Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BX0769

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
251099 FT-RK 12/1081
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector civiel recht

verzoek ex art. 287b Fw

rekestnummer: 251099 FT-RK 12/1081

uitspraakdatum: 4 juli 2012

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

verder te noemen “[verzoeker]”.

1. Het verloop van de procedure.

Dit blijkt uit de navolgende processtukken:

- het verzoekschrift ex artikel 287b Fw met bijlagen, ter griffie binnengekomen op 28 juni 2012;

- de pleitnota van Stichting Thuisvester, overgelegd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift op 4 juli 2012;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift op 4 juli 2012.

2. Het verzoek.

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw.

Gelijktijdig met de gevraagde voorziening is een verzoek ingediend tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.

3. De beoordeling.

3.1 [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door [persoon], schuldhulpverlener bij Kredietbank Nederland.

De schuldeiseres op wie de gevraagde voorziening betrekking heeft, Stichting Thuisvester te Oosterhout, verder te noemen “Thuisvester”, is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek.

Namens Thuisvester zijn verschenen [gemachtigde], afdelingshoofd, alsmede [gemachtigde], gemachtigde.

3.2 Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast. [verzoeker] huurt sinds 13 augustus 2009 de woning [adres] te Oosterhout van Thuisvester. Bij vonnis van de Kantonrechter van 25 februari 2011 is de huurovereenkomst reeds ontbonden omdat er sprake was van een huurachterstand en is [verzoeker] veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en tot ontruiming van het gehuurde. De ontruiming van de woning is voor de eerste keer aangezegd tegen 31 maart 2011 om 09.45 uur. Op dat moment bedroeg de huurachterstand circa 7 maanden. Het verschuldigde is op 23 maart 2011 door de moeder van [verzoeker] voldaan, waarna de ontruiming is afgezegd. Sedert augustus 2011 is opnieuw een huurachterstand ontstaan en bij vonnis van de Kantonrechter van 4 januari 2012 is wederom de huurovereenkomst ontbonden met veroordeling van [verzoeker] tot betaling van de huurachterstand en tot ontruiming van het gehuurde. De ontruiming is aangezegd tegen 9 februari 2012. De ontruiming is opgeschort omdat [verzoeker] een regeling heeft getroffen met Thuisvester, inhoudende dat de helft van de huurachterstand direct zou worden betaald en het restant in termijnen. Op 6 februari 2012 is een bedrag van EURO 1.800,-- betaald. [verzoeker] heeft vervolgens de termijn voor de maand februari 2012 te laat betaald, de termijn voor de maand maart 2012 niet voldaan, de termijn voor de maand april 2012 wederom te laat betaald en de huur over de maand mei 2012 niet voldaan. De huur over de maanden juni 2012 en juli 2012 is tijdig voldaan. In verband met de niet-nakoming door [verzoeker] van de gemaakte afspraken heeft Thuisvester de ontruiming aangezegd per 5 juli 2012 om 09.45 uur. Op dit moment bedraagt de huurachterstand nog circa 4 maanden.

3.3 [verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij in de gelegenheid wil worden gesteld om met het Bureau Schuldhulpverlening het schuldhulp-verleningstraject voort te zetten en te bezien of een buitengerechtelijk akkoord kan worden bereikt.

3.4 Thuisvester heeft verweer gevoerd zoals weergegeven in de door haar ter zitting overgelegde pleitnota. Dit verweer zal in het navolgende voorzover van belang aan de orde komen.

