Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX4594

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
15-08-2012
Zaaknummer
11/5216
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De tijdelijke tariefsverlaging voor de overdrachtsbelasting van 6% naar 2% die is ingegaan op 15 juni 2011, hoeft niet te worden toegepast op leveringen vóór die datum. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever goede redenen gezien om de tariefsverlaging met ingang van 15 juni 2011 in te laten gaan. Er is geen sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de Grondwet, de beginselen van behoorlijke wetgeving en van het gelijkheidsbeginsel dat is neergelegd in het IVBPR en EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-2140
V-N Vandaag 2012/2014
V-N 2012/51.3.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/5216

Uitspraakdatum: 29 juni 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats X], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch, de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 6 oktober 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar op aangifte voldane overdrachtsbelasting.

Zitting

Een onderzoek ter zitting is met toestemming van beide partijen achterwege gebleven.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Op [datum] 2011 verkreeg belanghebbende bij notariële akte, samen met [persoon 1] en ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom van de onroerende zaak [de woning] te [plaats X] (hierna: de woning).

2.2. De koopsom voor de woning bedroeg volgens de notariële akte € 370.000.

De overdrachtsbelasting ten bedrage van € 22.200, zijnde zes procent van de koopsom, is op 12 juli 2011 voldaan. De helft van de verschuldigde overdrachtsbelasting, zijnde € 11.100, is ten laste van belanghebbende gekomen.

2.3. Het tarief voor de overdrachtsbelasting was ten tijde van de verkrijging volgens artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: Wet BRV) (wettekst 2011) zes procent.

2.4. Op 1 juli 2011 is door het kabinet zijn integrale woonvisie gepresenteerd (Kamer¬stukken II, 2010-2011, 32 847, nr. 1) en op dezelfde datum is een persbericht uitgebracht.

In de integrale woonvisie en het persbericht is ondermeer aangekondigd dat de overdrachts¬belasting verlaagd wordt van zes naar twee procent voor de periode van 15 juni 2011 tot 1 juli 2012, waarbij voor de verkrijging in de zin van artikel 2, eerste lid van de Wet BRV de juridische eigendomsoverdracht bepalend is.

2.5. Bij Besluit van 1 juli 2011, nr. BLKB 2011/1290M (hierna: het Besluit) heeft de staatssecretaris van Financiën het volgende bekend gemaakt:

“(….)

1. Inleiding

In het persbericht van 1 juli 2011 is aangekondigd dat het tarief overdrachtsbelasting bij de verkrijging van woningen tijdelijk wordt verlaagd tot 1 juli 2012. Deze maatregel zal worden opgenomen in het Belastingplan 2012. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen treedt deze maatregel op 1 januari 2012 in werking en werkt terug tot en met 15 juni 2011.

2. Goedkeuring

Het is niet wenselijk dat belanghebbenden de verkrijging van een woning uitstellen tot 1 januari 2012. Daarom keur ik vooruitlopend op wetswijziging het volgende goed.

Goedkeuring

Ik keur goed dat een tarief overdrachtsbelasting van 2 procent wordt toegepast voor de verkrijging op of na 15 juni 2011 van een woning. (…)

(…)

4. Inwerkingtreding en vervaldatum

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug voor de verkrijging op of na 15 juni 2011 van woningen.

Dit besluit vervalt op 1 januari 2012.

(…)”

2.6. In een brief van 1 juli 2011 (Tweede Kamer 31371, nr. 364) heeft de staatssecretaris van Financiën de Tweede Kamer als volgt geïnformeerd:

“Het kabinet verlaagt het tarief van de overdrachtsbelasting van 6% naar 2% voor woningen waarvan de transportakte passeert gedurende de periode 15 juni 2011 tot en met 30 juni 2012. Met deze brief informeer ik u over de dekking van de maatregel.

(…)

Gegeven het doel van de maatregel – het geven van een impuls aan de woningmarkt – ligt het in de rede geen compenserende lastenmaatregel op het woningmarktdossier zelf te nemen. Hierbij dient bedacht te worden dat de verlaging tijdelijk is, zodat de incidentele inzet van dekkingsmaatregelen volstaat. Verder is van belang dat de voordelen van de maatregel zowel bij burgers als bedrijven neerslaan. Daarmee ligt het in de rede de noodzakelijke dekking bij beiden te vinden.

