Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX1725

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
12/148
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing van besluiten tot verstrekken van inlichtingen op basis van de Wib aan Belgische autoriteiten.

Bij de afweging in het kader van artikel 8:81 van de Awb is van belang dat de uitvoering van de bestreden besluiten een feitelijk gevolg teweeg brengt, dat in een latere fase van het geding door verweerder (bij het nemen van de beslissingen op de bezwaarschriften) of de rechtbank (oordelend in de bodemprocedures) niet meer kan worden hersteld. Dit onomkeerbare gevolg brengt thans mee dat de uitvoering van de bestreden besluiten voorshands prematuur moet worden geacht. Temeer daar verweerder tijdens de hoorzitting van 27 februari 2012 heeft aangegeven dat de wettelijke grondslag van de bestreden besluiten mogelijk wordt gewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/148, 12/149 en 12/150

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 maart 2012 in de zaak tussen

[verzoekster],

[verzoekster]

[verzoekster], verzoekers,

gemachtigde: mr. R.A. de Boer,

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder,

Procesverloop

Bij besluiten van 2 januari 2012 (bestreden besluiten) heeft verweerder besloten tot het met betrekking tot verzoekers verstrekken van inlichtingen aan de bevoegde fiscale autoriteiten van België.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten. Tevens hebben zij op 12 januari 2012 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Op 20 januari 2012 heeft verweerder – onder verwijzing naar artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – verzocht om geheimhouding van enkele stukken.

Bij beslissing van 13 februari 2012 heeft een andere voorzieningenrechter dit verzoek gehonoreerd en bepaald dat uitsluitend de voorzieningenrechter kennis zal mogen nemen van de in deze beslissing nader omschreven stukken. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter toestemming gegeven om mede op grond van die stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2012. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde mr. R.A. de Boer en mr. U. Isik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder].

Overwegingen

1. Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden

Op 20 mei 2009 is bij de Nederlandse bevoegde autoriteit een verzoek om inlichtingen uit België binnengekomen. Aangezien voor de beantwoording van dit verzoek een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de internationale bijstandsverlening (Wib) noodzakelijk was, is dit onderzoek op 1 juli 2009 schriftelijk bij verzoekers aangekondigd. Het onderzoek heeft op 27 juli 2009 plaatsgevonden. Na afloop van het onderzoek hebben de controleambtenaren een groot aantal fotokopieën uit de administratie van verzoekers meegenomen teneinde op kantoor te kunnen bepalen welke informatie noodzakelijk is voor de beantwoording van het Belgische inlichtingenverzoek. Gebleken is dat niet alle meegenomen informatie aan de Belgische autoriteit behoefde te worden verstrekt.

Bij besluit van 27 april 2010 zijn aan verzoekers beschikkingen tot inlichtingenuitwisseling met België verzonden. Verzoekers stellen deze beschikking nimmer te hebben ontvangen. De gegevens zijn in mei 2010 aan de Belgische autoriteit verstrekt.

Op 19 november 2010 is bij de Nederlandse bevoegde autoriteit een aanvullend verzoek om inlichtingen binnengekomen. In het verzoek wordt melding gemaakt dat het gaat om een dringend verzoek.

Omtrent het verzoek heeft op 20 december 2010 op het kantoor van de Belastingdienst/Rijnmond te Rotterdam overleg plaatsgevonden met de Belgische controleambtenaren. Na afloop van het overleg hebben de Belgische controleambtenaren een groot aantal kopieën uit de administratie van verzoekers meegenomen. Door de ambtenaar die belast was met het inlichtingenverzoek is nadrukkelijk medegedeeld dat het geen verstrekking was als bedoeld in de Wib, maar dat de terbeschikkingstelling van de fotokopieën slechts dient om de vraagstelling in het inlichtingenverzoek van 19 november 2010 te verfijnen.

Op 26 oktober 2011 is bij de bevoegde autoriteit van Nederland een verfijnd verzoek om inlichtingen van de Belgische bevoegde autoriteit binnen gekomen ter formalisering van een gedeelte van de stukken die zij op dat moment reeds in bezit had. Verweerder heeft het verzoek behandeld als ware het in de plaats getreden van het inlichtingenverzoek van 19 november 2010.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder verzoekers in kennis gesteld dat besloten is om op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wib en voor zover nodig op grond van artikel 7, lid 2, van de Wib, inlichtingen aan de Belgische autoriteiten te verstrekken.

2. Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat verweerder niet bevoegd is om de gegevens te verstrekken aan de Belgische autoriteiten. Er is niet gebleken dat de Belgische autoriteiten een heffingsbelang hebben bij de opgevraagde gegevens. Verder is niet voldaan aan het zogenoemde “uitputtingsbeginsel” (artikel 3, lid 2, onderdeel c, van de Wib). De Belgische autoriteit heeft de verplichting verzaakt om eerst de nodige inlichtingen te vragen bij de Belgische rechtspersonen/natuurlijke personen alvorens de Nederlandse belastingautoriteiten te verzoeken Nederlandse gegevens over te maken.

Evenmin is voldaan aan het wederkerigheidbeginsel. De Belgische autoriteiten hebben de aanslag- en onderzoekstermijnen niet gerespecteerd en van wederkerigheid kan dan ook geen sprake zijn.

Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de bestreden besluiten te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter overweegt dat weliswaar de fotokopieën reeds in bezit zijn van de Belgische autoriteiten maar dat verweerder ter zitting heeft verklaard “de Belgische autoriteiten zullen geen gebruik maken van de reeds verstrekte gegevens tot het moment dat er vanuit Nederland groen licht komt”. Verder heeft verweerder ter zitting verklaard dat er enkel gewacht wordt met het verstrekken van de gegevens tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan maar dat niet gewacht wordt tot een daarna te nemen beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter ziet hierin een spoedeisend belang gelegen.

4. De voorzieningenrechter overweegt verder dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Tevens dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekers een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Oordelend in dit kader van artikel 8:81 van de Awb, ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor een afweging van enerzijds het belang aan de kant van verzoekers tot het niet verstrekken van gegevens tegen anderzijds het door onmiddellijke uitvoering van de bestreden besluiten te dienen belang. Bij deze afweging is van belang dat de uitvoering van de bestreden besluiten een feitelijk gevolg teweeg brengt, dat in een latere fase van het geding door verweerder (bij het nemen van de beslissingen op de bezwaarschriften) of de rechtbank (oordelend in de bodemprocedures) niet meer kan worden hersteld. Dit onomkeerbare gevolg brengt thans mee dat de uitvoering van de bestreden besluiten voorshands prematuur moet worden geacht. Temeer daar verweerder tijdens de hoorzitting van 27 februari 2012 heeft aangegeven dat de wettelijke grondslag van de bestreden besluiten mogelijk wordt gewijzigd.

5. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding de verzoeken om voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat, mochten de beslissingen op bezwaar negatief voor verzoekers uitvallen, er op korte termijn een beroepschrift kan worden ingediend (eventueel aangevuld met verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening). De voorzieningenrechter zal de bestreden besluiten derhalve schorsen tot twee weken na dagtekening van de beslissingen op de bezwaren.

6. Nu de verzoeken worden toegewezen dienen de griffierechten aan verzoekers te worden vergoed. Tevens zal de voorzieningenrechter verweerder veroordelen in de proceskosten van verzoekers. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van de verzoekschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-, een wegingsfactor 1 en samenhang tussen de 3 verzoeken). Het verzoek om vergoeding van de reiskosten wordt niet gehonoreerd, omdat het niet gaat om kosten van een partij of belanghebbenden (artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit). De reiskosten van gemachtigden van belanghebbenden zijn reeds begrepen in de vergoeding voor rechtsbijstand (artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken toe en schorst de bestreden besluiten tot twee weken na de verzending van de beslissingen op bezwaar;

- draagt verweerder op het door ieder van de verzoekers afzonderlijk betaalde griffierecht van € 310,- te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 874,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2012.

nr. J.H.C.W. Vonk, griffier mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 15 maart 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.