Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX2328

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
02/806169-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Partiële niet-ontvankelijkheid officier van justitie wegens overschrijding klachttermijn inzake smaad/laster in Zembla-uitzending; voor het overige vrijspraak in verband met ontbreken bewijs ten aanzien van bestanddeel "ruchtbaarheid geven".

Veroordeling terzake onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf, mede in verband met de starre houding van verdachte en het gebrek aan zelfreflectie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector strafrecht

parketnummer: 02/806169-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 juli 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. J.J.R. Albicher, advocaat te Roosendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 juli 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van november 2007 tot en met mei 2011 opzettelijk de eer of goede naam van haar ex-echtgenoot heeft aangetast door ruchtbaarheid te geven van het feit dat deze zijn en andermans kinderen seksueel heeft misbruikt en deelnam aan een kinderpornonetwerk, dit al of niet terwijl zij wist dat er geen misbruik heeft plaatsgevonden en hij geen lid was van een dergelijk netwerk (feit 1), en

tussen juli 2010 en oktober 2010, al of niet in vereniging, haar dochter opzettelijk heeft onttrokken aan het gezag van haar vader en het toezicht van Bureau Jeugdzorg (feit 2).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat [naam ex-echtgenoot] de ex-echtgenoot van verdachte, op 10 februari 2011 aangifte heeft gedaan van laster en/of smaad. Het betreffen klachtdelicten en dit impliceert dat een klacht moet worden ingediend binnen 3 maanden nadat de aangever kennis heeft genomen van de feiten. [naam ex-echtgenoot] baseerde zijn aangifte mede op een uitzending van het televisieprogramma Zembla, uitgezonden op 24 mei 2009. [naam ex-echtgenoot] heeft zelf aan die uitzending meegewerkt door zijn advocate zijn visie van het geheel te laten uiteenzetten, zodat hij in ieder geval sinds 24 mei 2009 op de hoogte was van de vermeende laster/smaad.

Op 30 maart 2011 heeft [naam ex-echtgenoot] een aanvullende verklaring afgelegd en daarbij gewezen op de zijns inziens uit de indicatiebesluiten van Bureau Jeugdzorg blijkende laster cq. smaad door verdachte.

In die verklaring geeft [naam ex-echtgenoot] verder aan dat hij in augustus 2010 in de toenmalige winkel van verdachte had vernomen dat verdachte hem nog steeds betichtte van seksueel misbruik.

Hierdoor is komen vast te staan dat [naam ex-echtgenoot] pas klacht heeft gedaan, terwijl hij al veel langer dan 3 maanden op de hoogte was van die vermeende feiten. De officier van justitie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft dit standpunt bestreden. Hij wijst erop dat de uitzending van Zembla tot op de dag van vandaag is te bekijken via internet, zodat het delict van verdachte nog immer voortduurt. Voorts was het voor [naam ex-echtgenoot] een buitengewoon grote stap om aangifte te gaan doen, waarbij hij voor wat betreft feit 2 ook nog eens werd tegengewerkt door de politie. Nu de smaad nog immer voortduurt en volgens vaste rechtspraak een gebrek in een klacht ook achteraf nog kan worden hersteld, en kan het openbaar ministerie worden ontvangen in de vervolging.

De rechtbank overweegt het navolgende met betrekking tot:

De verweten gedragingen:

Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat zij in de periode van november 2007 tot en met mei 2011 op verschillende manieren bekend heeft gemaakt dat [naam ex-echtgenoot] zijn kinderen seksueel had misbruikt en wel aan haar of zijn familie, vrienden, kennissen, collega’s of buren, alsmede aan medewerkers van Bureau Jeugdzorg, [naam] of de politie en in het televisieprogramma Zembla.

Door de toevoeging dat verdachte dit deed terwijl zij wist dat dit in strijd met de waarheid was valt de delictsomschrijving zowel onder smaad (artikel 261 Wetboek van Strafrecht) als onder laster (artikel 262 van die wet).

Krachtens het bepaalde in artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht betreft het misdrijven die niet kunnen worden vervolgd dan op klacht van degene tegen wie het feit is gepleegd.

