Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX4227

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
06/3394
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:66, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KB Lux

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen: 1. Is er aanleiding om het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2001 af te splitsen ex artikel 8:14 van de Awb? 2. Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? 3. Is terecht gebruik gemaakt van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR en is voldoende voortvarend te werk gegaan? 4. Zijn de microfiches onrechtmatig dan wel in strijd met het internationale vertrouwensbeginsel verkregen? 5. Is belanghebbende houder van de Luxemburgse rekening en is de identificatiemethode betrouwbaar? 6. Dient voor ieder van de (navorderings)aanslagen de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard? 7. Zijn de (navorderings)aanslagen gebaseerd op redelijke schattingen? 8. Komt aan belanghebbende met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2001 een beroep op het vertrouwensbeginsel toe? 9. Is de boete over de navorderingsaanslag VB 1994 terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? 10. Zijn de beschikkingen heffingsrente juist vastgesteld? 11. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 2167
V-N Vandaag 2012/1963
FutD 2012-2130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 06/3394 en 06/3395

Uitspraakdatum: 14 juni 2012

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2003 over het jaar 1991 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 170.000. Tevens heeft de inspecteur een verhoging van ƒ 24.632 zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 9.625 vastgesteld.

1.1.2. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2003 over het jaar 1992 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 169.510. Tevens heeft de inspecteur een verhoging van ƒ 24.500 zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 8.118 vastgesteld.

1.1.3. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2003 over het jaar 1993 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd een belastbaar inkomen van ƒ 149.361. Tevens heeft de inspecteur een verhoging van ƒ 24.288 zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 6.821 vastgesteld.

1.1.4. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2003 over het jaar 1995 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd een belastbaar inkomen van ƒ 147.029. Tevens heeft de inspecteur een verhoging van ƒ 18.586 zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 3.897 vastgesteld.

1.1.5. Aan belanghebbende is met dagtekening 27 mei 2003 over het jaar 1996 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 155.925. Tevens heeft de inspecteur een verhoging van ƒ 20.369 zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 4.143 vastgesteld.

1.1.6. Aan belanghebbende is met dagtekening 27 mei 2003 over het jaar 1998 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 177.936. Tevens heeft de inspecteur bij beschikking een boete van ƒ 21.635 opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 3.373 vastgesteld.

1.1.7. Aan belanghebbende is met dagtekening 27 mei 2003 over het jaar 1999 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 256.780. Tevens heeft de inspecteur bij beschikking een boete van ƒ 30.771 opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 3.874 vastgesteld.

1.1.8. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 december 2004 over het jaar 2001 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.528, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 218.193 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.543. Tevens heeft de inspecteur bij beschikking een boete van € 6.462 opgelegd en een beschikking heffingsrente van € 1.168 (teruggaaf) vastgesteld.

1.1.9. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2003 over het jaar 1992 een navorderingsaanslag vermogensbelasting (VB) opgelegd naar een belastbaar vermogen van ƒ 1.008.000. Tevens heeft de inspecteur een verhoging van ƒ 4.664 zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 1.817 vastgesteld.

1.1.10. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2003 over het jaar 1993 een navorderingsaanslag VB opgelegd naar een belastbaar vermogen van ƒ 871.000. Tevens heeft de inspecteur een verhoging van ƒ 4.416 zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 1.460 vastgesteld.

1.1.11. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2003 over het jaar 1994 een navorderingsaanslag VB opgelegd naar een belastbaar vermogen van ƒ 808.000. Tevens heeft de inspecteur een verhoging van ƒ 4.600 zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 1.289 vastgesteld.

1.1.12. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 mei 2003 over het jaar 1996 een navorderingsaanslag VB opgelegd naar een belastbaar vermogen van ƒ 704.000. Tevens heeft de inspecteur een verhoging van ƒ 4.328 zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 904 vastgesteld.

1.1.13. Aan belanghebbende is met dagtekening 23 mei 2003 over het jaar 1997 een navorderingsaanslag VB opgelegd naar een belastbaar vermogen van ƒ 770.000. Tevens heeft de inspecteur een verhoging van ƒ 4.584 zonder kwijtschelding opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 862 vastgesteld.

1.1.14. Aan belanghebbende is met dagtekening 23 mei 2003 over het jaar 1999 een navorderingsaanslag VB opgelegd naar een belastbaar vermogen van ƒ 1.048.000. Tevens heeft de inspecteur bij beschikking een boete van ƒ 4.886 opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 613 vastgesteld.

1.1.15. Aan belanghebbende is met dagtekening 23 mei 2003 over het jaar 2000 een aanslag VB opgelegd naar een belastbaar vermogen van ƒ 884.498. Tevens heeft de inspecteur bij beschikking een boete van ƒ 4.438 opgelegd en een beschikking heffingsrente van ƒ 396 vastgesteld.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze (navorderings)aanslagen, de daarin begrepen verhogingen en kwijtscheldingsbesluiten, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente op respectievelijk 25 juni 2003 en 7 januari 2005 bezwaarschriften ingediend. Hierna worden de verhogingen, kwijtscheldingsbesluiten en boetebeschikkingen samen aangeduid als: de boeten.

1.3. Bij brief met dagtekening 30 juni 2006, binnengekomen bij de rechtbank op 3 juli 2006, heeft belanghebbende in één geschrift beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de in 1.2. bedoelde bezwaarschriften. De rechtbank heeft de beroepen gesplitst en geregistreerd onder procedurenummer 06/3394 voor de inkomstenbelasting en procedurenummer 06/3395 voor de vermogensbelasting. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende eenmaal een griffierecht geheven van € 38.

1.4. Met dagtekening 2 januari 2007 heeft de inspecteur alsnog bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar op de bezwaarschriften van belanghebbende beslist en de opgelegde (navorderings)aanslagen, de boeten en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. Bij brief van 12 februari 2007 heeft belanghebbende ter zekerstelling van zijn rechten tegen deze uitspraken op bezwaar, onder verwijzing naar het beroepschrift van 30 juni 2006, een beroepschrift ingediend.

1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd. Partijen hebben vóór de zitting van 23 oktober 2009 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2009 te Breda. Van de aldaar verschenen personen en het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan op 5 november 2009 een afschrift aan partijen is gezonden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaken verwezen naar de Geheimhoudingskamer ter behandeling van het beroep van de inspecteur op artikel 8:29 van de Awb.

1.7. Bij tussenuitspraak van 14 september 2011 heeft de Geheimhoudingskamer van de rechtbank beslist dat het beroep van de inspecteur op artikel 8:29 van de Awb slaagt. De tussenuitspraak is op 16 september 2011 aan partijen toegezonden. Na verzending van de tussenuitspraak zijn de procesdossiers weer ter beschikking gesteld aan de Meervoudige Belastingkamer.

