Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX2119

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
12/915
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ7714, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg artikel 20 Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet, bedevaartplaats.

De rechtbank acht het uitgesloten dat de wetgever met het begrip ‘bedevaartplaats’ heeft bedoeld het gehele grondgebied van de gemeente, stad of dorp, maar dat hij specifiek heeft bedoeld de heilige plaats zelf. Bovendien blijkt uit de Nota van Toelichting, dat de wetgever met artikel 20 van het Vrijstellingenbesluit een uitzondering heeft willen maken voor de gelegenheid bedevaart en niet zozeer voor de plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/915 VEROR

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2012 in de zaak tussen

[eiser], te Wouw, eiser,

gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 7 september 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een standplaatsvergunning gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 13 januari 2012 (bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard. Het primaire besluit is daarbij ongewijzigd in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder].

Overwegingen

1. Eiser heeft op 11 juli 2011 een aanvraag ingediend voor een losse standplaats voor de verkoop van bloemen en planten vanaf 1 juli 2011 voor de periode van een jaar op zaterdagen en zondagen van 9.30 uur tot 17.00 uur. Bij brief van 25 augustus 2011 heeft verweerder aangegeven dat de vergunning niet (geheel) kan worden verleend, gelet op het bepaalde in artikel 2 van de Winkeltijdenwet. Verweerder heeft eiser verzocht om aan te geven of hij de aanvraag intrekt of dat hij alleen op zaterdag gebruik wil maken van de standplaats.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 7 september 2011 met kenmerk SBA 2011/1341 eiser vergunning verleend om van 1 juli 2011 tot 1 juli 2012 wekelijks een standplaats in te nemen op zaterdag van 9.30 uur tot 17.00 uur op de carpoolplaats tussen Klundert en Zevenbergen. Bij separaat besluit van 7 september 2011 met kenmerk SBA 2011/1667 heeft verweerder een standplaatsvergunning geweigerd voor wat betreft de zondagen in dezelfde periode.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de brieven van 25 augustus 2011 en 7 september 2011.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder:

? het bezwaar tegen de brief van 25 augustus 2011 niet-ontvankelijk verklaard;

? het bezwaar tegen het besluit tot verlening van een standplaatsvergunning van 7 september 2011 niet-ontvankelijk verklaard;

? het bezwaar tegen het besluit tot weigering van een standplaatsvergunning van 7 september 2011 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank stelt vast, en zo heeft eiser ook ter zitting bevestigd, dat het beroep uitsluitend is gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard. Het beroep heeft dus uitsluitend betrekking op de weigering van een standplaatsvergunning voor de zondagen in de periode 1 juli 2011 tot 1 juli 2012.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd, waarom een nieuwe vergunning niet verleend is kunnen worden. Eiser wijst erop dat hem in eerste instantie een vergunning is verleend en dat dat besluit formele rechtskracht heeft gekregen. Ter toelichting heeft eiser ter zitting aangegeven, dat de vergunningen voor de zondagen in de voorgaande jaren rechtmatig zijn verleend en dat hij daaraan de gerechtvaardigde verwachting heeft mogen ontlenen, dat de vergunning voor 2011/2012 onder gelijk gebleven omstandigheden weer zou worden verleend.

Aanvullend heeft eiser ter zitting nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Op de carpoolplaats, waar eiser zijn standplaats heeft, staat ook een frietkraam die wel een vergunning heeft voor verkoop op zondag. Eiser heeft er voorts op gewezen dat bij tankstations wel bloemen mogen worden verkocht op zondag. Ook kent eiser een bloemist die elders in de gemeente Moerdijk op zondag bloemen mag verkopen. Verder heeft eiser aangegeven dat de gemeente Moerdijk een bedevaartplaats is als bedoeld in artikel 20 van het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet (het Vrijstellingenbesluit).

3. Aangezien de geweigerde standplaatsvergunning op zeer korte termijn, namelijk per 1 juli 2012, van rechtswege komt te vervallen, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een oordeel over het bestreden besluit. Eiser heeft dienaangaande ter zitting opgemerkt, dat zijn procesbelang – onder meer – is gelegen in de door hem geleden schade in de vorm van winstderving.

Procesbelang kan gelegen zijn in een door het bestreden besluit veroorzaakte schade. Voorts geldt, dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) – onder meer de uitspraak van 25 februari 2009 (LJ-nummer: BH4009) – het belang van een oordeel omtrent de rechtmatigheid van een besluit kan zijn gelegen in de omstandigheid, dat het inhoudelijk oordeel over dat besluit kan worden betrokken bij toekomstige besluiten. De rechtbank is van oordeel dat de uitkomst van deze procedure van belang kan zijn voor een toekomstige aanvraag om standplaatsvergunning. Eiser heeft ter zitting aangegeven, dat hij voor de periode vanaf 1 juli 2012 zeker weer een standplaatsvergunning zal aanvragen. Verweerder heeft daarop aangegeven, dat die vergunning op dezelfde gronden weer zal worden afgewezen.

Dat leidt ertoe dat eiser naar het oordeel van de rechtbank nog procesbelang heeft bij de behandeling van dit beroep.

4.1. Ingevolge artikel 5:18, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Moerdijk (APV) is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

Ingevolge artikel 5:17, eerste lid, van de APV wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

Ingevolge artikel 1:8 van de APV kan een vergunning of ontheffing door het daartoe bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

4.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Winkeltijdenwet is het verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben op zondag.

Ingevolge artikel 1 van de Winkeltijdenwet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder winkel verstaan: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht.

Artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet bepaalt dat het voorts verboden is op de in het eerste lid bedoelde dagen en tijden in de uitoefening van een bedrijf, anders dan in een winkel, goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan en in rechtstreekse aanraking met particulieren.

5. Verweerder heeft de standplaatsvergunning ingevolge de APV voor de zondagen geweigerd, omdat de Winkeltijdenwet aan het verlenen van een standplaatsvergunning in de weg staat. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder de standplaatsvergunning voor de zondagen op goede gronden heeft geweigerd.

5.1. Het beroep van eiser op het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel kan niet slagen. Verweerder heeft aangegeven, dat de standplaatsvergunningen in de voorgaande jaren voor de zondagen abusievelijk zijn verleend. Verweerder heeft terecht opgemerkt, dat hij niet kan worden gedwongen om op basis van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel fouten uit het verleden te herhalen. Dat geldt temeer, nu de standplaatsvergunningen steeds voor een beperkte periode zijn verleend. Deze periodes zijn steeds duidelijk in de standplaatsvergunningen vermeld. In de verleende vergunningen is niet ondubbelzinnig of ongeclausuleerd vermeld, dat ook in toekomstige periodes onder gelijkblijvende omstandigheden weer vergunning zou worden verleend. Eiser heeft ook geen andere bewijsstukken overgelegd, waaruit blijkt dat een dergelijke toezegging is gedaan.

5.2. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft in dat verband verwezen naar drie in zijn ogen gelijke gevallen:

? standplaats voor de verkoop van bloemen elders in de gemeente Moerdijk

? standplaats op de carpoolplaats tussen Klundert en Zevenbergen voor de verkoop van snacks en frites;

? verkoop van bloemen bij tankstations.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de genoemde situaties niet gelijk aan die van eiser.

Niet in geschil is, dat eiser zijn bloemen en planten te koop aanbiedt en verkoopt in de uitoefening van een bedrijf, anders dan in een winkel. Op basis daarvan heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat de verbodsbepaling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet geldt voor eiser.