De termijn van de indiening van een klacht:

De wetgever heeft in het onderhavige geval aan de indiening van een klacht een termijn verbonden van drie maanden, welke termijn aanvangt op het moment dat de tot het indienen van een klacht gerechtigde kennis heeft gekregen van de geuite beschuldigingen.

De bedoeling van de wetgever om een termijn te verbinden aan het indienen van een klacht is gelegen in de omstandigheid dat de wetgever enerzijds de tot een klacht gerechtigde de mogelijkheid wilde ontnemen om tot in lengte van jaren gebruik te kunnen blijven maken van dat recht en anderzijds de beledigende niet onbeperkt een “zwaard” van vervolging boven het hoofd kan blijven worden gehouden.

In de rechtspraak wordt weliswaar soepel omgegaan met de vereisten van de indiening van een klacht, doch het betreft dan de vereisten die samenhangen met de aard of de inhoud van de klacht. Deze soepelheid geldt uitdrukkelijk niet op het punt van de wettelijke klachttermijn. Bepalend voor de ontvankelijkheid is volgens deze jurisprudentie het moment waarop voor het eerst de wens tot vervolging is geuit.

Zo de klacht dus is gericht op uitlatingen of gedragingen van verdachte, waarvan [naam ex-echtgenoot] meer dan drie maanden vóór de indiening van de klacht kennis had genomen, dan is de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk in de vervolging.

De rechtbank stelt vast dat [naam ex-echtgenoot] op 27 juli 2010 aangifte heeft gedaan van de onttrekking aan het gezag van zijn dochter [naam dochter]. In die aangifte wordt niet gerept van door verdachte gepleegde smaad of laster. Bij brief van 29 november 2010 heeft de raadsvrouw van [naam ex-echtgenoot] namens deze bij de hoofdofficier van justitie te Breda aangifte gedaan van smaad en/of laster, gepleegd door verdachte vanaf 2007. Op 10 februari 2011 heeft verdachte opnieuw aangifte en tevens klacht gedaan van smaad en/of laster, onder meer het programma Zembla betreffende.

Anders dan de officier van justitie meent, is naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de beoordeling van de ontvankelijkheid geen sprake van één voortdurend feit, maar dient de ontvankelijkheid te worden beschouwd per tenlastegelegd incident.

Programma Zembla

De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte, door in het programma Zembla de genoemde beschuldigingen te uiten, terwijl zij wist dat [naam ex-echtgenoot] voor die feiten integraal was vrijgesproken, zich heeft schuldig gemaakt aan een voortdurend delict. De uitzending van Zembla is immers tot op de dag van vandaag via internet te bekijken.

De rechtbank volgt hem daarin niet. De uitlatingen van verdachte in het televisieprogramma Zembla betreffen immers één en dezelfde gedraging, te weten de uitlatingen voor de camera tijdens het interview ten behoeve van dit programma. Dit interview moet blijkens het dossier hebben plaatsgehad omstreeks april/mei 2009. Als verdachte al had kunnen voorzien dat deze Zembla-uitzending later via internet alsnog te bekijken zou kunnen zijn, dan kan zij in het onderhavige geval niet verantwoordelijk worden gehouden voor de beslissing van de VARA om de inhoud van het programma op internet te plaatsen.

Bovenal echter doet de nog immer voortdurende toegankelijkheid van de uitzending van Zembla niet af aan het feit dat [naam ex-echtgenoot] reeds op of kort na de datum van uitzending, zijnde 24 mei 2009, kennis heeft genomen van het gepleegde feit. [naam ex-echtgenoot] heeft echter pas op 10 februari 2011 terzake aangifte gedaan en een klacht ingediend.

Voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie is blijkens de hiervoor aangehaalde rechtspraak niet alleen de datum van indiening van de klacht bepalend, maar ook relevant de datum waarop [naam ex-echtgenoot] voor het eerst een wens tot vervolging heeft geuit. Het dossier bevat echter geen enkel aanknopingspunt dat [naam ex-echtgenoot] een dergelijke wens binnen de termijn kenbaar heeft gemaakt en evenmin dat [naam ex-echtgenoot] binnen die termijn door tegenwerking door de politie niet in staat zou zijn geweest een dergelijke wens kenbaar te maken. Ook de schriftelijke aangifte van 29 november 2010 terzake smaad/laster valt voor wat betreft het Zembla-programma ruimschoots buiten de klachttermijn van drie maanden als bedoeld in artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam ex-echtgenoot] daardoor ten aanzien van de uitlatingen in Zembla niet tijdig op de bij de wet voorgeschreven wijze klacht gedaan. De officier van justitie dient dan ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Omgeving en instanties

Ten aanzien van het kenbaar maken aan familie, vrienden, kennissen of buren heeft [naam ex-echtgenoot] verklaard dat hij in augustus 2010 hoorde van zijn voormalige buurvrouw [naam buurvrouw] dat verdachte hem nog steeds van seksueel misbruik beschuldigde.

Ten aanzien van beschuldigingen, geuit tegen de diverse instanties, is gebleken dat [naam ex-echtgenoot] daarvan kennis kreeg door rapporten, althans indicatiebesluiten van Bureau Jeugdzorg (hierna ook: BJZ) d.d. 12 maart 2010, 13 oktober 2010 en 15 december 2010, alsmede van [naam] Diagnostisch Centrum (hierna ook: [naam]) d.d. 29 juni 2011.

[naam ex-echtgenoot] heeft op 27 juli 2010 aangifte gedaan van de onttrekking aan het gezag van dochter [naam dochter]. In die aangifte wordt niet gerept van gepleegde smaad of laster. Zo [naam ex-echtgenoot] al werd tegengewerkt door de politie, dan stelt de rechtbank vast dat aan het doen van deze aangifte medewerking is verleend.

De raadsvrouw van [naam ex-echtgenoot] deed namens hem op 29 november 2010 voor het eerst aangifte van door verdachte gepleegde smaad/laster. Deze brief beschouwt de rechtbank als het eerste moment waarop verdachte de wens te kennen heeft gegeven dat verdachte zou worden vervolgd voor laster dan wel smaad.

Dit brengt met zich mee dat de mededelingen van verdachte aan BJZ, neergelegd in het indicatiebesluit van 12 maart 2010, evenals de mededelingen van verdachte aan de politie buiten de klachttermijn vallen. Nu [naam ex-echtgenoot] dienaangaande zijn klacht te laat heeft ingediend, is de officier van justitie ook in zoverre niet-ontvankelijk in de vervolging.

Ten aanzien van de tegenover de buurvrouw geuite beschuldigingen zal de rechtbank, gelet op de omstandigheid dat [naam ex-echtgenoot] daarvan kennis heeft genomen in augustus 2010 en de wens tot vervolging heeft kenbaar gemaakt op 29 november 2010, nog wel als binnen de termijn van drie maanden vallend beschouwen. Niet uitgesloten is immers dat [naam ex-echtgenoot] van deze uitlatingen eerst eind augustus heeft kennis genomen. Eveneens heeft [naam ex-echtgenoot] tijdig klacht ingediend voor wat betreft de uitlatingen van verdachte, neergelegd in de indicatiebesluiten van BJZ van 13 oktober 2010 en 15 december 2010, evenals in het rapport van [naam] van 29 juni 2011. Voor wat betreft laatstgenoemd rapport moet de klacht van 10 februari 2011 geacht worden daarop mede te zien, nu het soortgelijke uitlatingen van verdachte betreft.

Ten aanzien van het overige onder 1 ten laste gelegde is de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank dan ook wel ontvankelijk in de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte smadelijke of lasterlijke uitspraken heeft gedaan aan medewerkers van BJZ en [naam] en baseert zich daarbij op de omstandigheid dat die uitspraken weliswaar zijn gedaan, maar binnen de setting van de hulpverlening.