1.8. Partijen hebben vóór de zitting van 22 maart 2012 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting hervat op 22 maart 2012 te Breda. Van de ter zitting verschenen personen en het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen wordt verzonden.

1.10. Bij brief van 29 maart 2012 heeft de gemachtigde van belanghebbende gereageerd op het onderzoek op de zitting van 22 maart 2012. Op 3 april 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de inspecteur in de gelegenheid gesteld op de brief van zijn wederpartij te reageren. Bij brief van 18 april 2012 heeft de inspecteur gereageerd. Deze brief is in afschrift aan belanghebbende verstrekt. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 4 mei 2012 gesloten en partijen meegedeeld uitspraak te doen zoals op de zitting van 22 maart 2012 is aangezegd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, is geboren op [datum] 1936 en is gehuwd met [echtgenote], geboren op [datum] 1940. In 1991 en volgende jaren is belanghebbende beschreven voor de IB en VB. Hij heeft ook aangifte gedaan. In de aanwezige aangiften zijn geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de KB Luxemburg. Het sofinummer van belanghebbende is [sofinummer].

2.2. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) een brief met bijlagen gezonden aan de heer [A], Ministerie van Financiën, Belastingdienst/FIOD/Haarlem Internationaal, met als onderwerp: “Administratieve bijstand tussen België en Nederland. Spontane uitwisseling van inlichtingen. Zaak: NV KREDIETBANK en KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-LUX)”. Voor de regeling inzake de spontane uitwisseling van inlichtingen verwijst de brief naar artikel 4 van de EG-Richtlijn van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/7799/EEG), en voorts naar artikel 27 van het Nederlands-Belgische Belastingverdrag van 19 oktober 1970. In de begeleidende brief en in de daarbij gevoegde nota is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"In het kader van de regeling "spontane uitwisseling van inlichtingen" heb ik de eer u hierbij een nota toe te zenden betreffende inlichtingen over inwoners van uw land. (…)

Hierbij worden u fotokopieën van microfiches overgemaakt die afkomstig zijn uit het gerechtelijk dossier lastens KREDIETBANK NV en die in origineel in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie van Brussel. Deze microfiches bevatten gegevens in verband met financiële rekening(en) bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-LUX) op naam van inwoners van uw land. (…)

Deze zending bevat fotocopieën van de afgedrukte microfiches: (…)

De gegevens zijn afkomstig uit de interne administratie/boekhouding van KB Lux. De onderverdeling per nationaliteit is door KB/Lux zelf gemaakt. Vermits per klant slechts een beperkt aantal gegevens beschikbaar zijn (naam en eventueel naam van de partner, voornamen) zal het niet steeds mogelijk zijn de identificatie van de klant met 100% zekerheid te bepalen. Beide vermeldingen maken een oordeelkundig gebruik van de overgemaakte informatie noodzakelijk."

2.3. De Belastingdienst/FIOD heeft na ontvangst van de microfiches een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de rekeninghouders waarvan de gegevens op de afdrukken van de microfiches waren vermeld. Dit onderzoek is later bekend geworden als het Rekeningenproject.

2.4. Op de van de BBI ontvangen fotokopie van een microfiche staan onder andere de volgende gegevens vermeld:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)

50-[rekeningnummer]-17-0000 00 0040 TER LDO [belanghebbende]-[echtgenote] OU [belanghebbende] 15.324,87

50-[rekeningnummer]-44-0000 00 0040 TER LDO [belanghebbende]-[echtgenote] OU [belanghebbende] 12.000,00

50-[rekeningnummer]-49-0000 00 0040 VUE [belanghebbende]-[echtgenote] OU [belanghebbende] 482,02."

2.5. In een proces-verbaal van ambtshandeling van [ambtenaar], ambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, gedagtekend 24 februari 2004, opgemaakt in het kader van het Rekeningenproject, is onder meer opgenomen:

"Betreft: Onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de Kredietbank Luxembourg t.n.v.

[belanghebbende]-[echtgenote] ou [belanghebbende]

Ik (…) verklaar het volgende.

Door mij is een onderzoek ingesteld naar de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna KB Lux).

Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).

De rekeninghouders staan hier op verschillende manieren vermeld:

a) Voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

b) Voornamen (doop c.q. geboortenamen) met achternaam

c) Voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan gevolgd worden door

1) Een liggend streepje en een tweede achternaam

2) Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

3) Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan weer gevolgd worden door

I. Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

II. Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

In geval van mogelijkheid 2 of 3 worden de rekeninghouders veelal aangeduid met hun aanspreektitel

M (= Monsieur)

Mme (= Madamme)

Melle (= Mademoiselle)

Het cliëntenbestand KB Lux is door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

Indien een rekening meer dan één rekeninghouder heeft, is er uit het BVR-bestand door B/KIR de volgende selectie gemaakt waarbij de voorwaarde is gesteld dat de (eerste) voorletter zoals die in het BVR-bestand staat vermeld bij ten minste één van de achternamen overeenkomt met de eerste letter van de voor c.q. doopnaam (letter) zoals die op de microfiches staat vermeld.

a) alle combinaties van beide achternamen waarbij in BVR de relatie gehuwd (met) staat vermeld.

b) alle combinaties van beide achternamen die in BVR op hetzelfde adres wonen (hebben gewoond)

c) alle combinaties van beide achternamen die in BVR onder hetzelfde dossiernummer staan (stonden) vermeld.

De gevonden sofinummers zijn gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is verkregen van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

(…)

Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[belanghebbende]-[echtgenote] ou [belanghebbende].

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: [belanghebbende], gehuwd met Mw. [echtgenote].

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij [belanghebbende] de partner is van [echtgenote]. Dit is [belanghebbende], geboren op [datum]-1936, met sofinummer [sofinummer], gehuwd met [echtgenote], geboren op [datum]-1940, met sofinummer [sofinummer].

4. Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat is ingegaan per [datum] 1963.

Conclusie:

Uit de match van de rekeninghouders, zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienst staande landelijke bestanden, komt slechts [belanghebbende], gehuwd met [echtgenote], als rekeninghouder in aanmerking."

2.6. Bij brief van 31 oktober 2001 heeft de inspecteur onder verwijzing naar een die dag gevoerd telefoongesprek met belanghebbende aan belanghebbende bevestigd dat zij een afspraak hebben op het huisadres van belanghebbende. In de brief wordt gewezen op de verplichtingen van artikel 47 van de AWR.

