Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX4266

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
11/2187
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KB Lux: verlengde navorderingstermijn (11/2187 tot en met 11/2191)

Belanghebbende beschikte over een bankrekening bij KBLux ter zake waarvan hij niets in zijn aangiften IB over de onderhavige jaren heeft opgenomen. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen niet voldoende voortvarend heeft gehandeld. Daaraan doet niet af dat de inspecteur de afhandeling van een klacht van belanghebbende heeft afgewacht en dat, aan een groot aantal houders van een bankrekening bij KBLux, zogeheten penaanslagen moesten worden opgelegd. Vernietiging van de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen. Tot slot kent de rechtbank een schadevergoeding toe van € 3.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank kent deze vergoeding niet per aanslag toe omdat tussen de aanslagen een zodanige samenhang bestaat dat sprake is van 1 zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 11/2187 tot en met 11/2191

Uitspraakdatum: 22 juni 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 16 maart 2011 op de bezwaren van belanghebbende tegen de volgende aan hem opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen:

- 1993, aanslagnummer [nummer].H.38, met boete van ƒ 696 en in rekening gebrachte heffingsrente van ƒ 386;

- 1994, aanslagnummer [nummer].H.48, met boete van ƒ 723 en in rekening gebrachte heffingsrente van ƒ 339;

- 1995, aanslagnummer [nummer].H.57), met boete van ƒ 673 en in rekening gebrachte heffingsrente van ƒ 284;

- 1996, aanslagnummer [nummer].H.67), met boete van ƒ 419 en in rekening gebrachte heffingsrente van ƒ 171;

- 1997, aanslagnummer [nummer].H.77), met boete van ƒ 791 en in rekening gebrachte heffingsrente van ƒ 299.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2012 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], advocaat te Maastricht en namens de inspecteur, [gemachtigde]. De zaken met procedurenummers 11/2187 tot en met 11/2191 zijn gelijktijdig behandeld.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt alle in geding zijnde uitspraken op bezwaar;

- vernietigt alle in geding zijnde navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente;

- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 3.500;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.310;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem vergoedt.

2. Gronden

2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op 28 augustus 2002 een bankrekening heeft geopend bij Kredietbank Luxembourg (hierna: KBLux) te Luxemburg, ter zake waarvan hij niets in zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1993 tot en met 2000 heeft opgenomen.

2.2. Belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd omdat deze niet met de nodige voortvarendheid zijn opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaren, zoals neergelegd in artikel 16, vierde lid van de AWR. De navorderingsaanslagen over de jaren 1998 tot en met 2000 zijn opgelegd binnen de termijn van vijf jaren, zoals neergelegd in artikel 16, derde lid van de AWR en zijn niet meer in geschil.

2.3. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad heeft bepaald dat de inspecteur bij het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van de in 2.2 bedoelde verlengde termijn, de nodige voortvarendheid moet betrachten. De inspecteur mag de in 2.2 bedoelde termijn van vijf jaren niet verder overschrijden dan noodzakelijk is (vergelijk: Hoge Raad 9 april 2010, nr. 07/10306, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BJ8465).

2.4. Uit de stukken blijkt het volgende tijdpad:

08-01-2002: vragenbrief inspecteur

10-01-2002: verklaring buitenlandse bankrekening belanghebbende

04-04-2002: verstrekking gegevens bankrekening door belanghebbende

04-04-2002: aanbieding vaststellingsovereenkomst aan belanghebbende

25-04-2002: indienen klacht gemachtigde over vaststellingsovereenkomst

06-06-2002: afhandeling klacht door belastingdienst

23-09-2002: beantwoording vragenbrief over klacht door belastingdienst aan Nationale Ombudsman

25-09-2002: brief inspecteur met aanbieding alternatieve oplossing

15-10-2002: afwijzen alternatieve oplossing door gemachtigde

24-04-2003: kennisgeving navordering

02-05-2003: reactie gemachtigde op kennisgeving navordering

31-05-2003: navorderingsaanslag

2.5. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld omdat hij in ieder geval op 4 april 2002 beschikte over alle noodzakelijke gegevens om de navorderingsaanslagen vast te stellen. De inspecteur voert daartegen aan dat vanwege het zeer omvangrijke aantal Nederlandse houders van een bankrekening bij KBLux is gekozen voor een projectmatige aanpak, dat navorderingsaanslagen moesten worden opgelegd over een groot aantal jaren en dat deze niet via het geautomatiseerde systeem konden worden opgelegd, maar handmatig moesten worden verwerkt (zogenoemde penaanslagen). Belanghebbende heeft dit niet bestreden.

2.6. Naar het oordeel van de rechtbank is het tijdsverloop tussen 4 april 2002 en 31 mei 2003 zodanig lang dat moet worden geoordeeld dat de inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De navorderingsaanslagen dienen dus te worden vernietigd. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

2.6.1. Op 25 april 2002, dus kort na de verstrekking van de bankgegevens door belanghebbende, heeft de gemachtigde van belanghebbende een klacht ingediend bij het hoofd van de eenheid van de belastingdienst. De klacht ging, kort gezegd, over de door de inspecteur voorgelegde vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de afhandeling van de in geschil zijnde navorderingsaanslagen. Naar het oordeel van de rechtbank was het netjes dat de inspecteur de afhandeling van de klacht afwachtte voordat hij, op 25 september 2002, een alternatieve oplossing aan belanghebbende aanbood, maar was dit niet noodzakelijk. In de periode van 25 april 2002 tot 25 september 2002 heeft de inspecteur derhalve nodeloos stilgezeten.

2.6.2. De in 2.6.1 genoemde alternatieve oplossing is door de gemachtigde van belanghebbende afgewezen op 15 oktober 2002. Vervolgens heeft het tot 31 mei 2003, 6 juni 2003 en 17 juni 2003 geduurd voordat de navorderingsaanslagen werden opgelegd. Ook in deze periode heeft de inspecteur onvoldoende voortvarend gehandeld. De rechtbank overweegt dat het niet via het geautomatiseerde systeem kunnen opleggen van navorderingsaanslagen, maar het handmatig moeten verwerken daarvan, weliswaar langer zal duren maar dat dit niet 7,5 maanden in beslag hoeft te nemen. Daaraan doet niet af dat zogenoemde penaanslagen moesten worden opgelegd aan meer dan 10.000 Nederlandse houders van een bankrekening bij KBLux.

2.7. Nu de navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd, blijven de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente evenmin in stand. De rechtbank zal belanghebbendes grieven in dit opzicht buitenbehandeling laten.

2.8. Verder verzoekt belanghebbende om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende stelt in dit verband dat ten aanzien van alle (nog) in geschil zijnde navorderingsaanslagen een schadevergoeding dient te worden toegekend.

2.9. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/05112, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BO5080, heeft beslist dat in belastingzaken, waar artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet van toepassing is, een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat artikel 8:73 van de Awb in die gevallen van overeenkomstige toepassing is. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: AO9006. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.

2.10. In laatstgenoemd arrest heeft de Hoge Raad beslist dat een redelijke termijn in beginsel twee jaar beloopt (voor de bezwaar- en de beroepsfase), tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijkheid van de duur van behandeling van een zaak is voorts afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. de ingewikkeldheid van de zaak; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de aard en omvang van de fiscale problematiek en de omvang van het verrichte onderzoek;

b. de invloed van de belanghebbende op het procesverloop; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend het doen van verzoeken om verlenging van gestelde termijnen of uitstel voor (het voldoen aan) uitnodigingen of oproepingen.

c. de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid in het nemen van besluiten nadat de redelijke termijn een aanvang heeft genomen;

d. de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld; daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die is betracht bij de controle op de voortgang van het schriftelijk debat tussen partijen, bij de appointering en afhandeling van het onderzoek ter zitting, en in de fase tussen de laatste partijhandeling en de uitspraak.

2.11. Van de genoemde termijn van twee jaar moet, blijkens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2009, nr. 05/0789, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BH1009, een termijn van anderhalf jaar worden gegund voor de behandeling van de beroep bij de rechtbank.

2.12. Het eerste bezwaarschrift is in het onderhavige geval ontvangen op 26 mei 2003. Belanghebbende heeft, op verzoek van de inspecteur van 1 juni 2004, bij brief van 17 juni 2004 ingestemd met aanhouding van de bezwaren totdat de procedure tussen NautaDutilh en de belastingdienst over navordering bij houders van een KBLux rekening onherroepelijk was beëindigd. De Hoge Raad heeft op 26 februari 2010 uitspraak gedaan in bedoelde procedure. Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur dan na kennisneming van het arrest op 16 mei 2010 uitspraken op bezwaar kunnen doen. De periode dat de uitspraken op bezwaar met toestemming van belanghebbende zijn aangehouden, zijnde van 17 juni 2004 tot 16 mei 2010, afgerond vijf jaar en elf maanden, telt daarom niet mee bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn. Tussen 26 mei 2003 en heden, 22 juni 2012, is 9 jaar en afgerond één maand verstreken. Na aftrek van genoemde 5 jaar en 11 maanden resteert afgerond 3 jaar en 2 maanden. Belanghebbende heeft dus, uitgaande van een tarief van € 500 per half jaar, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, recht op een schadevergoeding van € 3.500.

2.13. Ten aanzien van belanghebbendes verzoek om per navorderingsaanslag een schadevergoeding toe te kennen, overweegt de rechtbank dat in het onderhavige geval sprake is van een zodanige samenhang tussen de navorderingsaanslagen dat sprake is van één zaak. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om meer dan één keer een schadevergoeding toe te kennen.

2.14. Nu de rechtbank binnen anderhalf jaar op het beroepschrift, dat bij de rechtbank is binnengekomen op 19 april 2011, heeft beslist wordt de inspecteur veroordeeld tot betaling van de volledige schadevergoeding van € 3.500.

2.15. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.16. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van vijf samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) waarin belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Dit betreffen de zaken met de procedurenummers 11/2187 tot en met 11/2191. De kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.310 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437, maal 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken en een wegingsfactor 1).

2.17. Bij binnenkomst van het beroepschrift heeft de rechtbank acht dossiers aangelegd. Daarbij is in één zaak, met procedurenummer 11/2194, een griffierecht geheven van € 41. Vóór de zitting heeft de gemachtigde de zaken met procedurenummers 11/2192 tot en met 11/2194 ingetrokken. De rechtbank bepaalt dat het griffierecht wordt geacht te zijn voldaan in de zaak met procedurenummer 11/2187. Nu het beroep gegrond is, heeft de rechtbank de inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 22 juni 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 3 juli 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.