Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX4296

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
02-800005-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en diverse vernielingen en beschadigingen. De raadsman heeft bepleit dat het opzet bij alle feiten heeft ontbroken, omdat verdachte de handelingen onder invloed van een combinatie van alcohol en medicijnen heeft gepleegd en hij niet wist of behoorde te weten wat deze combinatie met hem zou doen. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of het tenlastegelegde verdachte kan worden verweten of toegerekend in de zin van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake, zodat zij verdachte strafbaar acht."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/800005-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 augustus 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. Dionisius, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 juli 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Breman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: de snorscooter van [benadeelde 1] heeft gestolen, met gebruikmaking van geweld tegen de bestuurster van die scooter ([slachtoffer 1]) en de passagier op die scooter ([slachtoffer 2]);

Feit 2: verschillende spullen van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft vernield;

Feit 3: [slachtoffer 3] met de dood heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op het volgende.

Feit 1: de aangiftes van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat verdachte het wegnemen van de scooter en het geven van een klap aan de eigenaresse heeft bekend.

Feiten 2 en 3: de aangifte van [slachtoffer 3], de getuigenverklaring van [slachtoffer 4] en het proces-verbaal van bevindingen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende.

Algemeen ten aanzien van alle feiten: bij alle feiten heeft het opzet ontbroken. Verdachte weet – als gevolg van de combinatie van medicijngebruik en de inname van alcohol – niet meer wat er die bewuste avond is gebeurd. Verdachte wist niet wat deze combinatie met hem zou doen en behoorde dit ook niet te weten. Uit de bijsluiter van de medicijnen blijkt slechts dat als bijwerking slaperigheid of sufheid zou kunnen ontstaan. In enkele gevallen is er zelfs helemaal geen bijwerking te verwachten. De raadsman heeft voorts gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2011 (LJN BR2983). In dit arrest was volgens de raadsman een soortgelijke situatie aan de orde. In dit arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat verdachte de uiteindelijke gevolgen van de combinatie van alcohol en medicijnen niet kon en behoefde te weten. Mocht de rechtbank dit verweer honoreren dan dient voor alle feiten vrijspraak te volgen.

Feit 1: niet kan worden bewezen dat verdachte geweld heeft gebruikt met het oogmerk om de scooter mee te nemen. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat de meisjes met de scooter zijn gevallen ten gevolge van een uitwijkingsmanoeuvre en niet door een geweldshandeling van de zijde van verdachte.

Feit 2: niet kan worden bewezen dat verdachte het slot heeft geforceerd en op welke wijze dit dan zou zijn gebeurd. Van de vernieling van het slot dient derhalve een partiële vrijspraak te volgen.

Feit 3: er zijn geen ondersteunende verklaringen voor de aangifte van [slachtoffer 3]. Gelet hierop moet verdachte worden vrijgesproken van de bedreiging van [slachtoffer 3].

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Het ontbreken van opzet

De raadsman heeft bepleit dat het opzet bij alle feiten heeft ontbroken, omdat verdachte de handelingen onder invloed van een combinatie van alcohol en medicijnen heeft gepleegd en hij niet wist of behoorde te weten wat deze combinatie met hem zou doen. Een dergelijk verweer kan slechts slagen indien bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken (Hoge Raad 14 december 2004, LJN AR3226). Een zodanig uitzonderlijk geval heeft zich hier naar het oordeel van de rechtbank niet voorgedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij op de avond van het voorval een paar biertjes heeft gedronken, 9 of 10 stuks Oxazepam heeft ingenomen en vervolgens nog twee Bacardi-Cola heeft gedronken. Daarna heeft hij de woning verlaten. Op enig moment is hij, zo kan worden opgemaakt uit de verklaring van de halfbroer van verdachte, getuige [getuige 1], in café [naam café] terechtgekomen. Uit de verklaring van getuige [getuige 1], blijkt dat verdachte zich die avond in café [naam café] drukker dan normaal gedroeg, dat hij emotioneel was en dat zij onder meer hebben gesproken over de vader van verdachte. Verdachte had geen contact meer met zijn vader, omdat deze zijn moeder zou hebben bedrogen met een andere vrouw. Zowel [getuige 1] als verdachte zou door dit gesprek emotioneel zijn geworden. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte, toen hij in café [naam café] was, nog voldoende besef had om zich zaken uit het verleden te herinneren en een gesprek te voeren met zijn halfbroer. Voorts staat vast dat verdachte vanuit de Poolseweg in Breda met de gestolen scooter naar de woning van zijn zus [naam zus] in Bavel is gereden en daar uiteindelijk is aangehouden. Verdachte was dus in staat om op een scooter te rijden en de woning van zijn zus te vinden. Uit de bevindingen omtrent de aanhouding van verdachte blijkt dat hij, na te zijn gevraagd naar zijn legitimatiebewijs, heeft aangegeven een portemonnee bij zich te hebben met daarin zijn papieren. Verdachte heeft op enig moment gezegd tegen de verbalisant: “Oh dat mag je best weten, ik heb die scooter die daar ligt net van iemand afgepakt en ik heb deze persoon een klap gegeven”, of woorden van gelijke strekking.