2.7. Bij brief van 6 november 2001 heeft de inspecteur belanghebbende een "Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen" toegezonden. In de brief heeft de inspecteur erop gewezen dat belanghebbende op grond van artikel 47, lid 1, onderdeel a, van de AWR verplicht is de in deze verklaring gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Nadien heeft tussen de inspecteur en de gemachtigde een briefwisseling plaatsgevonden.

2.8. Bij brief van 18 april 2003 heeft de inspecteur, na een uitgebreide briefwisseling met de gemachtigde van belanghebbende, aan belanghebbende zijn voornemen meegedeeld navorderingsaanslagen en boeten op te leggen wegens buitenlandse tegoeden. In deze brief heeft de inspecteur onder meer het volgende geschreven:

"In deze brief stel ik u in kennis van mijn voornemen u navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting 1991 tot en met 1999 en de vermogensbelasting 1992 tot en met 2000, alle met een bestuurlijke boete t.n.v. [belanghebbende].

(...)

Ik beschik over de volgende gegevens waaruit blijkt dat u tenminste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland.

Rekening op naam van: [belanghebbende]-[echtgenote] ou [belanghebbende]

Rekeningnummer: [rekeningnummer]

Bank: Kredietbank Luxemburg

Saldo per 31-01-1994: Fl. 27.806,89 positief

De FIOD heeft deze gegevens over de rekeninghouder vergeleken met onder andere gegevens van de Belastingdienst welke gebaseerd zijn op het bevolkingsregister. Uit die analyse komt u naar voren als rekeninghouder.

(…)

Redelijke schatting verschuldigde belasting

(…)

Voor u leidt dit tot de volgende consequenties:

middel en jaar correcties belasting

inkomstenbelasting 1991 ƒ 41.052 ƒ 24.632

inkomstenbelasting 1992 ƒ 40.832 ƒ 24.500

inkomstenbelasting 1993 ƒ 40.480 ƒ 24.288

(…) (…) (…)

inkomstenbelasting 1995 ƒ 30.976 ƒ 18.586

inkomstenbelasting 1996 ƒ 35.948 ƒ 21.569

inkomstenbelasting 1998 ƒ 36.212 ƒ 21.727

inkomstenbelasting 1999 ƒ 53.284 ƒ 31.971

vermogensbelasting 1992 ƒ 639.600 ƒ 4.664

vermogensbelasting 1993 ƒ 640.380 ƒ 4.416

vermogensbelasting 1994 ƒ 694.980 ƒ 4.602

(…) (…) (…)

vermogensbelasting 1996 ƒ 715.260 ƒ 4.329

vermogensbelasting 1997 ƒ 808.080 ƒ 4.832

(…) (…) (…)

vermogensbelasting 1999 ƒ 1.073.280 ƒ 5.620

vermogensbelasting 2000 ƒ 950.040 ƒ 4.441

Motivering boete

Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Deze mededeling kunt u beschouwen als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (...).

Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat u tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dat verplicht is.

De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven.

Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken.

(…)

Ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PH tot en met 1997 en VB tot en met 1998:

De boeten in die jaren zijn gebaseerd op artikel 18, eerste lid AWR. Op grond van artikel 18, tweede lid AWR juncto paragraaf 15 van de Leidraad administratieve boeten 1984 en hoofdstuk IV van het Voorschrift administratieve boeten 1993 zal geen kwijtschelding verleend worden.

Ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PH vanaf 1998 en VB vanaf 1999:

(…) Het betreft vergrijpboeten ingevolge artikel 67e AWR juncto hoofdstuk IV en VI van het Boete besluit. (…)"

Als bijlage bij deze brief is een overzicht gevoegd van de correcties over de belastingjaren en de fiscale effecten. De inhoud ervan is voor zover te dezen van belang, als volgt:

Inkomstenbelasting

jaar 1991 1992 1993 1995 1996 1998 1999

vastgesteld inkomen ƒ 128.948 ƒ 128.678 ƒ 108.881 ƒ 116.053 ƒ 121.977 ƒ 141.877 ƒ 205.496

Correcties ƒ 41.052 ƒ 40.832 ƒ 40.480 ƒ 30.976 ƒ 35.948 ƒ 36.212 ƒ 53.284

belastbaar inkomen navordering ƒ 170.000 ƒ 169.510 ƒ 149.361 ƒ 147.029 ƒ 157.925 ƒ 178.089 ƒ 258.780

belastingbedrag navordering ƒ 24.632 ƒ 24.500 ƒ 24.288 ƒ 18.586 ƒ 21.569 ƒ 21.727 ƒ 31.971

Vermogensbelasting

jaar 1992 1993 1994 1996 1997 1999 2000

correcties ƒ 639.600 ƒ 640.380 ƒ 694.980 ƒ 715.260 ƒ 808.080 ƒ 1.073.280 ƒ 950.040

gecorrigeerd vermogen ƒ 583.000 ƒ 552.000 ƒ 575.350 ƒ 541.660 ƒ 604.520 ƒ 803.410 ƒ 635.040

belastingbedrag navordering ƒ 4.664 ƒ 4.416 ƒ 4.602 ƒ 4.333 ƒ 4.836 ƒ 5.623 ƒ 4.445

2.9. Nadat de inspecteur belanghebbende bij brief van 9 mei 2003 heeft meegedeeld de boeten op te leggen onder verwijzing naar de eerder toegezonden kennisgeving, zijn de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd.

2.10. Bij brief van 20 oktober 2004 heeft de inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende zijn voornemen kenbaar gemaakt om van de ingediende aangifte IB/PVV 2001 af te wijken en bij de aanslag een boete op te leggen. In de brief heeft de inspecteur onder meer het volgende geschreven:

“Ik heb de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2001 beoordeeld van (…) [belanghebbende], wonende [adres] te [woonplaats].

Ik ben van plan van deze aangifte af te wijken. Ik ben voornemens een aanslag op te leggen met een bestuurlijke boete.

(…)

Ik beschik over de volgende gegevens waaruit blijkt dat uw cliënt tenminste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland.

Het rekeningnummer is [rekeningnummer] en het saldo per 31-01-1994 bedraagt ƒ 27.807 = € 12.618.

De FIOD heeft deze gegevens over de rekeninghouder vergeleken met onder andere gegevens van de Belastingdienst welke gebaseerd zijn op het bevolkingsregister. Uit die analyse komt uw cliënt naar voren als rekeninghouder.

Redelijke schatting verschuldigde belasting

(…)

Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 408.395.

Motivering boete

Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Deze mededeling kunt u beschouwing als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (...).

(…)

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3)

Het aangegeven bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend

€ 130.198

Totaalbedrag van de afwijking(en) + € 408.395

€ 538.593

Het forfaitaire rendement 4% x 538.593

Het voordeel uit sparen en beleggen € 21.543

Vastgesteld belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 21.543.”

