering, maar dat daarmee niet beoogd is een tijdstip voor nakoming te bepalen. Bij gebreke van een bepaling voor een tijdstip van nakoming, is nakoming ingevolge artikel 6:38 BW terstond opeisbaar. De vordering tot nakoming van de verbintenis tot uitkering is derhalve van dag tot dag opeisbaar indien sprake is van arbeidsongeschiktheid.

3.9. Met de vaststelling dat de uitkering periodiek, van dag op dag, opeisbaar is, rijst de vraag hoe de bekendheid met die opeisbaarheid als genoemd in artikel 7:942 lid 1 BW moet worden uitgelegd. Meer in het bijzonder rijst de vraag of toekomstige opeisbaarheid aan de aanwezigheid van die bekendheid in de weg staat in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een, volgens de stellingen van [eiser], voortdurend risico (arbeidsongeschiktheid) als voorwaarde voor het ontstaan van een vorderingsrecht.

3.10. Voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de wet, bepaalt artikel 3:310 lid 1 BW dat deze vorderingen verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. In het arrest van 24 mei 2002 (NJ 2003, 268) oordeelde de Hoge Raad omtrent de bekendheid met voortdurende schade (maandelijks geleden inkomensschade) als volgt: “Onderdeel 5 klaagt dat het Hof geen aandacht heeft besteed aan de stelling van Van Hout dat zijn schade niet ineens is geleden, maar voortdurend van aard is, zodat de vordering van Van Hout niet is verjaard voor zover deze betrekking heeft op schade geleden binnen 5 jaar voor de aansprakelijkstelling. Het Hof heeft inderdaad aan deze stelling van Van Hout geen aandacht besteed. Niettemin kan ook dit onderdeel niet tot cassatie leiden. Het gaat hier om afzonderlijke elementen van de gehele door de onrechtmatige daad veroorzaakte — doorlopende — schade. In de feitelijke instanties is niet aangevoerd dat zich daarbij een of meer nieuwe — eerder niet voorziene — schadeposten voordoen. Ten aanzien van deze schade moet worden aangenomen dat Van Hout daarmee bekend was op 28 maart 1989, zodat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een aanvang nam op 29 maart 1989 en op 29 maart 1994 was voltooid (vgl. HR 19 oktober 2001, nr. C00/264, 2001,655).” Uit dit arrest kan mitsdien worden afgeleid dat bekendheid met de schade als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW tevens omvat bekendheid met voorzienbare toekomstige elementen van voortdurende, maar al bestaande schade. De verjaringstermijn begint dan te lopen op het moment waarop de benadeelde bekend is met die schade, ook al zijn elementen van die schade nog niet ontstaan.

3.11. Verjaring strekt ertoe de debiteur te beschermen tegen ongegronde vorderingen waartegen hij zich wegens het verlies van bewijsmiddelen niet meer adequaat kan verweren en gegronde vorderingen die hij wegens tijdsverloop niet meer verwacht. Dit belang van de debiteur is gerechtvaardigd als van de crediteur redelijkerwijs verwacht mocht worden dat hij zijn vordering instelde. Deze strekking en rechtvaardiging gelden zowel in het geval van vorderingsrechten die hun grond vinden in een onrechtmatige daad als die welke hun ontstaan vinden in een overeenkomst. Deze algemene strekking en rechtvaardiging rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in dit geval dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen de bekendheid als genoemd in artikel 3:310 lid 1 BW, zoals uitgelegd door de Hoge Raad, en de bekendheid die genoemd is in artikel 7:942 lid 1 BW, maar dienen ertoe te leiden dat die bepalingen in zoverre gelijk worden uitgelegd. De bekendheid met opeisbaarheid als genoemd in artikel 7:942 lid 1 BW moet daarom zo worden uitgelegd, dat daaronder tevens moet worden verstaan bekendheid met voorzienbare toekomstige opeisbare vorderingen die voortvloeien uit een reeds bestaand, voortdurend risico (arbeidsongeschiktheid) die de vorderingsrechten steeds weer opnieuw doet ontstaan.

3.12. Zoals hiervoor ook al is overwogen stelt [eiser] dat sprake is van voortdurende arbeidsongeschiktheid voortkomende uit dezelfde gebeurtenis, terwijl hij niet heeft tegengesproken dat hij met die arbeidsongeschiktheid op 28 oktober 2003 bekend was. [eiser] was daarom op 28 oktober 2003 bekend met de opeisbaarheid van zijn vordering, zoals hiervoor is uitgelegd. De verjaringstermijn van drie jaar is op grond van artikel 7:942 lid 1 BW op 29 oktober 2003 gaan lopen en, bij gebreke van een stuitingshandeling, gelet op het bepaalde in artikel 73 lid 2 Ow NBW op 1 januari 2007 voltooid. De conclusie luidt dat de vordering van [eiser] verjaard is.