(…)

De opbrengst van deze maatregelen wordt nu eenmalig ingezet ten behoeve van de verlaging van de overdrachtsbelasting. Het gaat om het volgende pakket:

Tabel:

Dekking tijdelijke verlaging overdrachtsbelasting

in miljoenen euro’s

Derving -1200

Dekking

Bankenbelasting 300

Grondslagverbreding Vennootschapsbelasting

(w.o. reparatie Bosal-gat) 340

Fasering vitaliteitsregeling 500

Enveloppe Regeerakkoord 60

Totaal 0

(…)"

2.7. Na de indiening van het beroepschrift is het wetsvoorstel inzake de tijdelijke tariefs¬verlaging als onderdeel van het Belastingplan 2012 op 17 november 2011 door de Tweede Kamer en op 20 december 2011 door de Eerste Kamer aangenomen. Het Belastingplan 2012 is als Wet van 22 december 2011 (hierna: de Wet) gepubliceerd in het Staatsblad 2011, nr. 639.

2.8. In artikel XXXVIII, tweede lid, van de Wet is bepaald dat artikel XVI van de Wet (het artikel waarin de tariefswijziging van artikel 14 van de Wet BRV is opgenomen) terugwerkt tot en met 15 juni 2011.

2.9. In een brief van 9 februari 2012 heeft de staatssecretaris als volgt gereageerd op een petitie waarin gepleit wordt voor een ruimere terugwerkende kracht voor de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting (nr. DV/2011/596U, gepubliceerd in V-N 2012/18.14):

“(…)

Op 1 juli 2011 heeft het kabinet aangekondigd, teneinde het vertrouwen in de koopmarkt voor woningen te versterken, de overdrachtsbelasting voor woningen tijdelijk te verlagen. Voor de periode van 15 juni 2011 tot 1 juli 2012 is het tarief niet 6% maar 2%. De maatregel is bedoeld om potentiële kopers te stimuleren tot de koop van een woning en ziet derhalve niet op situaties waarbij (…) de juridische overdracht van een woning reeds heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van de tariefsverlaging. In de petitie wordt gesteld dat burgers die voor 15 juni 2011 een woning hebben gekocht in dezelfde positie verkeren als burgers die tussen 15 juni en 1 juli 2011 een woning hebben gekocht in die zin dat beide groepen niet op de hoogte waren van de maatregel, dat echter beide groepen fiscaal in ongelijke positie van elkaar zijn gebracht waarbij voor de eerste groep een overdrachtsbelastingtarief geldt van 6% en voor de tweede groep een tarief van 2%. Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld om aan de tijdelijke verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting een (gefaseerde) terugwerkende kracht toe te kennen tot 15 september 2010.

Ik bestrijd de stelling dat burgers die voor 15 juni 2011 een woning hebben gekocht in dezelfde positie verkeren als burgers die tussen 15 juni en 1 juli 2011 een woning hebben gekocht. De reden waarom voor een inwerkingtreding van 15 juni 2011 in plaats van 1 juli 2011 is gekozen houdt verband met uitlatingen van het kabinet die half juni 2011 zijn gedaan over de woningmarkt met de bedoeling het vertrouwen in de woningmarkt te versterken. Het hiermee opgewekte consumentenvertrouwen noopte het kabinet ertoe de maatregel met terugwerkende kracht tot deze dag in te laten gaan. De genoemde groepen verkeren naar mijn mening dus niet in dezelfde positie. Het ligt derhalve ook niet voor de hand een terugwerkende kracht aan de maatregel toe te kennen die verder gaat dan 15 juni.