2.11. Nadat belanghebbende bij brief van 16 november 2004 het voornemen van de inspecteur om van de aangifte af te wijken en een boete op te leggen had betwist, heeft de inspecteur de onderhavige aanslag met boete conform zijn voornemen opgelegd.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur de (navorderings)aanslagen, boeten en heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld. Het geschil spitst zich thans nog toe op de volgende vragen:

1. Is er aanleiding om het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2001 af te splitsen ex artikel 8:14 van de Awb?

2. Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de inspecteur overgelegd?

3. Heeft de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen terecht gebruik gemaakt van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van artikel 16, vierde lid, van de AWR en is de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend te werk gegaan?

4. Zijn de microfiches onrechtmatig dan wel in strijd met het internationale vertrouwensbeginsel verkregen?

5. Is belanghebbende de persoon die op de microfiches als houder van de Luxemburgse rekening is vermeld en is de door de inspecteur gevolgde identificatiemethode betrouwbaar?

6. Dient voor ieder van de in geschil zijnde (navorderings)aanslagen de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard?

7. Zijn de (navorderings)aanslagen gebaseerd op redelijke schattingen?

8. Komt aan belanghebbende met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2001 een beroep op het vertrouwensbeginsel toe?

9. Is de boete over de navorderingsaanslag VB 1994 terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

10. Zijn de beschikkingen heffingsrente juist vastgesteld?

11. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure?

Belanghebbende beantwoordt de vragen 1, 8 en 11 bevestigend en de overige vragen ontkennend. De inspecteur beantwoordt deze vragen in tegengestelde zin.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zittingen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen, boeten en beschikkingen heffingsrente en vermindering van de aanslag IB over 2001 tot een overeenkomstig de ingediende aangifte en vernietiging van de boete.

De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de (navorderings)aanslagen, boeten en beschikkingen heffingsrente tot de volgende bedragen:

Inkomstenbelasting

jaar 1991 1992 1993 1995 1996 1998 1999

vastgesteld inkomen ƒ 128.948 ƒ 128.678 ƒ 108.881 ƒ 116.053 ƒ 121.977 ƒ 141.877 ƒ 205.496

Correcties ƒ 27.368 ƒ 27.221 ƒ 26.987 ƒ 20.651 ƒ 23.965 ƒ 24.141 ƒ 35.523

Belastbaar inkomen navordering ƒ 156.316 ƒ 155.899 ƒ 135.868 ƒ 136.704 ƒ 145.942 ƒ 166.018 ƒ 241.019

belastingbedrag navordering ƒ 16.421 ƒ 16.333 ƒ 16.192 ƒ 12.391 ƒ 14.379 ƒ 14.485 ƒ 21.314

Boete nihil nihil nihil nihil nihil nihil nihil

heffingsrente ƒ 6.420 ƒ 5.414 ƒ 4.551 ƒ 2.600 ƒ 2.927 ƒ 2.261 ƒ 2.688

Vermogensbelasting

Jaar 1992 1993 1994 1996 1997 1999 2000

Vastgesteld vermogen ƒ 425.000 ƒ 319.000 ƒ 233.978 ƒ 118.644 ƒ 197.490 ƒ 350.004 ƒ 117.734

correcties ƒ 426.400 ƒ 426.920 ƒ 463.320 ƒ 476.840 ƒ 538.720 ƒ 715.520 ƒ 633.360

gecorrigeerd vermogen ƒ 814.000 ƒ 687.000 ƒ 617.000 ƒ 480.000 ƒ 601.000 ƒ 886.000 ƒ 542.000

belastingbedrag navordering ƒ 3.112 ƒ 2.944 ƒ 3.065 ƒ 2.536 ƒ 3.229 ƒ 3.752 ƒ 2.044

Boete nihil nihil ƒ 3.065 nihil nihil nihil nihil

heffingsrente ƒ 1.216 ƒ 975 ƒ 861 ƒ 532 ƒ 609 ƒ 473 ƒ 183

Voor het jaar 2001 concludeert de inspecteur tot een correctie op de rendementsgrondslag van ƒ 600.000 (€ 272.268) en dus een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 402.466 (aangegeven € 130.198 plus € 272.268).

4. Beoordeling van het geschil

Splitsing

4.1. Voor een aparte behandeling van de aanslag 2001, zoals belanghebbende verzoekt, ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat de correcties in alle in het geding zijnde aanslagen op hetzelfde feitencomplex zijn gebaseerd.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

4.2.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding gebracht. De inspecteur heeft immers alle stukken overgelegd die, uitgaande van het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, nr. 43.448, en de uitspraak van Hof Amsterdam, 17 december 2008, nr. 07/00562, moeten worden verstrekt. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste van artikel 8:42 van de Awb. Aan de tussenuitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 13 mei 2005 betreffende belanghebbendes beroepen inzake de navorderingsaanslagen IB/PVV over 1990, 1994 en 1997 komt naar het oordeel van de rechtbank geen gewicht toe, nu de Hoge Raad deze uitspraak in zijn arrest van 10 augustus 2007, LJN: BA0582, heeft vernietigd en Hof Amsterdam, na verwijzing, in zijn uitspraak van 20 oktober 2011, LJN: BU1569, heeft geoordeeld dat het beroep van de inspecteur op geheimhouding van bepaalde passages uit het Draaiboek en de Nieuwsbrieven gedeeltelijk gegrond is. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de beslissing van de Geheimhoudingskamer van deze rechtbank die tot dezelfde gevolgtrekking komt als Hof Amsterdam in laatstgenoemde uitspraak, niet te volgen.

4.2.2. Voorts heeft belanghebbende nog gesteld dat de inspecteur een brief van de Belgische Belastingdienst van 21 februari 2003, inclusief bijlagen 3 tot en met 19, in geschoonde vorm in het geding moet brengen, zoals Hof ’s-Hertogenbosch op 17 mei 2011, LJN: BQ5564, in een andere KBL-zaak heeft geoordeeld. De inspecteur heeft ter zitting gemotiveerd bestreden dat de brief een op het zaak betrekking hebbend stuk is. Hij heeft daartoe onweersproken gesteld dat de brief uit België betrekking heeft op 19 personen, niet zijnde belanghebbende, en dat de daarin vermelde rekeningen zogenoemde coderekeningen zijn. Nu het in dit geval geen coderekening betreft en de rechtbank ervan uitgaat dat de naam van belanghebbende niet op de brief staat vermeld, is de brief naar het oordeel van de rechtbank geen op de zaak betrekking hebbend stuk. Voornoemde uitspraak van het Hof acht de rechtbank in dit geval niet relevant, omdat in die situatie vaststond dat de coderekening en de naam van die belanghebbende wel in de brief vermeld stonden.