3.13. [eiser] heeft nog aangevoerd dat Achmea zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op verjaring kan beroepen. Volgens [eiser] heeft Achmea zelf ten onrechte geen, althans onvoldoende onderzoek gedaan naar het bestaan en voortbestaan van de arbeidsongeschiktheid van hem, terwijl zij daartoe op grond van de polisvoorwaarden en gelet op de aard van het letsel gehouden was. Volgens [eiser] had het voor Achmea duidelijk moeten zijn dat hij niet in staat was om de ernst van zijn klachten goed te beseffen en te verwoorden en daardoor niet bij machte is geweest om te reageren op door Achmea verzonden brieven.

3.14. Zoals hiervoor is overwogen, is een van de doelen van de relatieve verjaringstermijn bescherming van de debiteur tegen gegronde vorderingen, welk doel gerechtvaardigd is indien van de crediteur redelijkerwijs verwacht mag worden dat hij gedurende de verjaringstermijn juridische actie onderneemt (een rechtsvordering instelt of de verjaring stuit). Indien de debiteur een standpunt inneemt dat niet juist is, betekent dit derhalve nog niet dat de verwachtingen van die debiteur geen bescherming verdienen. In beginsel doet het er in dit verband niet toe wat de reden is voor het innemen van het onjuiste standpunt.

Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat hij gevolg heeft gegeven aan de oproep van Achmea om zich medisch te laten onderzoeken door de door Achmea in haar brief van 21 oktober 2003 genoemde arts en dat die arts hem heeft medegedeeld dat “er niets aan de hand was” met hem. Tevens heeft [eiser] verklaard dat hij ten tijde van het onderzoek (sinds september of oktober 2003) weer aan het werk was in het stukadoorsbedrijf dat hij samen met zijn vader dreef, zij het dat hij tot bepaalde werkzaamheden (op hoogte werken) niet of verminderd in staat was in verband met duizeligheid en bepaalde werkzaamheden hem meer tijd kostten. Verder heeft hij naar voren gebracht dat hij omstreeks april 2004 in loondienst is gaan werken. In het licht van deze verklaring en bij gebreke van een toelichting op de aard van de door hem ondervonden klachten in relatie tot de door hem gestelde onmogelijkheid tot actie, heeft [eiser] zijn stelling dat hij als gevolg van die klachten niet in staat was om te (re)ageren, onvoldoende onderbouwd. Die stelling wordt door de rechtbank daarom gepasseerd.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] Achmea, anders dat bij de initiële melding van arbeidsongeschiktheid, niet rechtstreeks heeft geïnformeerd over de aard van het letsel en zijn herstel, alsmede dat [eiser] in april 2004 aan de tussenpersoon bij de Rabobank opdracht heeft gegeven om de arbeidsongeschiktheidsverzekering te beëindigen in verband met de omstandigheid dat hij zijn werkzaamheden als zelfstandig stukadoor ging beëindigen en in loondienst ging werken. Nu verder, zoals hiervoor is overwogen, niet kan worden vastgesteld dat er een verband is tussen de klachten van [eiser] en de gestelde onmogelijkheid om te (re)ageren, is de stelling dat Achmea wist of behoorde te weten dat [eiser] niet in staat was om te (re)ageren, maar anderzijds wel wist dat sprake was van arbeidsongeschiktheid, is eveneens onvoldoende gemotiveerd. De omstandigheid dat Achmea het rapport van het medisch onderzoek niet bij de controlerend arts heeft opgevraagd, maakt daarin geen verschil omdat dit rapport, de stelling van [eiser] volgend, de conclusie bevatte dat er niets met [eiser] aan de hand was.

Het beroep van [eiser] op de redelijkheid en billijkheid faalt.

3.15. Met het oordeel dat de vordering van [eiser] is verjaard, behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking meer. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze zijn EURO 560,00 wegens griffierecht en EURO 904,00 wegens salaris advocaat (2 maal het toepasselijke liquidatietarief, tariefgroep II).

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. wijst de vorderingen van [eiser] af;

4.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding deze voor zover aan de zijde van Achmea gevallen tot op heden begroot op EURO 1.464,00;

4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Louwerse en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.