(…)”

2.10. In zijn conclusie van dupliek heeft de inspecteur aangevoerd dat de rechtvaardiging voor de terugwerkende kracht in het wetsvoorstel is terug te leiden tot uitlatingen van het kabinet over de woningmarkt met de bedoeling het vertrouwen in de woningmarkt te versterken. In dit verband heeft de inspecteur (enkel) verwezen naar de uitlatingen van minister-president Rutte tijdens de persconferentie na afloop van de ministerraad op 17 juni 2011. De persconferentie is letterlijk vastgelegd (Radio- en TV-tekst, 17 juni 2011, gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl). Aan die vastlegging is de volgende passage ontleend:

“VAN BEEK (BNR)

(onverstaanbaar, red.) de woonvisie die nog komt. Is toegezegd aan de Kamer, gaat de overdrachtsbelasting daar deel van uit maken?

RUTTE

We komen met een woonvisie en echt, daar hebben we nog helemaal niet eens over gesproken, dus ik ga echt niets over die woonvisie zeggen.

VAN BEEK

Maar als je nu een startend stelletje bent en …

RUTTE

Dan moet je gewoon een huis kopen, als je een huis wilt kopen.

BERGHUIS (RTL)

Dan heb je niet straks in september van goh, had ik maar een paar maanden gewacht, want nou…

RUTTE

Als jij graag een huis wilt kopen dan moet je dat gewoon doen. Dan kijk ik recht in de camera, dat is ook heel goed nieuws voor heel Nederland. We hebben echt die woningmarkt nodig. En dat een kabinet met een woonvisie komt dat zal voor een heel groot deel natuurlijk ook over de huurmarkt gaan. We hebben daar natuurlijk allerlei voorstellen voor gedaan in het RA die we verder aan het uitwerken zijn.

BERGHUIS

Dus geen cadeautjes voor starters?

RUTTE

Cadeautjes doen we al helemaal nooit.

BERGHUIS

Lagere overdrachtsbelasting.

RUTTE

U kent ons, cadeautjes is niets voor het kabinet.”

2.11. In geschil is het van toepassing zijnde overdrachtsbelastingtarief. Belanghebbende bepleit een tarief van 2%, de inspecteur van 6%.

2.12. Belanghebbende stelt dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door belanghebbende het verlaagde tarief te onthouden en dat andere belasting¬plichtigen contra legem bevoordeeld zijn. Ook acht belanghebbende de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd. Naar de rechtbank begrijpt, beroept belanghebbende zich op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de Grondwet, de beginselen van behoorlijke wetgeving en het gelijkheidsbeginsel dat is neergelegd in het IVBPR en EVRM.

2.13. Belanghebbende heeft de in 2.12 vermelde stellingen uitvoerig gemotiveerd. Daartoe heeft belanghebbende onder meer – en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De verstreken tijd tussen de aankondiging van de wetswijziging bij persbericht van 1 juli 2011 en de inwerkingtreding ervan is onbehoorlijk en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De terugwerkende kracht tot een datum vóór de datum van het persbericht is voorts niet noodzakelijk. Een terugwerkende kracht tot de datum van het persbericht was immers precies voldoende om te voorkomen dat het passeren van notariële aktes van leveringen zou worden uitgesteld. De benadeelde groep belastingplichtigen kon zich niet aanpassen aan de wijziging in de onderhavige regelgeving. Belanghebbende betwist dat de uitlatingen van het kabinet over de woningmarkt en het daarmee opgewekte consumentenvertrouwen reeds op 15 juni 2011 zijn gedaan. Onbewezen en niet geduide ‘uitlatingen van het kabinet’ kunnen geen rechtvaardiging vormen voor het materieel bevoordelen van een groep ten opzichte van een andere groep. Indien die uitlatingen wel zijn gedaan, heeft de begunstigde groep belastingplichtigen die tussen 15 juni 2011 en 1 juli 2011 een woning heeft verkregen, wél het passeren van notariële aktes van levering kunnen voorkomen en dat wilde de wetgever nu juist voorkomen. Daarmee heeft de staatssecretaris zelf en zonder rechtvaardiging, de bevoordelende situatie gecreëerd. Indien de uitlatingen inderdaad niet zijn gedaan, ontvalt de rechtvaardigingsgrond voor de terugwerkende kracht respectievelijk het op grond daarvan bevoordelen. De staatssecretaris heeft met zijn besluit zonder goede reden een bepaalde groep belastingplichtigen bevoordeeld en belanghebbende benadeeld. Belanghebbende beroept zich voorts op de Notitie Terugwerkende kracht en eerbiedigende werking, Kamerstukken II, 1996-97, 25 212, nr. 1. Bij de behandeling van het bezwaar acht belanghebbende voorts de gronden van het bezwaar niet adequaat getoetst. De inspecteur had zelf de gronden van het bezwaar moeten toetsen. In plaats daarvan verschuilt de inspecteur zich achter de staatssecretaris en handelt de inspecteur contra legem door vooruit te lopen op een mogelijke wetswijziging, aldus belanghebbende.

