Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2012:BW8049

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
12/827
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking twee drank- en horecavergunningen voor twee horeca-inrichtingen i.v.m. hennepkwekerij. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Verweerder heeft op basis van de politie-informatie mogen concluderen dat verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is (geweest). Verweerder heeft in redelijkheid overwogen, dat verzoeker wist, althans had kunnen weten, dat de bovenwoning van een van zijn horeca-inrichtingen werd gebruikt als hennepkwekerij. Op basis daarvan het verweerder de drank- en horecavergunningen op goede gronden ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/827 HOREC VV

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 maart 2012 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. K.M. Moeliker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder de drank- en horecavergunningen voor twee horecabedrijven aan de [adres] ingetrokken.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Tevens heeft hij op [adres]0 januari 2012 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft deze zaak gevoegd behandeld met de zaaknummers 12/822 HOREC VV en AWB 12/820 HOREC. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012.

Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder].

Overwegingen

1. Verzoeker exploiteert twee horecabedrijven te [woonplaats], te weten [naam horecabedrijf] op het adres [adres] en [naam horecabedrijf] op het adres [adres]. Verweerder heeft op 4 december 2007 en 28 augustus 2008 vergunningen ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet (DHW) aan verzoeker verleend. Daarnaast zijn aan verzoeker op 26 januari 2009 en 28 juli 2009 exploitatievergunningen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) verleend.

Naar aanleiding van een brand op het adres [adres] op 9 mei 2011 is op 10 mei 2011 geconstateerd dat op de bovenverdiepingen van beide horecapanden hennepkwekerijen aanwezig waren. Bij brief van 25 mei 2011 heeft de burgemeester van Schouwen-Duiveland aangegeven, dat hij voornemens is de verleende exploitatievergunningen in te trekken. De burgemeester heeft daarbij tevens aangegeven, dat ook verweerder voornemens is de aan verzoeker verleende drank- en horecavergunningen in te trekken. Verzoeker heeft daartegen zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder de drank- en horecavergunningen van verzoeker ingetrokken. Verweerder heeft in het besteden besluit een reactie gegeven op de zienswijze van verzoeker.

2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat verweerder niet aannemelijk heeft kunnen maken, dat hij op welke wijze dan ook betrokken is geweest bij het opzetten van de op 10 mei 2011 ontdekte hennepkwekerij. Voor zover al zou kunnen worden gezegd dat verzoeker niet voldoende toezicht heeft gehouden, is het aan hem te maken verwijt niet zodanig ernstig, dat dat intrekking van zijn drank- en horecavergunningen rechtvaardigt.

Het bestreden besluit leidt ertoe dat verzoeker zijn horecabedrijven niet meer kan uitoefenen op de wijze, zoals hij dat tot 10 mei 2011 heeft gedaan. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen. Verzoeker heeft er in dat verband op gewezen, dat het toeristenseizoen in [woonplaats] traditioneel tijdens de paasdagen begint, derhalve in de eerste week van april 2012.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Voor zover de beoordeling van dit verzoek meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4. Ingevolge artikel 3 van de DHW is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

In artikel 31, eerste lid, van de DHW is – voor zover relevant – bepaald dat een vergunning wordt ingetrokken, indien:

a. […];

b. niet langer wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 en 10 geldende eisen;

c. […].

In artikel 8, tweede lid, van de DHW is bepaald dat leidinggevenden aan de volgende eisen dienen te voldoen:

a. zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit het ouderlijk gezag of de voogdij ontzet zijn;

b. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

c. zij moeten de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt.

5. De voorzieningenrechter dient te beoordelen of verweerder de aan verzoeker verleende drank- en horecavergunningen van 4 december 2007 en 28 augustus 2008 op goede gronden heeft ingetrokken. Verweerder heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd, dat verzoeker in enig opzicht van slecht levensgedrag is (geweest). Daaraan heeft verweerder – onder meer – de volgende (onbetwiste) feiten ten grondslag gelegd.

[-] Op 10 mei 2011 hebben toezichthouders van de gemeente Schouwen-Duiveland en medewerkers van de Politie Zeeland een tweetal hennepkwekerijen aangetroffen op de percelen aan de [adres].

[-] In de panden [adres] en [adres] zijn horecabedrijven gevestigd, te weten [naam horecabedrijf] en [naam horecabedrijf].

[-] De bovenwoning van het pand [adres] bestaat uit twee bouwlagen. De benedenverdieping van die bovenwoning wordt (in elk geval in de periode april-oktober) bewoond door verzoeker. De zolder heeft hij feitelijk in gebruik gegeven aan [naam huurder].

[-] De bovenwoning van het pand [adres] bestaat uit een bouwlaag en wordt door verzoeker onderverhuurd aan [naam huurder], die deze ook feitelijk in gebruik heeft.

[-] De stroom werd (illegaal) afgetapt uit de elektriciteitskast van de horeca-inrichting in het pand [adres] ([naam horecabedrijf]).

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid overwogen, dat verzoeker wist, althans had kunnen weten, dat de bovenwoning van het pand [adres] en de zolderverdieping van de bovenwoning van het pand [adres] werden gebruikt als hennepkwekerij. De stelling van verzoeker dat hij nooit iets heeft gemerkt, acht de voorzieningenrechter ongeloofwaardig. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat verzoeker zelf de bovenwoning van [adres] bewoont. De voorzieningenrechter acht het onwaarschijnlijk dat verzoeker nooit iets heeft gemerkt van verlichting, warmte, geur en/of geluid vanwege de hennepkwekerijen. Bovendien is gebleken dat de elektrische installatie, die de kwekerijen van stroom voorzag, was aangebracht in de meterkast van de horeca-inrichting van verzoeker aan [adres]. De voorzieningenrechter acht het onwaarschijnlijk dat verzoeker dat niet heeft gemerkt. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen (en dat heeft verzoeker niet weersproken) dat de door verzoeker overgelegde verklaring van de elektricien uitsluitend zag op de meterkast in het pand [adres], zodat aan die verklaring niet de waarde kan worden toegekend, die verzoeker daaraan toegekend wil zien.

Verweerder heeft op basis van de hiervoor genoemde omstandigheden mogen concluderen, dat verzoeker in enig opzicht van slechts levensgedrag is (geweest). Verweerder heeft daarbij eveneens mogen verwijzen naar de (politie-)informatie, zoals weergegeven op pagina 15 en 16 van het verweerschrift van 24 oktober 2011.

Op basis van het voorgaande heeft de drank- en horecavergunningen van 4 december 2007 en 28 augustus 2008 op goede gronden ingetrokken.

Nu reeds op basis van het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat verweerder de destijds verleende drank- en horecavergunningen op goede gronden heeft ingetrokken, kunnen de overige door verzoeker aangevoerde bezwaargronden onbesproken blijven.

6. Gezien het voorgaande zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar rechtens kunnen standhouden, zodat er geen aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.

Gelet op dit oordeel is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.M. Pulskens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2012.

N.A. D’Hoore, griffier mr. H.W.M. Pulskens, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 39 maart 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.