Gelet op de daarmee samenhangende geheimhoudingsplicht kunnen die uitspraken van verdachte niet worden beschouwd als zijnde gedaan met het kennelijke doel dat daaraan ruchtbaarheid zou worden gegeven.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar dochter [naam dochter] van juli tot half oktober 2010 heeft meegenomen naar het buitenland, en zodoende heeft onttrokken aan het wettige gezag van de vader van [naam dochter] en het opzicht van BJZ. Hij baseert zich daarbij op de deels bekennende verklaring van verdachte, de verklaring van [naam ex-echtgenoot] alsmede de rapportage van BJZ en van [naam]. Voorts wijst de officier van justitie erop dat, nu [naam dochter] onder toezicht was gesteld, de gezinsvoogd naar vaste rechtspraak te allen tijde toegang tot de minderjarige dient te hebben.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide feiten en wijst daarbij op het navolgende.

Bij feit 1 kan het bestanddeel ruchtbaarheid geven niet worden bewezen en evenmin is komen vast te staan dat verdachte de opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had.

Bij feit 2 is geen sprake van het onttrekken aan het ouderlijk gezag, nu verdachte sinds de echtscheiding feitelijk alleen het gezag over [naam dochter] heeft uitgeoefend. Bovendien was verdachte (op vakantie) met [naam dochter] naar Frankrijk gegaan ter bescherming van haar dochter en haarzelf, nu [naam ex-echtgenoot] en leden van zijn organisatie haar hadden bedreigd.

Evenmin heeft verdachte [naam dochter] aan het opzicht van Bureau Jeugdzorg onttrokken. Zij heeft geprobeerd haar vakantie te melden. Bovendien heeft Jeugdzorg geen aangifte gedaan, noch de aangifte van [naam ex-echtgenoot] ondersteund.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Thans ligt aan het oordeel van de rechtbank allereerst de vraag voor of de uitlatingen van verdachte aan medewerkers van BJZ en [naam], zoals blijkt uit de verslagen van respectievelijk 13 oktober 2010, 15 december 2010 en 29 juni 2011, lasterlijk dan wel smadelijk waren ten opzichte van [naam ex-echtgenoot].

Vast staat dat verdachte die uitspraken heeft gedaan, maar binnen de setting van de hulpverlening. De rechtbank volgt de officier van justitie en de raadsman dat deze uitspraken niet kunnen worden beschouwd als zijnde gedaan met het kennelijke doel dat daaraan ruchtbaarheid zou worden gegeven. Dat uitlatingen van verdachte in de betreffende rapporten zijn opgenomen brengt evenmin mee dat aan het vereiste van ruchtbaarheid geven is voldaan, nu de inhoud van deze rapporten in beginsel slechts in de hulpverleningssetting bekend wordt.

Voorts dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte tegenover de buurvrouw van verdachte (en destijds van [naam ex-echtgenoot]) smadelijke of lasterlijke uitspraken heeft gedaan. Deze buurvrouw, [naam buurvrouw] heeft echter bij de politie verklaard dat zij dit wel eens met [naam ex-echtgenoot] had besproken, maar dat verdachte (zie pagina 036 van het eindproces-verbaal) nadat [naam ex-echtgenoot] was vrijgesproken niet veel meer over hem heeft gesproken met haar. De verklaring van [naam buurvrouw] dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat zij bang was dat [naam dochter] straks weer naar haar vader moest en dat het verhaal dan verder zou gaan waar het gestopt was, acht de rechtbank onvoldoende steunbewijs voor de aangifte van [naam ex-echtgenoot] op dit punt.

De rechtbank zal verdachte dan ook van dit gedeelte van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijspreken.

Feit 2:

Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank is de minderjarige [naam dochter] [2e naam dochter] naam ex-echtgenoot] geboren op [adres] en dochter van [initialen]. [naam ex-echtgenoot] met ingang van

22 december 2009 onder toezicht gesteld van de Stichting BJZ voor de duur van één jaar.

[voornamen] [naam ex-echtgenoot] heeft op 27 juli 2010 aangifte gedaan van onttrekking aan het ouderlijk gezag van zijn dochter [naam dochter] en de vermissing van haar. Hij heeft verklaard dat hij via BJZ begreep dat [naam dochter] na 15 juli 2010 niet meer op haar school is verschenen.

