Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX4271

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
11/3317
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Invordering / formeel (11/3317)

Op 28 maart 2011 zijn, om 11.35 uur en om 11.37 uur, aanslagen aan belanghebbende betekend. Het dwangbevel waarop de kosten van betekening bekend zijn gemaakt is diezelfde dag om 11.40 uur aan belanghebbende betekend. Tot slot is die dag, om 16.00 uur, een proces-verbaal van beslag van roerende zaken betekend.

De rechtbank vermindert de in geschil zijnde vervolgingskosten tot nihil nu belanghebbende, op het moment van in rekening brengen van de kosten van betekening, onvoldoende in de gelegenheid is gesteld van haar belastingschulden kennis te nemen en deze te voldoen. Daaraan doet niet af dat op het om 16.00 uur betekende exploot is vermeld dat geen betekeningskosten verschuldigd zijn indien de belastingschuld alsnog binnen 2 dagen wordt betaald. Geen vergoeding werkelijke proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 2175
FutD 2012-2093
V-N Vandaag 2012/1996
V-N 2012/46.27.26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/3317

Uitspraakdatum: 22 juni 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de ontvanger van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Heerlen,

de ontvanger.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de ontvanger van 13 mei 2011 op het administratief beroep van belanghebbende tegen de vervolgingskosten, ten bedrage van € 10.246, welke aan haar door de belastingdeurwaarder in rekening zijn gebracht in verband met het betekenen van een dwangbevel met betrekking tot de aan haar opgelegde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2010 (aanslagnummer [nummer].H.01) en 2011 (aanslagnummer [nummer].H.10.02).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2012 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht, en namens de ontvanger, [gemachtigden].

1.Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op administratief beroep;

- vermindert de vervolgingskosten tot nihil;

- veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.310,50;

- gelast dat de ontvanger het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoedt.

2. Gronden

Ten aanzien van de vervolgingskosten

2.1. De aanslagen waarop het betekende dwangbevel betrekking had, zijn aan belanghebbende kenbaar gemaakt door middel van de betekening van een tweetal exploten van 28 maart 2011, uitgereikt om 11.35 uur en om 11.37 uur. Het dwangbevel, waarop de in geschil zijnde kosten van betekening zijn bekend gemaakt, is op 28 maart 2011 om 11.40 uur aan belanghebbende betekend. Tot slot is aan belanghebbende, bij exploot van 28 maart 2011, het proces-verbaal van executoriaal beslag van roerende zaken, om 16.00 uur betekend. Op laatstgenoemd exploot is handmatig in de linkerbovenhoek de volgende tekst geschreven: “dit beslag strekt mede tot verhaal van vervolgings- en betekeningskosten. U bent de betekeningskosten niet verschuldigd als u binnen 2 dagen betaald.”

2.2. Het is vaste rechtspraak dat alleen kosten van vervolging in rekening kunnen worden gebracht indien de belastingplichtige in de gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen (vergelijk: Hoge Raad 29 mei 1996, nr. 30 212, LJN: AA1817 en Hoge Raad 5 december 2003, nr. 39 241, LJN: AN9567). In artikel 10, lid 1 van de Leidraad Invordering 2008 is bepaald dat belanghebbende bij versnelde invordering twee dagen de tijd moet krijgen om de belastingschuld te voldoen.

2.3. De rechtbank is van oordeel dat aan belanghebbende, op het moment van in rekening brengen van de kosten van betekening, niet was kenbaar gemaakt dat zij twee dagen de tijd had om haar belastingschuld te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank hadden hierdoor niet ter stond vervolgingskosten in rekening mogen worden gebracht. Daaraan doet niet af dat op het exploot waarbij het proces-verbaal van executoriaal beslag van roerende zaken is betekend wel is vermeld dat geen betekeningskosten zijn verschuldigd indien de belastingschuld alsnog binnen 2 dagen wordt betaald.

2.4. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

Ten aanzien van de proceskosten

2.5. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de daadwerkelijk door haar gemaakte proceskosten, tot en met 20 juni 2011 geschat op € 1.518,75.

2.6. De rechtbank ziet geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten in afwijking van het forfait, zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Uit de jurisprudentie is af te leiden dat, voor zover hier van belang, van bedoeld forfait kan worden afgeweken indien de procedure een gevolg is van een zeer ernstige vorm van onzorgvuldig handelen van de ontvanger (vergelijk: Hoge Raad 8 juli 1996, nr. 30 782, LJN: AA1843) of indien de ontvanger een volstrekt onverdedigbaar standpunt heeft ingenomen (vergelijk: Hoge Raad 20 september 2000, nr. 35 510, LJN: AA7160).

2.7. Van omstandigheden als geschetst in 2.6 is naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende het standpunt dat zij niet in staat is geweest om de belastingschuld te voldoen voor het eerst heeft ingenomen in zijn conclusie van repliek.

2.8. De rechtbank vindt aanleiding de ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.310,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

Ten aanzien van het griffierecht

2.9. Bij binnenkomst van het beroepschrift heeft de rechtbank twee dossiers aangelegd, één ten aanzien van de vervolgingskosten betreffende de aanslag over het jaar 2010 en één ten aanzien van de vervolgingskosten betreffende de aanslag over het jaar 2011. Dit is, nu er één beroepschrift is ingediend, het beroep is gericht tegen één uitspraak op bezwaar en de vervolgingskosten betreffende beide aanslagen op één beschikking zijn vermeld, onterecht.

2.10. De rechtbank heeft bepaald dat de zaak met procedurenummer 11/3318 komt te vervallen en dat het griffierecht wordt geacht te zijn voldaan in de onderhavige procedure. Nu het onderhavige beroep gegrond is, heeft de rechtbank de ontvanger gelast het griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 2 juli 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.