Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX5865

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
28-08-2012
Zaaknummer
253138 HA RK 12-170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van civiele procedurenr. 253138 HA RK 12-170 is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Wrakingskamer

Procedurenummer: 253138 HA RK 12-170

Uitspraakdatum: 28 augustus 2012

Beslissing inzake het wrakingsverzoek, ex artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv), van:

[verzoeker],

handelend onder de naam [bedrijf], gevestigd te Goirle,

verder te noemen verzoeker.

strekkende tot wraking van:

[gewraakte rechter],

rechter in de sector civiel recht van deze rechtbank,

verder te noemen de rechter.

1. Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

- het verzoekschrift van 9 juli 2012;

- de schriftelijke reactie van de rechter op het verzoekschrift;

- de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer ter zitting van 20 augustus 2012. Bij de behandeling waren aanwezig verzoeker, zijn advocaat, mr. P.F.M. Gulickx en de advocaat van de wederpartij in het hoofdgeding, mr. C. Spitters. De rechter is, met bericht aan de wrakingskamer, niet verschenen.

2. Motivering

Feiten

2.1. Verzoeker is door [eiser] (hierna: [eiser]) gedagvaard in een zaak, bij deze rechtbank bekend onder procedurenummer 221824 HA ZA 10-1333.

2.2. Op 16 mei 2012 heeft de rechter een tussenvonnis gewezen in het in 2.1 bedoelde geding en verzoeker een drietal bewijsopdrachten gegeven.

Wrakinggronden

2.3. Verzoeker is van mening dat de rechter in het in 2.2 bedoelde tussenvonnis wederpartij ten nadele van hem heeft willen bevoordelen en dat daaruit partijdigheid van de rechter blijkt. De rechter zou, met name in rechtsoverwegingen 4.23, 4.24, 4.28 en 4.29 van het tussenvonnis, de regels van bewijsrecht uit Rv onjuist en in zijn nadeel hebben toegepast om de wederpartij, in strijd met de objectieve behandeling van de zaak en in strijd met het recht, te bevoordelen. Ten onrechte heeft mr. Visser stellingen van [eiser] voldoende aannemelijk geacht terwijl deze stellingen niet onderbouwd zijn met feiten en mr. Visser heeft, in strijd met artikel 150 Rv, nagelaten om [eiser] bewijs op te dragen van zijn stellingen. Dit ondanks het feit dat verzoeker de stellingen van [eiser] gemotiveerd heeft betwist. Tijdens de zitting van 20 augustus 2012 heeft de advocaat van verzoeker uitdrukkelijk verklaard dat in het verzoek wordt gesproken over wraking van de rechtbank maar dat daarbij telkens wordt bedoeld wraking van mr. Visser.

2.4. Ter zitting heeft de advocaat van verzoeker de wrakingskamer verzocht het in 2.2 bedoelde tussenvonnis te vernietigen.

Het standpunt van de rechter

2.5. De rechter heeft niet berust in de wraking. De rechter is van mening dat de bewijsregels wel juist zijn toegepast. Voorts stelt de rechter dat, indien het bewijsrecht al onjuist zou zijn toegepast, dit nog niet wijst op vooringenomenheid. Het wrakingsverzoek zou een verkapt appèl tegen het in 2.2 genoemde tussenvonnis zijn.

Juridisch kader

2.6. Gelet op artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dient in een wrakingprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

2.7. Bij de beoordeling van een verzoek om wraking dient, volgens vaste jurisprudentie, vooropgesteld te worden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Overwegingen

2.8. De wrakingskamer stelt voorop dat artikel 37, eerste lid Rv voorschrijft dat het wrakingsverzoek moet worden gedaan, zodra de feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot het wrakingsverzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. De feiten en omstandigheden zijn bekend geworden in het in 2.2 genoemde tussenvonnis van 16 mei 2012. Tussen deze datum en de datum van het verzoek, te weten 9 juli 2012, ligt een periode van ruim zeven weken. Het verstrijken van deze termijn wijt verzoeker aan het benodigde overleg met zijn advocaat, vakantie van zijn advocaat en de tijd die nodig was voor het goed en zorgvuldig formuleren van het verzoek. Bovendien, zo stelt verzoeker, zou er geen haast bij zijn omdat de zaak pas in september 2012 wordt voortgezet.

2.9. De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tardief is gelet op de termijn van zeven weken die is verstreken tussen het tussenvonnis en het ingediende wrakingsverzoek. Overleg met de advocaat is geen omstandigheid die een dusdanig lange termijn rechtvaardigt. Bovendien had verzoeker een zogeheten pro forma verzoek kunnen indienen en dat op een later moment kunnen motiveren.

2.10. Gelet op het overwogene in 2.9, zal de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

2.11. De wrakingskamer merkt voorts ten overvloede op dat verzoeker in zijn wrakingsverzoek onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit een subjectieve partijdigheid van de rechter kan worden aangenomen. De enkele stelling dat het vermoeden bij verzoeker bestaat dat de rechter, gelet op de uitkomst van het tussenvonnis voor verzoeker, [eiser] als "zwakkere" partij heeft willen bevoordelen is daartoe volstrekt onvoldoende. Het enkele feit dat de rechter een beslissing in het nadeel van verzoeker heeft genomen brengt bovendien niet mee dat sprake is van een omstandigheid die aanleiding geeft te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is. Van objectieve partijdigheid, zoals door verzoeker aangevoerd, is derhalve geen sprake. Het middel van wraking is niet bedoeld om een inhoudelijk oordeel over een vonnis uit te lokken. Daartoe staat de weg van hoger beroep open. De wet biedt de wrakingskamer bovendien geen grond om een uitgesproken (tussen)vonnis te vernietigen.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 28 augustus 2012 door mr. Th. Peters, voorzitter, mr. D. Hund en mr. E.J.G. Eijssen-Vruwink, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Procedurenummer: 253138 HA RK 12-170 blad 3

beslissing