Gezinsvoogdijwerker [naam gezinsvoogdijwerker] heeft gemeld dat verdachte in juli 2010 met [naam dochter] met onbekende bestemming is vertrokken zonder de gezinsvoogdijwerker hiervan op de hoogte te stellen.

Verbalisant [naam verbalisant] heeft verklaard dat verdachte en [naam dochter] per 15 juli 2010 uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) waren uitgeschreven. Op 13 oktober 2010 werd door BJZ doorgegeven dat verdachte en [naam dochter] weer terug in Nederland waren.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat na de echtscheiding in 2004 zij en [naam ex-echtgenoot] waren overeengekomen dat het ouderlijk gezag van beide ouders zou worden gehandhaafd, hetgeen zij bij convenant hebben bekrachtigd.

Zij heeft voorts verklaard dat zij op 15 juli 2010 met [naam dochter] is vertrokken naar Frankrijk, zonder de vader van [naam dochter] en de gezinsvoogdijstichting BJZ daarvan in kennis te stellen. Sinds 1 oktober 2010 zijn verdachte en [naam dochter] weer terug in Nederland.

Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar dochter in de tenlastegelegde periode heeft onttrokken aan het wettige gezag van de vader én aan het opzicht van BJZ.

De rechtbank verwerpt de stelling van de raadsman, dat het onderhavige geval niet valt onder de werking van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. De strekking van deze bepaling is nu juist om degene die het wettig gezag of het bevoegde toezicht over een minderjarige uitoefenen, in staat te stellen hun taak te kunnen vervullen, dit ter bescherming van de minderjarige. Dat er op dat moment geen feitelijk contact tussen vader en dochter was, doet daar niet aan af. Vader heeft wel mede het ouderlijk gezag.

Verdachte heeft nog betoogd dat zij BJZ wel heeft proberen in te lichten, maar dat tot vier maal toe de telefoon niet werd opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank ontslaat het enkele feit, dat verdachte (zo dit al zou vaststaan) heeft geprobeerd naar Jeugdzorg te bellen, haar niet van de verplichting aan de gezinsvoogd formeel melding te maken dat zij voor ruim 2½ maand met haar 13-jarige dochter naar het buitenland gaat vertrekken.

Tot slot heeft verdachte nog aangevoerd dat zij wel naar het buitenland moest vluchten, omdat zij en haar dochter werden bedreigd door [naam ex-echtgenoot] en werden bespioneerd door leden van zijn organisatie. Dat er een bedreigende situatie was ontstaan is niet gebleken door bijvoorbeeld, hetgeen voor de hand had gelegen, een aangifte van verdachte bij de politie. Wat er ook overigens zij van de beweringen van verdachte die op geen enkele wijze worden gestaafd, zij had daarop niet moeten reageren door met een jong, schoolgaand kind naar het buitenland te vertrekken zonder de vader en BJZ in kennis te stellen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 15 juli 2010 tot 1 oktober 2010 te Roosendaal, en onbekend gebleven bestemming(en) in Frankrijk, opzettelijk een minderjarige, te weten [naam dochter] [2e naam dochter] [naam ex-echtgenoot] geboren op [adres], heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag en aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen deze [naam dochter] [2e naam dochter] [naam ex-echtgenoot]

-naar een voor de vader, [voornamen] [naam ex-echtgenoot] en de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant onbekend gebleven bestemming buiten Nederland gebracht en gehouden, en

-van school gehaald zonder toestemming en medeweten van deze vader en/of de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant.

De rechtbank heeft verschrijvingen in deze tenlastelegging verbeterd, aangezien verdachte door die verbetering niet in haar verdediging kan zijn geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte terzake van feit 1 en 2 op te leggen een gevangenisstraf van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast vordert de officier van justitie een onvoorwaardelijke werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op grond van de geringe ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan in combinatie met het tijdsverloop een schuldigverklaring zonder toepassing van straf gevraagd, althans matiging van de hoogte van de straf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft gedurende een periode van 2½ maand haar dochter onttrokken aan het ouderlijk gezag van de vader en aan het opzicht dat Bureau Jeugdzorg in het kader van de uitgesproken ondertoezichtstelling (hierna ook: OTS) over die dochter uitoefende.

Weliswaar wordt de officier van justitie voor feit 1 deels niet-ontvankelijk verklaard en zal verdachte voor het overige van dat feit worden vrijgesproken, maar de daarbij aan de orde gekomen problematiek strekt zich ook uit over feit 2. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om, mede gezien de starre, vasthoudende opstelling van verdachte, daarop nog in te gaan.

Verdachte geeft er blijk van geen enkel zelfreflecterend vermogen te hebben door ook op de zitting opnieuw te stellen dat [naam ex-echtgenoot] hun kinderen seksueel zou hebben misbruikt en dat er nog steeds sprake zou zijn van een kinderpornonetwerk.

[naam ex-echtgenoot] is in 2009 van deze verdenking door de strafrechter onherroepelijk vrijgesproken omdat er geen enkel bewijs tegen hem was. Om in de bewoordingen van de officier van justitie te blijven “er was geen vuur, er was geen rook, er is zelfs geen rookpluimpje”.

Diezelfde starre opstelling heeft verdachte ten toon gespreid door haar dochter aan het toezicht van haar vader en het opzicht van BJZ te onttrekken. Zij blijft zich meer en meer vastbijten in de vermeende bescherming van haar kinderen tegen een niet-bestaande dreiging. Hierdoor heeft [naam ex-echtgenoot] nu al jaren geen contact met [naam dochter] en zijn andere kinderen, hetgeen niet alleen voor [naam ex-echtgenoot] maar zeker ook voor de kinderen zeer vergaande consequenties heeft en nog zal hebben.

Verdachte heeft een blanco strafblad. De officier van justitie heeft zijn eis geformuleerd met in het achterhoofd de overweging dat aan de lasterlijke uitspraken van verdachte hoe dan ook een einde moeten komen. Die overweging, hoewel begrijpelijk, kan de rechtbank niet bij de bepaling van de straf betrekken. Maar ook het onttrekken aan het ouderlijk gezag, en zeker ook het onttrekken aan het toezicht door BJZ in het kader van de OTS, beschouwt de rechtbank als ernstige feiten. Daarmee wordt immers niet alleen de vader diens ouderlijk gezag in feite ontnomen, maar ook wordt een door de rechter opgelegd toezicht ter bescherming van de opgroei van minderjarigen feitelijk onmogelijk gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank dient hierop, gezien ook de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, een voorwaardelijke gevangenisstraf van behoorlijke duur te worden opgelegd als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte nogmaals in de verleiding komt tot een dergelijke daad te komen. De rechtbank zal verdachte derhalve een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met aftrek van voorarrest.

Daarvan ondervindt verdachte echter, zo zij zich gedraagt, geen nadeel. Om die redenen acht de rechtbank het passend en geboden dat verdachte daarnaast een werkstraf dient te ondergaan van 40 uren. De rechtbank is van oordeel dat dit de enige manier is om verdachte ervan te doordringen dat zij, met name in het belang van haar kinderen, een andere weg zal moeten gaan bewandelen. Een weg waarop ruimte ontstaat voor beide ouders ten opzichte van hun beider kinderen. Voor een schuldigverklaring zonder oplegging van straf zoals de raadsman heeft bepleit bestaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [initi] vordert een schadevergoeding van € 22.593,90 voor de feiten 1 en 2.

De schade valt uiteen in geleden materiële en immateriële schade en kosten van juridische bijstand.

Ten aanzien van de geleden materiële en immateriële schade is deze grotendeels gebaseerd op de door verdachte gedane uitlatingen, welke bij [naam ex-echtgenoot] tot grote schade ter zake van verwerking hebben geleid en tot grote emotionele druk. Ten aanzien van feit 1 echter wordt de officier van justitie deels niet-ontvankelijk verklaard en verdachte voor het overige vrijgesproken, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Beoordeling van het maken van een onderscheid in de veroorzaakte materiële schade als gevolg van de uitlatingen van verdachte (feit 1) en het onttrekken aan het ouderlijk gezag (feit 2) levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Hij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade terzake feit 2 acht de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 1.500,- voldoende aannemelijk gemaakt en zal zij de vordering in zoverre toewijzen. Voor het overige levert de beoordeling van de gevorderde immateriële schade terzake van dit feit een onevenredige belasting van het strafgeding op en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De benadeelde partij vordert betaling van de door hem gemaakte kosten van juridische bijstand ten bedrage van in totaal € 13.821,93. De kosten van zijn vorige raadsvrouw, advocate Tijsseling, hebben geen betrekking op de thans verweten strafbare feiten gehad, zodat ook voor dat deel de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De kosten van zijn huidige raadsvrouw hebben wel deels betrekking daarop, maar ook op gemaakte kosten inzake de procedures tot OTS en tot het indienen van de hiervoor gememoreerde klacht. Ook ten aanzien van die kosten zou het tot een onevenredige belasting van het strafgeding leiden om deze exact uit te splitsen.

Aan de andere kant is evident dat [naam ex-echtgenoot] kosten van juridische bijstand heeft moeten maken, welke zijn directe oorzaak vinden in het feit dat verdachte hun dochter aan zijn toezicht heeft onttrokken. De rechtbank ziet daarin, evenals in de toelichting ter zitting van de raadsvrouw van de benadeelde partij omtrent deze kosten, reden de kosten van juridische bijstand welke in totaal € 13.821,93 bedroegen, voor de helft toe te wijzen, derhalve tot een bedrag van € 6.910,96.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 36f en 279 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het onder 1 tenlastegelegde feit, voor zover betreffende de uit de uitzending van het programma Zembla en het indicatiebesluit van BJZ d.d. 12 maart 2010 blijkende uitlatingen van verdachte, evenals de mededelingen van verdachte aan de politie;

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk;

Vrijspraak

- spreekt verdachte voor het overige vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het onder 2 bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag en aan het bevoegde opzicht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [initialen]. [na[adres]] van € 1.500,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 6.910,96;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;(BP.09)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [initialen]. [naam ex-echtgenoot] [adres] (feit 2), € 1.500,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 25 dagen vervangende hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Alferink, voorzitter, mr. Van Gessel en mr. Schotanus, rechters, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 juli 2012. Mr. Van Gessel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

zij in of omstreeks de periode van november 2007 tot en met mei 2011 te Breda en/of Roosendaal, althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of goede naam van [voornamen] [naam ex-echtgenoot] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel aan (haar en/of zijn) familie en/of (haar en/of zijn) vrienden en/of (haar en/of zijn) kennissen en/of (haar en/of zijn) collega's en/of (haar en/of zijn) buren en/of medewerker(s) van bureau Jeugdzorg en/of [naam] en/of de politie en/of in het programma Zembla

- zakelijk weergegeven - medegedeeld dat deze [voornamen] [naam ex-echtgenoot] een of meer van zijn en/of andermans kinderen (seksueel) heeft misbruikt en/of deel uitmakend van een netwerk dat zich bezighoudt met het vervaardigen en/of verspreiden van kinderporno, terwijl verdachte wist dat dit/deze telastgelegde feit(en) in strijd met de waarheid was/waren;

2.

Zij in of omstreeks juli 2010 tot en met oktober 2010 te Breda en/of Roosendaal, althans in Nederland en/of onbekend gebleven bestemming(en) in Frankrijk, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [naam dochter] [2e naam dochter] [naam ex-echtgenoot] geboren op [adres], heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, deze [naam dochter] [2e naam dochter] [naam ex-echtgenoot]

-naar een voor de vader, [voornamen] [naam ex-echtgenoot] en/of de Stichting Bureau Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, althans de instantie die met de ondertoezichtstelling van [naam dochter] is/was belast, onbekend gebleven bestemming binnen en/of buiten Nederland gebracht en/of gehouden, en/of;

-van school gehaald zonder toestemming en/of medeweten van deze vader en/of de Stichting Bureau Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, althans de instantie die met de ondertoezichtstelling van [naam dochter] is/was belast.