De verlengde navorderingstermijn

4.3.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur niet heeft voldaan aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 26 februari 2010, LJN: BJ9092 gegeven criteria voor het uitoefenen van de in artikel 16, vierde lid, van de AWR gegeven bevoegdheid navorderingsaanslagen op te leggen na afloop van de in artikel 16, derde lid, van de AWR bedoelde termijn.

4.3.2. In het door belanghebbende bedoelde arrest is omtrent deze navorderingstermijn in het licht van de Europese regelgeving onder meer opgenomen dat:

"2.1.1. (...) de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat.

2.1.2. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

(...)

2.1.4. Het (...) evenredigheidsbeginsel verzet zich ertegen dat de inspecteur met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, ook na het in 2.1.2 bedoelde aanvaardbare tijdsverloop gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) om een navorderingsaanslag op te leggen op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, AWR is verstreken. De rechtvaardiging (...)voor de aan toepassing van artikel 16, lid 4, AWR verbonden beperking van het vrije verkeer, is gelegen in het waarborgen van de doeltreffendheid van de fiscale controles en het bestrijden van belastingfraude. Die rechtvaardiging is er niet als ten aanzien van (inkomsten uit) buitenlandse tegoeden de navorderingstermijn die voor (inkomsten uit) binnenlandse tegoeden zou gelden verder wordt overschreden dan uit het in 2.1.2 overwogene voortvloeit."

4.3.3. Het overwogene in dit arrest brengt mee dat de inspecteur ingevolge het gemeenschapsrecht zijn in artikel 16, vierde lid, van de AWR opgenomen bevoegdheid niet meer mag gebruiken indien aannemelijk is geworden dat in het concrete geval de navorderingsaanslag is opgelegd na afloop van het onder 2.1.2 van dit arrest bedoelde tijdsverloop. Het is aan belanghebbende te stellen dat dit het geval is geweest en bij betwisting aannemelijk te maken dat dit zo is.

4.3.4. Belanghebbende heeft daartoe gewezen op de datum waarop de Belastingdienst de aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden, te weten de afdrukken van de microfiches van de Belgische overheid, heeft ontvangen en gesteld dat hoewel de Belastingdienst een redelijke verwerkingstijd moet worden vergund – zeker in een omvangrijk project – een periode van circa één jaar, te weten van 27 oktober 2000 tot 31 oktober 2001, tot het identificeren van belanghebbende als mogelijke houder van op die afdrukken vermelde rekeningen niet redelijk is. Voorts heeft belanghebbende erop gewezen dat de eerste navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 pas op 31 december 2002, dus ruim een jaar later, zijn opgelegd, en dat terwijl in december 2002 alle gegevens bekend waren en de volgende navorderingsaanslagen pas op 27 mei 2003 en 31 mei 2003 zijn opgelegd. Hiermee heeft de inspecteur, aldus belanghebbende, het in het arrest van de Hoge Raad bedoelde tijdsverloop overschreden.

4.3.5. De inspecteur heeft daartegenover aangevoerd dat de brief die op 27 oktober 2000 is ontvangen 800 bladzijden omvatte met afdrukken van microfiches met ongeveer 45 à 47 regels per bladzijde en ruim 10.000 Nederlandse rekeninghouders betrof. De omvang van de gegevens, waarvan de strekking bij ontvangst niet meteen duidelijk was, vroeg om een projectmatige aanpak, waarbij ook andere instanties betrokken moesten worden. Voor de identificatie is de RDW benaderd om een bestand met voornamen te leveren, omdat in het BVR-bestand alleen de voorletters van personen stonden vermeld. In augustus 2001 is overeenstemming bereikt met de RDW om een voor de belastingdienst bruikbaar bestand met voornamen te leveren. Vervolgens is in oktober 2001 de pilot gestart. Belanghebbende is in het kader van de pilot benaderd. Hij weigerde te antwoorden. Hierdoor speelde een nieuw probleem, namelijk of de identificatie juist was en hoe de correcties moesten worden bepaald. Op basis van gegevens van meewerkers bleek dat de bedragen op de microfiches geen basis konden zijn voor de correcties. Pas in de loop van 2002 beschikten de Belastingdienst over gegevens van een voldoende aantal meewerkers om een correctieberekening te kunnen maken. Voorts zijn eind 2002 de navorderingsaanslagen 1990/1991 opgelegd. Bij de aankondiging van deze navorderingsaanslagen zijn tevens de mogelijke correcties over latere jaren aangegeven. Verder is aangegeven dat het onderzoek nog niet was afgerond. Besloten is de navorderingsaanslagen over latere jaren op een later tijdstip op te leggen. Deze beslissing is genomen op grond van twee redenen:

(1) Nu belanghebbenden bekend waren met de omvang van de - mogelijke - correcties die hen te wachten stonden, zou dit voor hen aanleiding kunnen zijn om alsnog de benodigde gegevens te verstrekken.

(2) Per belastingplichtige ging het veelal om 22 à 23 aanslagen. In totaal betrof het tienduizenden navorderingsaanslagen. Het op korte termijn, voor eind 2002, opleggen van deze navorderingsaanslagen kon alleen handmatig gebeuren. Dit was onuitvoerbaar. Door de navorderingsaanslagen later op te leggen werd het mogelijk om een deel via het geautomatiseerde proces te verwerken.

4.3.6. Tegenover hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, acht de rechtbank belanghebbende er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het in het arrest van de Hoge Raad bedoelde tijdsverloop is overschreden. De rechtbank kent hierbij met name betekenis toe aan de grote omvang van de op de afdrukken vermelde gegevens over KB Lux-rekeningen, op grond waarvan de Belastingdienst zich terecht op het standpunt mocht stellen dat deze tot een landelijke aanpak noopte. Die landelijke aanpak brengt eveneens mee dat in een geval zoals het onderhavige, waarin de belastingplichtige ontkent over die rekening(en) te beschikken, voorbij kan worden gegaan aan de datum waarop deze belastingplichtige voor het eerst wordt aangeschreven als mogelijke houder van een of meer rekeningen vermeld op die afdrukken. De inspecteur is in dat geval immers gehouden de inkomsten en vermogens te schatten, hetgeen bij een landelijke aanpak ook een landelijke schatting vraagt. Deze schatting heeft plaatsgevonden aan de hand van gegevens van belastingplichtigen die alle gegevens hebben verstrekt, zodat eerst nadat die gegevens bekend waren de navorderingsaanslagen voor de ontkenners konden worden berekend. Dat deze berekeningen eind 2002 al waren gemaakt en de onderhavige navorderingsaanslagen pas op 23 of 31 mei 2003 zijn vastgesteld, en niet ook al op 31 december 2002 zoals de navorderingsaanslagen IB 1990 en VB 1991, maakt niet dat het tijdsverloop vanaf het moment van het opkomen van de aanwijzingen tot en met het vaststellen van de onderhavige navorderingsaanslagen niet meer in overeenstemming is met de door de Hoge Raad geformuleerde regels. Gelet op het grote aantal navorderingaanslagen mocht de inspecteur in alle redelijkheid het handmatig vaststellen van navorderingsaanslagen beperken tot die welke moesten worden opgelegd om te voorkomen dat de navorderingstermijn zou verstrijken.