Gelet op voornoemde punten komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zeker enig inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen moet hebben gehad. Het verweer van de raadsman zal om die reden worden verworpen.

Feit 1

In de avond van 2 januari 2012 reden aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op de snorscooter (voorzien van het kenteken [kenteken]) van de moeder van [slachtoffer 1] ([benadeelde 1]) over de Poolseweg in Breda. Op enig moment zagen zij een man schuin oversteken vanaf de Blauwe Kei. De man kwam op de meisjes af gelopen.

[slachtoffer 2] zag dat de man een slagbeweging maakte met zijn hand in de richting van [slachtoffer 1], bestuurster van de scooter. [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 1] door de man werd geraakt. Zij voelde dat de scooter om werd geduwd, waardoor de meisjes met de scooter ten val kwamen. Dit alles gebeurde terwijl de meisjes nog aan het rijden waren. [slachtoffer 2] zag dat de man de scooter opraapte en dat hij riep: “Kutwijven, je moet je bek houden!” Vervolgens heeft de man de scooter opgeraapt en is hij ermee weggereden. Getuige [getuige 2] heeft gezien dat de man met zijn rechterarm een slaande beweging maakte in de richting van de meisjes op de snorscooter. Ook getuige [getuige 3] zag dat de man een beweging met zijn armen maakte in de richting van deze meisjes, waarna de scooter met de meisjes erop ten val kwam. Beide getuigen zagen dat de man de scooter opraapte van de grond en er vervolgens mee vandoor ging. Verdachte is uiteindelijk aangehouden bij de woning van zijn zus in Bavel (zie hierna onder feit 2). Een verbalisant zag dat de verdachte voldeed aan het signalement van de melding van de weggenomen scooter op de Poolseweg, en hoorde dat verdachte tegen de verbalisant zei: “Oh dat mag je best weten, ik heb die scooter die daar ligt net van iemand afgepakt en ik heb deze persoon een klap gegeven”, of woorden van gelijke strekking.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld.

Feit 2

Op 2 januari 2012 lagen aangever [slachtoffer 3] en zijn echtgenote [slachtoffer 4] in bed in hun woning aan het [adres] te Bavel. Op een gegeven moment hoorden zij een harde knal. [slachtoffer 3] is gaan kijken, en zag toen hij naar buiten liep op ongeveer 40 a 50 meter van de woning een persoon staan met een scooter. Toen [slachtoffer 3] naar links keek, zag hij dat één van de drie ramen aan de voorzijde van de woning kapot was. Toen de persoon op hem af kwam lopen, zag [slachtoffer 3] dat het ging om de broer van zijn echtgenote, genaamd [naam verdachte], zijnde verdachte. Verdachte gedroeg zich zeer agressief jegens [slachtoffer 3]. Nadat de politie ter plaatse was gekomen en verdachte had aangehouden, is [slachtoffer 3] snel naar binnen gerend om zijn echtgenote en kinderen te zoeken. Nadat de rust was wedergekeerd, heeft [slachtoffer 3] de schade aan de woning goed bekeken. Toen bleek dat het slot van de voordeur was geforceerd. De schade bestond verder uit de volgende posten: drie ramen (twee voorruiten en een zijruit), twee bloembakken, een glasgordijn, vier lampen, vaasjes en buitenspiegels van een Volvo en een Peugeot. Deze vernielingen zijn tevens geconstateerd door de aanwezige verbalisanten. Getuige [slachtoffer 4], de echtgenote van [slachtoffer 3], heeft de aangifte van haar man bevestigd. Ook zij heeft glasgerinkel gehoord, waarna zij zich samen met haar kinderen in haar eigen huis heeft moeten verstoppen. Toen verdachte oog in oog stond met de dader van de vernielingen, herkende zij hem als [verdachte], haar jongste broertje.

