Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX4328

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
12/2172
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen (12/2172 tot en met 12/2178)

De rechtbank wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af nu belanghebbende niet aannemelijk maakt dat sprake is van een spoedeisend belang. De in beslag genomen activa van de onderneming van belanghebbende zijn al verkocht en hij zit al circa anderhalf jaar thuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 2172
FutD 2012-2143
V-N Vandaag 2012/1984
Belastingadvies 2012/19.1
V-N 2012/46.27.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, voorzieningenrechter

Procedurenummers: AWB 12/2172 tot en met 12/2178

Uitspraakdatum: 26 juni 2012

Uitspraak als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Oss,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende aanslagen opgelegd:

- naheffingaanslag loonheffingen 2009 (aanslagnummer [nummer]), gedateerd 21 juli 2011, tot een bedrag van € 108.515, met boetebeschikking van € 27.128 en beschikking heffingsrente van € 4.235;

- naheffingaanslag loonheffingen 2010 (aanslagnummer [nummer]), gedateerd 21 juli 2011, tot een bedrag van € 283.686, met boetebeschikking van € 70.921 en beschikking heffingsrente van € 3.979;

- aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2008 (aanslagnummer [nummer].H.86), gedateerd 31 december 2011, tot een bedrag van € 20.306, met beschikking heffingsrente van € 1.920;

- aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2008 (aanslagnummer [nummer].W.86), gedateerd 31 december 2011, tot een bedrag van € 1.592, met beschikking heffingsrente van € 66;

- aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2009 (aanslagnummer [nummer].H.96), gedateerd 10 mei 2012, tot een bedrag van € 64.398, met beschikking heffingsrente van € 3.086;

- aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2009 (aanslagnummer [nummer].W.96), gedateerd 10 mei 2012, tot een bedrag van € 1.553;

- voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2010 (aanslagnummer [nummer].H.01), gedateerd 27 april 2012, tot een bedrag van € 101.189;

- voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010 (aanslagnummer [nummer].W.01), gedateerd 27 april 2012, tot een bedrag van € 1.679;

Voorts heeft de inspecteur aan [rijschool] V.O.F., van welke onderneming belanghebbende firmant is, een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010, gedateerd 25 april 2012, tot een bedrag van € 21.799, met boetebeschikking van € 10.899 en beschikking heffingsrente van € 1.193.

1.2. Belanghebbende heeft tijdig bezwaar gemaakt tegen alle in 1.1 genoemde aanslagen.

1.3. De inspecteur heeft, bij uitspraken op bezwaar van 7 november 2011 de beide naheffingsaanslagen loonbelasting en bij uitspraken op bezwaar van 12 december 2012 de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2008 en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2008 gehandhaafd. Op de overige bezwaren is nog niet beslist.

1.4. Belanghebbende heeft, bij brieven van 16 december 2011 en 16 april 2012, beroep aangetekend tegen de in 1.3 genoemde uitspraken op bezwaar.

1.5. Belanghebbende heeft voorts, bij brief van 16 mei 2012, de voorzieningenrechter verzocht, in de procedures betreffende alle in 1.1 genoemde aanslagen, te bepalen dat de inspecteur een afschrift aan hem moet overleggen van het openbare gedeelte van zijn controledossier. Ter zake van dit verzoek heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42.

1.6. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7. Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend, wat in afschrift aan de inspecteur is verstrekt.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2012 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en, namens de inspecteur, [gemachtigde].

2. Karakter voorlopige voorziening

2.1. De voorzieningenrechter kan, ingevolge artikel 8:81 van de Awb, alleen op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. De voorzieningenrechter constateert dat, gelet op de in 1.2 genoemde bezwaren en de in 1.3. genoemde beroepen, is voldaan aan het vereiste van connexiteit.

2.3. Vervolgens dient de voorzieningenrechter te beoordelen of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Daarbij kan alleen een financieel belang op zichzelf niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening (MvT, Kamerstukken 1996-1997, nr. 25 175, nr. 3). Bovendien dient het bij de voorlopige voorziening te voorkomen of beperken nevengevolg volgens vaste jurisprudentie onomkeerbaar te zijn.

2.4. In zijn verzoekschrift stelt belanghebbende dat de belastingdienst beslag heeft gelegd op de activa van zijn onderneming en dat hij hierdoor geen inkomen kan genereren. Ter zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk verklaard dat bedoelde activa al verkocht zijn en dat hij al circa anderhalf jaar thuis “duimen zit te draaien”.

2.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft belanghebbende de spoedeisendheid van het treffen van een voorlopige voorziening, tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het mogelijke nevengevolg van de inbeslagname, het einde van de onderneming van belanghebbende, al is ingetreden en niet meer kan worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening. De aanwezigheid van een ander spoedeisend belang is gesteld noch aannemelijk geworden. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

3. Proceskosten

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzieningenrechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 28 juni 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.