Ter zitting is gebleken dat de bloemist, die elders in de gemeente Moerdijk met een verkoopwagen bloemen mag verkopen op zondag, zijn standplaats heeft in de nabijheid van een begraafplaats. In dat geval geldt het verbod als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet niet (artikel 13, tweede lid, van het Vrijstellingenbesluit). De standplaats van eiser is niet gelegen op een afstand van ten hoogste 100 meter van een begraafplaats. In die zin is de aangehaalde situatie niet vergelijkbaar met die van eiser.

De exploitant van het door eiser bedoelde frietkraam biedt snacks en frites te koop aan op dezelfde carpoolplaats als waar eiser zijn standplaats heeft. Het verbod als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet geldt echter niet voor de straatverkoop van voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije dranken (artikel 12, eerste lid, van het Vrijstellingenbesluit). In die zin is de aangehaalde situatie niet vergelijkbaar met die van eiser.

Ook voor een benzinestation – zijnde een winkel – geldt dat deze is uitgezonderd van het verbod als bedoeld in de Winkeltijdenwet (artikel 2, eerste lid) om op zondag geopend te zijn. Dat is geregeld in artikel 6 van het Vrijstellingenbesluit. Dat geldt ook in geval in de desbetreffende winkel bloemen en planten te koop worden aangeboden, mits in die winkel de omzet uit de verkoop van goederen grotendeels wordt behaald uit de verkoop van brandstof en smeermiddelen voor voer- of vaartuigen en van benodigdheden voor gebruik, reiniging of spoedeisende reparaties van voer- of vaartuigen, alsmede accessoires daarvoor. De rechtbank is niet gebleken, dat bij het door eiser bedoelde benzinestation niet aan die voorwaarde wordt voldaan. In die zin is de aangehaalde situatie niet vergelijkbaar met die van eiser.

Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel kan, gelet op het voorgaande, niet slagen.

5.3. Op grond van artikel 20, tweede lid, aanhef en sub c, van het Vrijstellingenbesluit gelden de in artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet vervatte verboden niet ten aanzien van het te koop aanbieden en verkopen van bloemen en planten in de directe omgeving van een bedevaartplaats. Deze uitzondering geldt evenwel alleen gedurende de tijd dat deze plaats als zodanig wordt bezocht.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeente Moerdijk een bedevaartplaats is. In dat kader moet volgens eiser het gehele gemeentelijke grondgebied als bedevaartplaats worden beschouwd. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Eiser heeft op zich terecht opgemerkt, dat het begrip ‘bedevaartplaats’ in het Vrijstellingenbe-sluit niet is omschreven, noch in de daarbij gevoegde Nota van Toelichting. Daarom heeft eiser aansluiting gezocht bij de betekenis, die in het Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal is gegeven: “plaats waar mensen op bedevaart heen gaan”. De rechtbank stelt vast dat in Van Dale onder bedevaart wordt verstaan: “tocht naar een heilige plaats om een gunst af te smeken of als boetedoening”. De rechtbank acht het uitgesloten dat de wetgever met het begrip ‘bedevaartplaats’ heeft bedoeld het gehele grondgebied van een gemeente, stad of dorp, maar dat hij specifiek heeft bedoeld de heilige plaats zelf, in dit geval zijnde de Parochiekerk van Sint Stephanus aan de Steenweg te Moerdijk. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd, dat de standplaats van eiser in de directe omgeving van die heilige plaats is gelegen.

Bovendien heeft de wetgever, blijkens de Nota van Toelichting, met artikel 20 van het Vrijstellingenbesluit een uitzondering willen maken voor de gelegenheid bedevaart en niet zozeer voor de plaats. Dat zou betekenen dat, voor zover de standplaats van eiser al in de directe omgeving van de heilige plaats zou liggen, hij alleen ter gelegenheid van de bedevaart op zondag bloemen en planten zou mogen verkopen en niet op alle zondagen van het jaar.

6. Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel, dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd een standplaatsvergunning aan eiser te verlenen voor de zondagen in de periode 1 juli 2011 tot 1 juli 2012. Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2012.

N.A. D’Hoore, griffier mr. T. Peters, rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 10 juli 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.