Verdachte heeft, net als bij feit 1, verklaard dat hij niet meer weet wat er die avond is gebeurd. Wel heeft hij op enig moment verklaard dat hij nog weet dat hij iets in zijn handen had om tegen een raam te gooien. Dit was bij de woning van zijn zus in Bavel aan het [adres]. Verdachte heeft dit voorwerp naar de voordeur gegooid.

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de vernieling dan wel beschadiging van de flatscreen-TV, nu onduidelijk is of dit voorwerp beschadigd is geraakt.

Voor het overige acht de rechtbank dit feit, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

In zijn aangifte heeft [slachtoffer 3] verklaard dat verdachte hem heeft bedreigd met de dood dan wel met zware mishandeling. De rechtbank stelt echter vast dat deze aangifte het enige bewijsmiddel voor dit feit betreft. De aangifte wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 02 januari 2012, te Breda, op de openbare weg, de

Poolseweg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een snorscooter (voorzien van het kenteken [kenteken]),

toebehorende aan [benadeelde 1], welke diefstal werd voorafgegaan

van geweld tegen [slachtoffer 1], de bestuurster van die

snorscooter en [slachtoffer 2], passagier op die snorscooter,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden welk geweld hierin bestond dat verdachte

die [slachtoffer 1] heeft geslagen en die snorscooter met die

[slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] omver heeft geduwd.

2.

op 02 januari 2012, te Bavel, gemeente Breda, opzettelijk en wederrechtelijk

drie ramen en het slot van een voordeur (van de woning [adres]) en twee

bloembakken en vier, lampen en vaasjes en twee buitenspiegels (van een Volvo

en/of een Peugeot), toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4],

heeft vernield en/of beschadigd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

De raadsman heeft een opzetverweer gevoerd met betrekking tot alle tenlastegelegde feiten. Hij heeft echter niet als verweer gevoerd dat het tenlastegelegde verdachte niet kan worden verweten of toegerekend in de zin van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal dit desondanks ambtshalve beoordelen.

Op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht is een persoon niet strafbaar, indien hij een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend. Om tot het oordeel ontoerekenbaarheid te komen moet aan een drie-tal eisen zijn voldaan te weten: (1) er moet bij de dader een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestaan op het moment van de delictsgedraging, (2) er dient sprake te zijn van een causaal verband tussen de vastgestelde abnormale geestesgesteldheid en de verweten gedraging, (3) de abnormale geestesgesteldheid moet zodanig zijn dat zij aan de toerekening van het feit aan de dader in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat sprake is van een dergelijke abnormale geestesgesteldheid , indien blijkt dat verdachte deze aan zichzelf te wijten heeft (culpa in causa). De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of hiervan sprake is. In het kader van het verweer gericht op het ontbreken van opzet heeft de raadsman betoogd dat verdachte niet wist en ook niet behoorde te weten dat het innemen van Oxazepam in combinatie met alcohol tot het later door hem vertoonde gedrag zou kunnen leiden. Uit de rechtspraak volgt echter niet dat in gevallen van vrijwillige intoxicatie vereist is dat het concrete gevolg redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn. Hierbij verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2008 (LJN BC3797). In dit arrest heeft de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat de feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, nu de opgetreden psychose aan hem zelf te wijten is geweest, in stand gelaten, ondanks de vaststelling van het Hof dat het optreden van een psychotische toestand geen algemeen bekend of vaak gezien gevolg is van cannabisgebruik.