4.3.7. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de rechtbank voorbij kan gaan aan het in de pleitnota voor de zitting van 22 maart 2012 in punt 3.25 door belanghebbende gedane aanbod tot het horen van getuigen. Voor zover de door hen af te leggen verklaringen specifiek betrekking zouden hebben op het onderzoek jegens belanghebbende kunnen zij niet leiden tot een andere beslissing over het onderhavige geschilpunt. Voor het overige zouden die verklaringen niet kunnen afdoen aan hetgeen onder 4.3.6. in algemene zin is overwogen.

Onrechtmatig verkregen bewijs/ Strijd met internationaal vertrouwensbeginsel

4.4.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de afdrukken van de microfiches op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Hij heeft daarvoor onder meer verwezen naar het arrest van 31 mei 2011 van het Belgische Hof van Cassatie.

4.4.2. In zijn arrest van 31 mei 2011, nr. P.10.2037, heeft het Belgische Hof van Cassatie vastgesteld dat de Belgische Staat door middel van een gesimuleerde huiszoeking de beschikking heeft gekregen over de microfiches, zodat de (Belgische) Staat niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar stafrechtelijke vervolging van bepaalde verdachten.

4.4.3. Ook al zou de Belgische Staat naar Belgisch recht de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze hebben verkregen, dan nog bestaat er geen aanwijzing dat de Belgische overheid zelf de hand heeft gehad in de ontvreemding van de microfiches. Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen waaruit zou volgen dat de Nederlandse belastingautoriteiten bij de verkrijging van de gegevens van de Belgische overheid een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen heeft geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geoordeeld. De rechtbank is daarom, mede gelet op de Nauta-arresten (Hoge Raad van 21 maart 2008, nummer 43050, LJN BA8179, BNB 2008/159), van oordeel dat de Belastingdienst de microfiches niet op een wijze heeft verkregen die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht.

4.4.4. Daarnaast heeft belanghebbende gesteld dat bij het verkrijgen van het bewijs het internationale vertrouwensbeginsel is geschonden. Volgens belanghebbende houdt dit vertrouwensbeginsel in, dat de Nederlandse belastingdienst erop mag vertrouwen dat de Belgische belastingdienst de daar geldende voorschriften heeft nageleefd bij de verkrijging van de informatie en als dat vertrouwen geschonden is, de verkregen informatie niet mag worden gebruikt. Nu ter zake van de verkrijging in België door een Belgische overheidsdienaar een onrechtmatige daad is begaan en deze daad zozeer indruist tegen wat van een redelijk handelende overheid kan en mag worden verwacht, had de Nederlandse overheid de gegevens volgens belanghebbende niet mogen gebruiken.

4.4.5. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van belanghebbende een schending van het door hem gestelde internationale vertrouwensbeginsel gemotiveerd te stellen en bij betwisting daarvan bewijs te leveren. De inspecteur heeft bestreden dat van een dergelijke schending sprake is, omdat het hem is toegestaan strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs voor de belastingheffing te gebruiken onder de in de Nauta-arresten genoemde voorwaarden. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld, waaruit volgt dat de inspecteur andere rechtsregels heeft geschonden bij de verkrijging van de microfiches dan waaraan de rechtbank hiervoor onder 4.4.3. heeft getoetst. Het beroep op een internationaal vertrouwensbeginsel is reeds hierom ongegrond.

4.4.6. Nu geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs en evenmin is gebleken van een schending van internationaal recht, ziet de rechtbank geen reden de microfiches als bewijsmiddel uit te sluiten.

Identiteit van de rekeninghouder

4.5.1. De rechtbank stelt voorop dat de op de microfiches vermelde informatie omtrent de rekeninghouder zeer summier is. De informatie is zo summier dat naar het oordeel van de rechtbank extra zorgvuldigheid geboden is bij de identificatie van de vermelde rekeninghouders. Voorkomen moet immers worden dat personen, wier gegevens wel overeenkomen met de vermelde informatie maar die met de KB Lux niets van doen hebben, met aanslagen en boeten worden geconfronteerd.

4.5.2. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende gerechtigd is tot de op de microfiches genoemde bankrekeningen bij KB Lux. De inspecteur heeft hiervoor het volgende aangedragen. Na een eerste identificatie van belanghebbende als rekeninghouder bij KB Lux heeft de FIOD, na de ontkenning van belanghebbende gerechtigd te zijn tot de betreffende bankrekeningen, een proces-verbaal van identificatie opgemaakt. Uit dat proces-verbaal, aangehaald onder 2.5. volgt, dat in het BVR-bestand van de Belastingdienst de combinatie van [belanghebbende] en [echtgenote] als partners slechts eenmaal voorkomt en wel in het geval van belanghebbende en zijn echtgenote.

4.5.3. Belanghebbende heeft bestreden dat de notatiewijze op het microfiche “[belanghebbende]-[echtgenote] OU [belanghebbende]” op belanghebbende duidt. Belanghebbende heeft voorts tegen het resultaat van het onderzoek ingebracht, dat het identificatieproces in het Rekeningenproject niet 100% betrouwbaar is.

4.5.4. De rechtbank overweegt daarop het volgende. De (navorderings)aanslagen, boeten en beschikkingen heffingsrente waarop het geschil betrekking heeft zijn opgelegd in het kader van een door de Belastingdienst uitgevoerd onderzoek naar houders van bankrekeningen, vermeld op door de Belgische autoriteiten bij brief van 27 oktober 2000 aan de Nederlandse belastingdienst verstrekte fotokopieën, het zogenaamde Rekeningenproject. In de uitspraak van Hof Amsterdam van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 t/m 04/03349, gepubliceerd onder LJN: BJ1298, is dit project nader omschreven en heeft het Hof een oordeel gegeven omtrent een aantal algemene, dus niet specifiek op belanghebbende betrekking hebbende, geschilpunten naar aanleiding van de in het kader van dit project opgelegde (navorderings)aanslagen. Dit oordeel komt er - voor zover thans nog van belang - op neer dat het onderzoek van de Belastingdienst naar de identiteit van de op de fotokopieën vermelde personen betrouwbaar is geweest.

4.5.5. De in dit geding ingebrachte stukken met betrekking tot deze algemene geschilpunten noch hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd, geeft de rechtbank reden voor een ander oordeel. Derhalve volstaat de rechtbank voor haar beslissingen ten aanzien van die geschilpunten met een verwijzing naar de in 4.5.4 genoemde uitspraak van Hof Amsterdam. De rechtbank gaat voorbij aan het in de pleitnota voor de zitting van 22 maart 2012 in punt 5.17. door de gemachtigde gedane aanbod tot het horen van getuigen. In voormelde uitspraak van 2 juli 2009 heeft het Hof al geoordeeld dat de daar beschreven methode van identificatie van rekeninghouders betrouwbaar is. In dit geval is dezelfde methode gevolgd, met als resultaat dat slechts één persoon als rekeninghouder werd geïdentificeerd. Onder deze omstandigheden kunnen de door de getuigen af te leggen verklaringen niet leiden tot een andere beslissing over het onderhavige geschilpunt.

4.5.6. De inspecteur heeft met het onder 2.5. genoemde onderzoek aannemelijk gemaakt dat de combinatie van een [belanghebbende] in combinatie met een persoon genaamd [echtgenote] uniek is. De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van deze gegevens voldoende is om, zoals de inspecteur heeft gedaan, belanghebbende aan te merken als de persoon die op de microfiches wordt bedoeld. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat uit het identificatieproces slechts één hit naar voren kwam waarbij [belanghebbende] partner is van [echtgenote]. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van achternamen tezamen met de voorletter(s) van belanghebbende zo specifiek is, dat er geen reden is om aan te nemen dat de vermelding op het microfiche op enig andere persoon dan belanghebbende kan slaan. Dat de naam [belanghebbende] dan wel de naam [echtgenote] afzonderlijk niet uniek zijn, zoals belanghebbende heeft gesteld en de inspecteur ook niet heeft betwist, doet hier niet aan af. Van de brieven die belanghebbende aan de KB Lux heeft verstuurd en onbeantwoord zijn gebleven, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank geloofwaardig verklaard, dat het in Luxemburg geldende bankgeheim het de KB Lux verbiedt te reageren op verzoeken zoals die door belanghebbende zijn geformuleerd. De omstandigheid dat KB Lux niet reageert, betekent dus niet dat belanghebbende geen relatie met deze bank kan hebben gehad, zodat de rechtbank aan dit gegeven verder geen betekenis toekent.

Omkering van de bewijslast

4.6. Gelet op het vorenoverwogene staat vast dat belanghebbende op 31 januari 1994 houder was van KB-Luxrekeningen. Tevens staat vast dat de inspecteur belanghebbende meermaals heeft verzocht om gegevens en inlichtingen over vermogensbestanddelen in het buitenland waartoe belanghebbende gerechtigd is. De inspecteur heeft belanghebbende er daarbij voor iedere aanslag afzonderlijk op gewezen dat hij ingevolge artikel 47, eerste lid, van de AWR verplicht is aan dit verzoek te voldoen en belanghebbende gewezen op de omkering van de bewijslast indien belanghebbende de gevraagde gegevens en inlichtingen niet zou verstrekken. Nu vaststaat dat belanghebbende gerechtigd is tot de bankrekeningen bij KB Lux, had hij deze gegevens desgevraagd aan de inspecteur moeten verstrekken. Belanghebbende heeft de door de inspecteur gevraagde gegevens niet verstrekt. Daarmee heeft hij niet voldaan aan artikel 47, eerste lid, aanhef en letter a, van de AWR en heeft de inspecteur terecht de bewijslast omgekeerd. Hieruit vloeit voort dat de rechtbank het beroep met betrekking tot de (nagevorderde) belasting op grond van het bepaalde in artikel 27e, onder b, van de AWR ongegrond dient te verklaren, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Belanghebbende heeft voor dat laatste onvoldoende aangedragen.

Schatting

4.7.1. Uit de gegevens van rekeninghouders van KB Lux die op de microfiches staan vermeld en die inzicht hebben gegeven in hun rekeninggegevens (hierna: bekenners), volgt volgens de inspecteur dat het saldo dat op de microfiches staat vermeld, niet overeenstemt met de werkelijk aangehouden tegoeden bij KB Lux. De inkomsten en het vermogen heeft de inspecteur daarom geschat aan de hand van de gegevens van de bekenners.

4.7.2. De inspecteur heeft op de zitting van 22 maart 2012 een overzicht overgelegd met een herberekening van de belastbare inkomens voor de IB/PVV en belastbare vermogens voor de VB waarbij hij de factor 1,5 die hij in zijn eerdere berekening heeft toegepast, heeft geëlimineerd. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 29 maart 2012 verklaard dat de inkomens- en vermogenscorrecties, zoals die door de inspecteur zijn herberekend en zijn vermeld in voornoemd overzicht, overeenkomstig dit standpunt van de inspecteur zijn aangepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de belastbare inkomens en vermogens, zoals die zijn genoemd in het op de zitting overgelegde overzicht, niet onredelijk geschat. Nu de rechtbank ook anderszins niet is gebleken dat de inspecteur bij die berekening fouten heeft gemaakt, zal de rechtbank de (navorderings)aanslagen dienovereenkomstig verminderen.

Vertrouwensbeginsel

4.8.1. Belanghebbende heeft voor de aanslag IB/PVV 2001 een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Omdat de inspecteur enkel navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 1990 tot en met 1999 heeft opgelegd, is belanghebbende ervan uitgegaan dat de inspecteur zelfstandig de beslissing heeft genomen niet over het jaar 2000 na te vorderen. Daarmee heeft hij het vertrouwen gewekt dat een correctie van de aangifte IB/PVV over het jaar 2001 achterwege zou blijven, aldus belanghebbende. De inspecteur heeft ter zitting bestreden dat sprake is van een bewuste standpuntbepaling om over 2000 geen navorderingsaanslag op te leggen. Ook kan belanghebbende geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel, omdat hij te kwader trouw is. Hij was immers van de correcties op de hoogte, zo stelt de inspecteur.

4.8.2. Vaststaat dat de inspecteur niet de expliciete toezegging heeft gedaan dat de aangifte over het jaar 2001 niet zou worden gecorrigeerd. De rechtbank verstaat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel aldus dat belanghebbende aan een (impliciete) standpuntbepaling van de inspecteur het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat over 2001 niet zou worden gecorrigeerd. Alsdan is voor het in rechte te beschermen vertrouwen vereist dat er sprake is van omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat de inspecteur van een correctie over 2001 zou afzien.

4.8.3. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat van dergelijke omstandigheden sprake is. De enkele omstandigheid dat over 2000 niet is nagevorderd, is daartoe onvoldoende, temeer nu de inspecteur ter zitting onweersproken heeft verklaard dat waarschijnlijk te laat door de inspecteur is opgemerkt dat over 2000 nog niet was nagevorderd. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op het vertrouwensbeginsel.

Boeten

4.9.1. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, LJN BN6324, rust in het kader van de vaststelling van de boeten op de inspecteur de last te bewijzen dat belanghebbende in elk van de jaren 1991 tot en met 2001 rente-inkomsten niet heeft verantwoord.

4.9.2. Ingevolge de wettelijke regeling vanaf 1 januari 1998 wordt, indien daarvoor redenen zijn, een boete opgelegd bij een afzonderlijk genomen beschikking. Voordien werd in voorkomende gevallen een verhoging in de navorderingsaanslag begrepen, waarbij in een afzonderlijk besluit een beslissing omtrent de kwijtschelding van die verhoging werd genomen. Het onderscheid tussen beide regelingen heeft voor zover thans van belang geen betekenis. Waar de Hoge Raad in zijn overwegingen gebruik maakt van de term ‘boete’ dient voor deze beroepen, welke betrekking hebben de op jaren vóór 1998, te worden gelezen ‘verhoging’.

4.9.3. Op de zitting van 22 maart 2012 heeft de inspecteur het nader standpunt ingenomen dat het beboetbare feit alleen bewezen is voor de navorderingsaanslag VB 1994. De inspecteur heeft daartoe aangevoerd dat op de rekeningen een gebroken bedrag staat. Het gebroken bedrag wijst er op dat de rekening vóór 1994 is geopend, omdat voor zover hij weet er geen gebroken bedrag op een depositorekening kan worden gestort en er dus sprake moet zijn geweest van een bijboeking van rente. Voor de overige jaren heeft de inspecteur verklaard het bewijs niet te kunnen leveren en de boeten daarom in het geval van belanghebbende voor de overige jaren te laten vallen. De gemachtigde van belanghebbende heeft de opmerking van de inspecteur over het storten van gebroken bedragen op deposito’s bij gebrek aan wetenschap in het belang van haar cliënt betwist.

4.9.4. Vaststaat dat belanghebbende op 31 januari 1994 over de onder 2.4. genoemde KB-Luxrekeningen beschikte met de aldaar vermelde saldi. Vaststaat dat de als TER aangeduide rekeningen beleggings- en/ of spaarrekeningen zijn. Dat neemt echter niet weg dat gelet op de hoogte van de daarop staande saldi zonder nader bewijs niet aannemelijk is dat belanghebbende ook al in het jaar 1993 en op 1 januari 1994 over voor de vermogensbelastingheffing relevant vermogen beschikte waarvan hij geen aangifte heeft gedaan. De stelling van de inspecteur dat het gebroken bedrag op 31 januari 1994 erop zou wijzen dat de rekening vóór 1994 al bestond, wordt door de rechtbank verworpen, nu deze stelling tegenover de betwisting door belanghebbende niet nader is onderbouwd. Daarom acht de rechtbank de inspecteur niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd.

4.9.5. Uit het voorgaande volgt dat alle in het geding zijnde (navorderings)aanslagen dienen te worden verminderd met de daarin begrepen verhoging en de boetenbeschikkingen dienen te worden vernietigd.

Heffingsrente

4.10. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep tegen de heffingsrente slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de nader vastgestelde belastbare inkomens en belastbare vermogens betreft.

5. Immateriële schadevergoeding

Belanghebbende verzoekt om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Naar de rechtbank begrijpt klaagt belanghebbende zowel over de duur van de bezwaarfase als over de duur van de gerechtelijke procedure en verzoekt hij zowel om vergoeding van schade geleden door de duur van de bezwaarprocedure als om vergoeding van schade geleden door de duur van de gerechtelijke procedure. De rechtbank bepaalt dat het onderzoek na de hierna vermelde datum van de beslissing zal worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak op de verzoeken van belanghebbende. De rechtbank zal daartoe eerst de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen, voor zover dit het verzoek betreft tot vergoeding van schade als gevolg van een eventuele overschrijding van de redelijke termijn in de gerechtelijke procedure.

6. Proceskosten

6.1. Nu het beroep gegrond is, vindt de rechtbank aanleiding voor een kostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb. De rechtbank vindt geen aanleiding voor een andere veroordeling dan die welke voortvloeit uit het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), nu hetgeen belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. De rechtbank zal de kosten daarom berekenen met toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit.

6.2. Voor de berekening van deze kosten heeft de rechtbank de volgende (proces)handelingen in aanmerking genomen:

Bezwaarfase: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift,

1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting

Totaal 2 punten x € 161 x wegingsfactor 1 is € 322.

Beroepsfase: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift,

0,5 punt voor het indienen van conclusie van repliek,

1 punt voor het voor het verschijnen ter zitting van 23 oktober 2009

0,5 punt voor her verschijnen ter zitting van 22 maart 2012

Totaal 3 punten x € 322 x wegingsfactor 1 is € 966.

Het totaal van de kosten komt aldus uit op € 1.288.

6.3. Nu de beslissing omtrent de schadevergoeding is aangehouden zal de rechtbank de beslissing omtrent de daarmee mogelijk samenhangende proceskosten, voor zover deze niet reeds in 6.2 zijn begrepen, eveneens aanhouden.

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1991 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 156.316;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1992 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 155.899;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1993 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 135.868;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1995 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 136.704;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1996 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 145.942;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1998 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 166.018;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 1999 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 241.019;

- vermindert de aanslag IB/PVV over het jaar 2001 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.528, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 218.139 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.099;

- vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1992 tot een berekend naar een belastbaar vermogen van ƒ 814.000;

- vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1993 tot een berekend naar een belastbare vermogen van ƒ 687.000;

- vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1994 tot een berekend naar een belastbare vermogen van ƒ 617.000;

- vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1996 tot een berekend naar een belastbare vermogen van ƒ 480.000;

- vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1997 tot een berekend naar een belastbare vermogen van ƒ 601.000;

- vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 1999 tot een berekend naar een belastbare vermogen van ƒ 886.000;

- vermindert de navorderingsaanslag VB over het jaar 2000 tot een berekend naar een belastbare vermogen van ƒ 542.000;

- vernietigt de besluiten van de inspecteur geen kwijtschelding te verlenen;

- vernietigt de boetebeschikkingen;

- vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.288;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 38 aan deze vergoedt;

- houdt de beslissing betreffende de te vergoeden immateriële schade aan.

Deze uitspraak is gedaan op 14 juni 2012 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. D. Hund en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 20 juni 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.