Met betrekking tot de wettelijke bepalingen

2.14. Op grond van artikel 14 van de Wet BRV is belanghebbende ter zake van de verkrijging van de woning 6%-overdrachtsbelasting verschuldigd.

2.15. De Wet BRV is een wet in formele zin. Aangezien de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten in formele zin treedt, kan belanghebbendes verwijzing naar de Grondwet haar niet baten. Dit geldt eveneens voor belanghebbendes beroep op de beginselen van behoorlijke wetgeving. De Hoge Raad heeft immers in het Harmonisatiewet-arrest (HR 14 april 1989, nr. 13 822, NJ 1989, 469) overwogen dat de strekking van artikel 120 van de Grondwet zich er tegen verzet dat de rechter een formele wet aan fundamentele rechtsbeginselen toetst.

2.16. In de Notitie Terugwerkende kracht en eerbiedigende werking heeft Vermeend, de toenmalige Staatssecretaris van Financiën, op verzoek van de Tweede Kamer criteria beschreven voor (voorstellen tot) belastingwetgeving met terugwerkende kracht (Kamerstukken II, 1996-97, 25 212, nr. 1, blz. 2-5. Deze ongedateerde notitie was eerder ook opgenomen als bijlage bij Kamerstukken II 1995/96, 24 677, nr. 5). Als leidraad komt in die notitie naar voren dat bij iedere ingreep het algemeen belang en het individuele belang tegen elkaar moeten worden afgewogen. In de notitie tekent zich het beeld af dat rechtvaardiging voor het toekennen van terugwerkende kracht kan bestaan bij maatschappelijk onaanvaardbare gevolgen voor begroting, rechtsstelsel, inkomensverdeling of gelijke behandeling. Aangezien de staatssecretaris de notitie schreef in de hoedanigheid van medewetgever en niet vanuit de rol van bestuurder kunnen de in de notitie gedane uitlatingen niet in rechte worden afgedwongen. Aldus is gewaarborgd dat een staatssecretaris in het debat tijdens de behandeling van een wetsontwerp onbelemmerd van gedachten en opvattingen kan wisselen. Het voorgaande neemt niet weg dat de uitlatingen die de staatssecretaris in de hoedanigheid van medewetgever doet, wel van betekenis hadden kunnen zijn indien de tekst van artikel 14 van de Wet BRV onvoldoende duidelijk of voor meerderlei uitleg vatbaar zou zijn en zodoende zou moeten worden achterhaald welke bedoeling de wetgever met betrekking tot die wettekst had. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Er bestaat immers geen enkel aanknopingspunt voor de opvatting dat de wetgever de verlaging van de overdrachtsbelasting naar 2% ook heeft willen toekennen aan belastingplichtigen die vóór 15 juni 2011 een woning hebben verkregen. Gelet op het voorgaande faalt belanghebbendes beroep op de Notitie Terugwerkende kracht en eerbiedigende werking.

2.17. Voor zover belanghebbende stelt dat de beperking van de terugwerkende kracht in de Wet BRV tot leveringen op of na 15 juni 2011 een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. In onderdeel 9.2 van zijn conclusie bij het Harmonisatiewet-arrest zet Advocaat-Generaal Mok uiteen dat artikel 26 IVBPR naar zijn mening verbiedt de ongelijke behandeling van mensen op grond van bepaalde criteria waardoor mensen zich van elkaar onderscheiden, zoals "ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst en overtuiging''. De ongelijke behandeling in tijd beschouwt hij als een ongelijkheid van andere aard, waarop artikel 26 IVBPR niet ziet. De Hoge Raad liet in het midden in hoeverre de ingeroepen bepalingen op dit punt een rol kunnen spelen. De rechtbank zal veronderstellenderwijze aannemen dat voormelde verdragsbepalingen ook zien op ongelijkheid in de tijd.

2.18. Vooropgesteld moet worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2).

2.19. In de Nota naar aanleiding van het verslag Belastingplan 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33003, nr. 10) is omtrent de ingangsdatum het volgende medegedeeld:

“Om uitstelgedrag te voorkomen heeft het kabinet, vooruitlopend op de aanvaarding van deze wet, ervoor gekozen dat het tarief van de overdrachtsbelasting van 2% bij de verkrijging van woningen al met ingang van 15 juni 2011 kan worden toegepast. De reden waarom voor 15 juni is gekozen houdt verband met uitlatingen van het kabinet over de woningmarkt met de bedoeling het vertrouwen in de woningmarkt te versterken. Het hiermee opgewekte consumentenvertrouwen noopte het kabinet ertoe de maatregel met terugwerkende kracht tot deze dag in te laten gaan. Voor woningen die tussen 15 juni 2011 en 1 juli 2011 zijn verkregen is er derhalve in het kader van de rechtszekerheid voor gekozen de tariefsverlaging in deze situaties te laten gelden.”

Uit de onder 2.6. vermelde brief blijkt bovendien dat de wetgever de budgettaire derving en dekking daarvan heeft meegewogen.

2.20. De wetgever heeft dus goede redenen gezien om de tariefsverlaging met ingang van 15 juni 2011 in te laten gaan, waarbij blijkbaar zowel motieven op het gebied van rechtszekerheid als budgettaire motieven hebben meegespeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de wetgever daarbij buiten de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid is getreden.

2.21. Volledigheidshalve wijst de rechtbank voorts op het volgende. Zoals verwoord door J.W. van den Berge, 'Het gelijkheidsbeginsel', in Belastingrecht en ethiek in debat, 1999, blz. 101-105, is de aanspraak die burgers jegens de overheid kunnen maken op een gelijke behandeling in de artikelen 26 IVBPR en 14 EVRM anders dan in artikel 1 van de Grondwet geformuleerd als een verbod tot discriminatie. De verdragsbepalingen behelzen geen gebod tot gelijke behandeling. Volgens artikel 94 van de Grondwet vinden nationaal wettelijke voorschriften die strijdig zijn met dergelijke verdragsbepalingen “geen toepassing”. Nu de door belanghebbende wenselijke gelijkheid inhoudt dat zij ook op dezelfde wijze in de heffing wordt betrokken als kopers van woningen die op grond van de Wet BRV wel van de bevoordelende regeling gebruik kunnen maken, kan de belastingrechter die gelijkheid, gelet op het voorgaande, niet realiseren. Het “buiten toepassing laten” van het privilege wegens schending van het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel baat de belastingplichtigen die ten onrechte niet zijn bevoordeeld daardoor niet.

Met betrekking tot het beleid

2.22. Vaststaat dat zich hier niet de situatie voordoet dat de inspecteur zich niet aan zijn eigen beleid houdt. Belanghebbende bepleit enkel dat het door de inspecteur gevoerde beleid naar analogie ook in haar geval moeten worden toegepast. De rechtbank volgt belanghebbende daarin niet en overweegt daartoe als volgt.

2.23. Het kabinet heeft op 1 juli 2011 in een persbericht aangekondigd de overdrachtsbelasting die bij de aankoop van woningen verschuldigd is, voor de periode van 15 juni 2011 tot 1 juli 2012 te verlagen van 6% naar 2%. Doel van de maatregel is het versterken van het vertrouwen op de woningmarkt en de huidige stagnatie te doorbreken. Tegelijk met het persbericht is een besluit van de staatssecretaris van Financiën (hierna: het Besluit) gepubliceerd waarin vooruitlopend op wetswijziging wordt goedgekeurd dat voor de verkrijging van een woning op of na 15 juni 2011 een overdrachtsbelastingtarief van 2% wordt toegepast. In het Besluit is voorts bepaald dat het besluit per 1 januari 2012 vervalt.

