Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX1358

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
11/1658
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Berekening van aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over box 3-inkomen van in Duitsland woonachtige kiezende belastingplichtige niet in strijd met Europees recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 1196
FutD 2013-1085

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/1658

Uitspraakdatum: 26 april 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats] (Duitsland),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Buitenland,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 11 februari 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2008 opgelegde aanslag inkomstenbelasting (aanslagnummer [nummer].H86).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2012 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote, [echtgenote], en namens de inspecteur, [gemachtigde].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1.1. Belanghebbende woonde in 2008 in Duitsland. Hij heeft voor dat jaar aangifte inkomstenbelasting (hierna: IB) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.434 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.910 (banktegoeden en aandelen). Het inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld:

-ABP pensioen € 42.123

-Eigen woning af € 5.714

-Uitgaven inkomensvoorzieningen af € 7.975

-Inkomen uit werk en woning (box 1) € 28.434

2.1.2. Belanghebbende heeft verzocht om toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen (op grond van artikel 2.5 Wet inkomstenbelasting 2001). De inkomstenbelasting over het inkomen uit werk en woning (zonder rekening te houden met de heffingskorting) bedraagt € 1.591. De inkomstenbelasting over het inkomen uit sparen en beleggen (zonder rekening te houden met de heffingskorting) bedraagt € 2.973. Aan belasting is in totaal € 4.564 verschuldigd. Belanghebbende heeft recht op € 152 algemene heffingskorting.

2.2.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende conform de aangifte een aanslag opgelegd.

Daarbij is de verschuldigde inkomstenbelasting vastgesteld op € 1.539. Dit bedrag is als volgt berekend:

Inkomstenbelasting box 1 € 1.591

Inkomstenbelasting box 3 € 2.973

Heffingskortingen af € 152

Vrijstelling buitenland belast inkomen (box 3) af € 2.873

2.2.2. De inspecteur heeft de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting over het inkomen in box 3 (sparen en beleggen) vastgesteld conform artikel 9, vierde lid, van het UB. Tussen partijen is in geschil of dit terecht is. Belanghebbende stelt dat deze aftrek € 2.973 dient te zijn. Volgens de inspecteur is de aftrek bij het vaststellen van de aanslag juist berekend.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het belastingverdrag Nederland-Duitsland het heffingsrecht over het inkomen uit sparen en beleggen aan Duitsland (woonland) is toegewezen en dat Nederland op grond daarvan een voorkoming van dubbele belasting moet verlenen. Voor de belastingplichtige die op grond van artikel 2.5 van de Wet IB heeft gekozen voor toepassing van de regels voor binnenlands belastingplichtige, is deze voorkoming geregeld in artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UB). Deze bepaling luidt voorzover van belang:

“1. De vermindering vanwege in het voordeel uit sparen en beleggen begrepen niet in Nederland te belasten inkomensbestanddelen is gelijk aan het bedrag dat tot de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, in dezelfde verhouding staat als de rendementsgrondslag buiten Nederland aan het begin van het jaar (peildatum) staat tot de rendementsgrondslag op de peildatum.

(…)

4. Onder de belasting die zonder de toepassing van deze afdeling volgens de wet over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen verschuldigd zou zijn, wordt verstaan: de over het kalenderjaar berekende belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet verminderd met een evenredig deel van het belastingdeel van de heffingskorting. Artikel 3, zesde lid, tweede en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.”

2.5. Het verschil tussen de onder 2.2.2 genoemde bedragen wordt veroorzaakt doordat de inspecteur de heffingskorting van € 152 naar evenredigheid toerekent aan het inkomen in box 1 (€ 52) en box 3 (€ 100). Daarmee wordt aan belanghebbende in feite € 100 van de heffingskorting onthouden. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Voor inwoners van Nederland gaat de vermindering van inkomstenbelasting ter voorkoming van dubbele belasting voor op de vermindering van belasting met de heffingskorting. Dit betekent dat bij belastingplichtigen met gedeeltelijk buitenlands inkomen de heffingskorting geheel wordt toegerekend aan de belasting over het niet buitenlandse deel van het inkomen. In artikel 2.5, tweede lid, van de Wet IB 2001 is geregeld dat dit niet geldt voor de buitenlandse belastingplichtige die heeft gekozen voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen. Dit is nader uitgewerkt in de bepalingen in het UB zoals genoemd onder 2.4. Uit de parlementaire behandeling, MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27466, nr. 3, blz. 38-39, blijkt dat de strekking van het voorgaande is om cumulatie van tegemoetkomingen te voorkomen, aangezien buitenlands belastingplichtigen in de regel in hun woonland gebruik kunnen maken van een belastingvrije som of heffingskorting.

2.6. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur de aftrek ter voorkoming van dubbele

belasting overeenkomstig het bepaalde in de Wet IB 2001 en het UB berekend. Van strijd met Europees recht is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Uit het arrest van het Hof van Justitie EG (HvJ) van 12 december 2002, C-385/00 (zaak de Groot) volgt immers dat aftrekposten en belastingvrije sommen in het algemeen door de woonstaat behoren te worden verleend, tenzij een belastingplichtige geheel of nagenoeg geheel zijn gezinsinkomen in de werkstaat verdient (C-391/97 (Gschwind) en C-279/93 (Schumacker)). Belanghebbende is inwoner van Duitsland en verdient niet geheel of nagenoeg geheel zijn (gezins-) inkomen in Nederland. Overigens is ter zitting komen vast te staan dat belanghebbendes inkomen uit sparen en beleggen in Duitsland in de belastingheffing wordt begrepen en dat Duitsland ter zake van dat inkomen een belastingvrije voet toepast.

2.7. De stelling van belanghebbende dat hij gelijk wil worden behandeld aan een inwoner van Nederland die geen inkomen uit sparen en beleggen heeft, maar overigens in dezelfde omstandigheden verkeerd, moet worden afgewezen. Van deze gevallen kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet gezegd worden dat er sprake is van gevallen die zowel feitelijk en rechtens gelijk zijn, waardoor een onderscheid in behandeling tussen deze gevallen niet gerechtvaardigd zou zijn.

2.8. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 26 april 2012 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 8 mei 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.