De rechtbank stelt vast dat verdachte wist dat Oxazepam effect heeft op zijn psychische toestand. Zijn arts had hem verteld dat hij bij (normaal) gebruik van Oxazepam met mate alcohol kon drinken. Verdachte heeft echter veel meer dan de gebruikelijke hoeveelheid Oxazepam ingenomen, namelijk 9 of 10 pillen in plaats van de 1 pil die voor de avond was voorgeschreven. Voorts heeft verdachte een grote hoeveelheid alcohol gedronken. Volgens zijn verklaring ging het om een paar biertjes bij familie en twee Bacardi cola in zijn woning en volgens de verklaring van getuige [getuige 1] zou hij in café [naam café] bovendien nog 2 tot 3 glazen Bacardi cola hebben gedronken. Gelet op voornoemde omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank welbewust het risico aanvaard dat het gebruik van een grote hoeveelheid Oxazepam, in combinatie met een grote hoeveelheid alcohol, zijn functioneren zodanig zou beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan. Onder die omstandigheden is de toestand waarin verdachte verkeerde aan hemzelf te wijten geweest. Hieraan doet niet af dat het door verdachte vertoonde gedrag mogelijk geen algemeen bekend of vaak gezien gevolg is van het gebruik van het medicijn Oxazepam in combinatie met alcohol. Dit betekent dat het tenlastegelegde aan verdachte kan worden toegerekend in de zin van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte is derhalve strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen:

- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 62 dagen, met aftrek van voorarrest;

- een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis;

- een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de Reclassering, ook als dit inhoudt de verplichting tot het volgen van een behandeling bij de GGZ, het ondergaan van een ambulante groepsgewijze training gericht op gevoelsregulatie en assertiviteit en het meewerken aan alcoholcontroles.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte. Verder is van belang dat verdachte op eigen initiatief reeds onder behandeling is voor zijn (psychische) problemen. De resocialisatie is inmiddels in gang gezet, en het schuldinzicht bij verdachte is zeer sterk. Als straf denkt de raadsman aan een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke straf. Bijzondere voorwaarden hierbij zijn volgens de raadsman niet noodzakelijk, nu verdachte de behandeling die hij nodig heeft toch al op eigen initiatief gaat volgen. Er zijn echter ook geen principiële bezwaren tegen. Ten slotte heeft de raadsman aangegeven de geëiste werkstraf erg fors te vinden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich op 2 januari 2012 schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en diverse vernielingen en beschadigingen. Nadat hij twee voor hem onbekende meisjes van hun scooter had geslagen en geduwd, heeft hij deze scooter meegenomen en is hij naar het huis van zijn zus in Bavel gereden. Daar heeft hij flink huisgehouden: verdachte heeft een slot geforceerd, diverse ramen ingegooid en in de woning diverse spullen vernield dan wel beschadigd. Uit de verklaringen van zijn zus en zwager blijkt dat zij en hun kinderen hiervan erg zijn geschrokken en dat zij hun gevoel van veiligheid in hun woning nog altijd kwijt zijn.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij weinig tot niets meer weet van wat er zich die bewuste avond heeft afgespeeld. Verdachte weet nog wel dat hij die avond op verschillende momenten alcohol heeft gedronken, en dat hij – omdat hij naar eigen zeggen een goede nachtrust wilde hebben – een hele strip van het medicijn Oxazepam heeft ingenomen.

Volgens recept mocht hij echter slechts drie stuks Oxazepam per dag gebruiken, waarbij hij slechts met mate alcohol mocht gebruiken. Het lijkt er sterk op dat deze combinatie van alcohol en medicijnen bij verdachte een sterk ontremde reactie heeft veroorzaakt.

In het rapport van de psycholoog wordt aangegeven dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling, namelijk alcoholmisbruik bij een man met een persoonlijkheidsstoornis NAO. Deze stoornis en gebrekkige ontwikkeling beïnvloedden hem dusdanig dat het tenlastegelegde daaruit deels verklaard kan worden. Volgens de deskundige kon verdachte door zijn problematiek minder goed omgaan met spanningen. Daarbij dronk hij alcohol en nam hij grote hoeveelheden medicatie in. Hierdoor werd zijn functioneren in sterke mate negatief beïnvloed.