3.5 Bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287b Fw, hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat de wetgever het belangrijk heeft gevonden dat een schuldenaar een poging onderneemt om met zijn schuldeisers tot een minnelijke regeling te komen, voordat hij kan worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Dit volgt onder meer uit artikel 285, eerste lid, sub f, Fw, waarin is opgenomen dat bij een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling een met redenen omklede verklaring moet worden gevoegd dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Om dit minnelijk traject te versterken, heeft de wetgever onder meer in artikel 287a Fw een regeling opgenomen, op grond waarvan een schuldeiser gedwongen kan worden in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Het doorlopen van dit minnelijk traject en het aanbieden van een schuldregeling aan de schuldeisers kan worden doorkruist, wanneer een schuldeiser in de tussentijd de woning ontruimt, de levering van gas, water of elektra beëindigt of de zorgverzekering opzegt of ontbindt. Om dit te voorkomen, heeft de wetgever in artikel 287b Fw een bepaling opgenomen die de schuldenaar in staat stelt een voorlopige voorziening te vragen indien er sprake is van een bedreigende situatie.

3.6 Ingevolge artikel 287b Fw kan een schuldenaar – voor zover hier van belang – de rechtbank vragen een voorlopige voorziening te treffen in geval van een gedwongen woningontruiming. De voorlopige voorziening strekt in dat geval tot toepassing van artikel 305 Fw. Ingevolge deze bepaling kan – kort gezegd – de ten uitvoerlegging van een vonnis tot ontruiming van de woonruimte wegens het niet nakomen van een financiële verplichting worden opgeschort, mits de lopende verplichtingen uit de huurovereenkomst tijdig worden voldaan.

3.7 Wat de beoordeling van het verzoek betreft, bevat artikel 287b Fw geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. Gezien de strekking van artikel 287b Fw kan een moratorium worden toegewezen, als daarmee kan worden bereikt dat een schuldenaar in het minnelijk traject tot overeenstemming met zijn schuldeisers kan komen. Daarbij geldt naar het oordeel van de rechtbank als uitgangspunt dat het moratorium steeds dient te worden toegewezen, tenzij zwaarwegende belangen van schuldeisers zich daartegen verzetten, zodat tussen [verzoeker] en Thuisvester een belangenafweging dient plaats te vinden. Tegenover het hiervoor overwogen belang van [verzoeker] bij een minnelijke regeling staat het belang van Thuisvester om niet langer gebonden te hoeven zijn aan een huurder die de overeengekomen huur niet (tijdig) betaald en, in het verlengde daarvan, het belang om door ontruiming van het gehuurde de woning weer ter beschikking te krijgen van een (tijdig) betalende huurder.

3.8 Naar de rechtbank hiervoor heeft overwogen, staat vast dat [verzoeker] sedert aanvang van de huurovereenkomst in augustus 2009 huurachterstanden heeft laten ontstaan, dat op 25 februari 2011 reeds een eerder ontruimingsvonnis is gewezen, dat al tweemaal eerder een ontruiming is aangezegd, dat [verzoeker] iedere getroffen betalingsregeling met Thuisvester onvoldoende is nagekomen en dat op 4 januari 2012 wederom een ontruimingsvonnis is gewezen. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het belang van Thuisvester om over te gaan tot ontruiming van het gehuurde zwaarder dient te wegen dan het belang van [verzoeker] om vanuit een stabiele situatie zijn financiële problemen te kunnen oplossen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [verzoeker] geen sluitende verklaring heeft kunnen geven voor het ontstaan van de huurachterstand, doch integendeel heeft verklaard dat hij in de desbetreffende periode een baan had voor 40 uur per week en daarnaast nog inkomsten genoot uit onderhuur. De rechtbank acht, gelet op alle feiten en omstandigheden, de ontstane huurachterstand zodanig verwijtbaar dat deze in de weg staat aan toewijzing van het moratorium. De verklaring ter zitting van [verzoeker] dat betaling van huurtermijnen vanaf heden gegarandeerd zouden zijn, brengt gelet op alle omstandigheden van het geval niet met zich dat de belangenafweging anders zou dienen uit te vallen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

3.9 De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aanhouden tot uiterlijk 10 september 2012, teneinde [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zijn verzoek te completeren met de ontbrekende stukken.

4. De beslissing.

De rechtbank:

wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

houdt het verzoek ex artikel 284 Fw aan tot uiterlijk 10 september 2012.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hopmans en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.