2.24. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 oktober 2009, nr. 07/13624, (V-N 2009/48.16) onder verwijzing naar zijn arrest van 6 januari 1960, nr. 13912, (BNB 1960/51) het volgende overwogen. Indien een wettelijk voorschrift met terugwerkende kracht is ingevoerd of gewijzigd na de datum van de bestreden beslissing (besluit of uitspraak) van het bestuursorgaan of de lagere rechter, en het nieuwe voorschrift - mede gelet op de daaraan gegeven terugwerkende kracht - in aanmerking komt voor toepassing op het te berechten geval, brengt de taak van de (hogere) rechter in belastingzaken mee dat hij bij de toetsing van die beslissing uitgaat van het nieuwe voorschrift. Indien deze rechtsregel in het onderhavige geval wordt toegepast, zou dat betekenen dat het Besluit niet als begunstigend beleid heeft te gelden omdat het geen goedkeuring inhoudt minder belasting te heffen dan voortvloeit uit het relevante – nieuwe – wettelijke voorschrift. Aan het vereiste van ‘begunstiging’ is immers dan niet voldaan, zodat ook geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank zal evenwel in haar beslissing ervan uitgaan dat het eventuele discriminatoire karakter van beleid getoetst moet worden aan de hand van de wettekst zoals die in juni 2011 luidde voordat artikel 14 Wet BRV met terugwerkende kracht werd gewijzigd.

2.25. Het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 1 juli 2011 bereikt het volgende. Ten eerste wordt voorkomen dat voor verkrijgingen van woningen tussen (kort na) 1 juli 2011 en 1 januari 2012 niet eerst 6% overdrachtsbelasting moet worden voldaan en vervolgens na 1 januari 2012 op basis van de nieuwe wet, tweederde van dat bedrag weer moet worden teruggevraagd. Ten tweede kunnen degenen die een woning verkrijgen tussen 15 juni 2011 en 1 januari 2012 aan het Besluit het vertrouwen ontlenen dat voor hen het overdrachtsbelastingtarief van 2% geldt ook al zou de wetswijziging niet overeenkomstig het kabinetsvoornemen gerealiseerd zijn.

2.26. Bij de toetsing van beleid neemt de rechtbank in ogenschouw dat bestuursorganen een zekere beleidsvrijheid hebben en dat het primair de taak van het parlement is om beleidsregels te toetsen. De rechtbank stelt vast dat het persbericht en het Besluit op dezelfde dag zijn gepubliceerd en dat het Besluit niet treedt in het kabinetsvoornemen maar juist een praktische maatregel betreft gebaseerd op de aanname dat het kabinetsvoornemen ongewijzigd door Tweede en Eerste Kamer wordt aangenomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de Tweede of de Eerste Kamer bezwaren heeft geuit met betrekking tot de onderhavige beleidsregel. Voorts acht de rechtbank het legitiem dat reeds gezien de uitlatingen gedaan als vermeld in 2.10 in samenhang met de beweegreden voor de tariefsverlaging, is gekozen voor inwerkingtreding van de tariefsverlaging op een datum niet later dan op 17 juni 2011. Het maken van onderscheid acht de rechtbank inherent aan wetgeven en beleid maken. Elke wetswijziging of beleidsregel schept een nieuwe ongelijkheid en arbitraire beslissingen zijn daarbij onvermijdelijk. Feiten en omstandigheden waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat vergelijkbare reële motieven reeds golden ten tijde van de verkrijging van de woning door belanghebbende zijn gesteld noch gebleken. Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het door belanghebbende voorgestane oordeel inhoudende dat de rechter de discriminatie opheft door de bevoordelende regeling van het Besluit uit te breiden tot het geval van belanghebbende.

Met betrekking tot de motivering van de uitspraak op bezwaar

2.27. De rechtbank acht de uitspraak op bezwaar voldoende deugdelijk gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de motivering van de uitspraak op bezwaar voldoende in op de grieven van belanghebbende. De motivering acht de rechtbank evenmin te algemeen of vaag.

2.28. Al hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich mee dat terecht een overdrachtsbelastingtarief van 6% is toegepast. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur.

2.29. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

2.30. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 29 juni 2012 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.A. Mandemakers, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 10 juli 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.