Hoewel verdachte zichzelf naar het oordeel van de rechtbank in deze situatie heeft gebracht, zal zij toch rekening houden met de specifieke omstandigheden waaronder de feiten lijken te zijn begaan. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een verdachte met een blanco strafblad. Daarnaast heeft de rechtbank de indruk gekregen dat er bij verdachte sprake is van oprecht berouw. Verdachte lijkt de ernst van zijn problemen in te zien, nu hij zelf het initiatief heeft genomen hulp te zoeken. De rechtbank vindt het daarnaast positief dat verdachte brieven heeft geschreven naar de slachtoffers, waarin hij zijn excuses heeft aangeboden. Gelet op deze omstandigheden komt de spijt van verdachte authentiek over.

Op grond van het voornoemde komt verdachte op de rechtbank niet over als een man die zich onder normale omstandigheden schuldig zou maken aan soortgelijke feiten.

De rechtbank zal dit sterk laten meewegen in de strafmaat. Normaliter worden er voor soortgelijke feiten aanzienlijk hogere straffen opgelegd. In dit geval acht de rechtbank – voor wat betreft het onvoorwaardelijk gedeelte van de straf – het voorarrest van 62 dagen voldoende. De rechtbank ziet op grond van de bovengenoemde omstandigheden geen toegevoegde waarde in het opleggen van een werkstraf, zoals door de officier van justitie is geëist.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden, teneinde de ernst van de feiten te benadrukken en verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zoekt bij deze strafmodaliteit tevens aansluiting bij de rapportage van de psycholoog. Hij adviseert als bijzondere voorwaarde het opleggen van begeleiding door de Reclassering, ook als dit inhoudt de verplichting tot het volgen van een behandeling bij de GGZ en het ondergaan van een ambulante groepsgewijze training gericht op gevoelsregulatie en assertiviteit. Hoewel verdachte heeft aangegeven dat hij zich ook zonder verplichtend karakter zal laten begeleiden en behandelen, acht de rechtbank het toch geboden om dit als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijke straf te koppelen. Nu er geen aanwijzingen zijn dat verdachte een alcoholprobleem heeft, zal de rechtbank de geadviseerde alcoholcontroles niet verplicht opleggen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [naam benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 144,35 voor feit 1. De rechtbank acht het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en onvoldoende onderbouwd. Zo staat er geen datum op de nota en is geen rekening gehouden met afschrijvingskosten. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 575,74 voor feit 1. De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 558,74 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 8,74 ter zake van materiële schade en € 550,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Voor het overige zal de rechtbank de vordering afwijzen. Bij de tegemoetkoming voor verplaatste schade van € 17,02 gaat het immers om kosten die door de vader van [slachtoffer 1] zijn gemaakt en niet door haar zelf, zodat zij deze kosten niet namens haar vader kan vorderen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 310, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden;

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 242 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering, ook als dit inhoudt de verplichting tot het volgen van een behandeling bij de GGZ en het ondergaan van een ambulante groepsgewijze training gericht op gevoelsregulatie en assertiviteit;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat als algemene voorwaarde wordt toegevoegd:

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil; (BP.15)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van

€ 558,74, waarvan € 8,74 ter zake van materiële schade en € 550,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige deel (€ 17,-) wordt afgewezen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] (feit 1), € 558,74 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 11 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben, voorzitter, mr. Alferink en mr. Volkers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

9 augustus 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 02 januari 2012, te Breda, op de openbare weg, de

Poolseweg, althans op een openbare weg,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

snorscooter/voertuig (voorzien van het kenteken [kenteken]), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], de bestuurster van die

snorscooter/voertuig en/of [slachtoffer 2], passagier op die

snorscooter/voertuig, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt en/of geduwd en/of die/dat

snorscooter/voertuig met die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] omver heeft

geduwd/ten val heeft gebracht;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 02 januari 2012, te Bavel, gemeente Breda,

opzettelijk en wederrechtelijk drie ramen en of (het slot van) een voordeur

(van de woning [adres]) en/of twee bloembakken en/of vier, althans een

aantal lampen en/of een flatscreen-TV en/of meerdere vaasjes en/of twee

buitenspiegels (van een Volvo en/of een Peugeot), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield

en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 02 januari 2012 te Bavel, gemeente Breda,

[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd:"Wat he, ik maak je

af, ik vermoord je, homo, ik sla je kapot", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht